U bent nu hier:
M18

NHG-Standaard Otitis media met effusie (Tweede herziening )

Van Balen FAM, Rovers MM, Eekhof JAH, Van Weert HCPM, Eizenga WH, Boomsma LJ.

Deze standaard en de wetenschappelijke verantwoording zijn geactualiseerd ten opzichte van de vorige versie (Huisarts Wet 2000;43:171-7).

Belangrijkste wijzigingen

  • Kinderen met een afwijkende uitslag bij de neonatale gehoorscreening worden bij voorkeur verwezen naar een audiologisch centrum.
  • Deze standaard bespreekt ook otitis media met effusie bij volwassenen.

Kernboodschappen

  • Bij de meeste kinderen met otitis media met effusie kan de huisarts het natuurlijke beloop afwachten.
  • Kinderen die in hun ontwikkeling duidelijk achterblijven door een persisterende otitis media met effusie worden verwezen naar de KNO-arts.

INLEIDINGNHG Samenvattingskaart

De NHG-Standaard Otitis media met effusie geeft richtlijnen voor de diagnostiek en het beleid bij kinderen en volwassenen met otitis media met effusie. Onder otitis media met effusie wordt in deze standaard verstaan: een conditie van het middenoor, gekarakteriseerd door ophoping van vloeistof achter een gesloten trommelvlies, zonder duidelijke tekenen van een acute infectie.1) Otitis media met effusie komt één- en tweezijdig voor. Het natuurlijke beloop is gunstig: bij ongeveer de helft van de kinderen treedt binnen drie maanden spontaan herstel op en in circa driekwart van de gevallen binnen zes maanden. Soms duurt een episode langer dan een jaar of wisselt het beloop over enkele jaren. Daarom heeft de term ‘recidief’ bij otitis media met effusie slechts een beperkte waarde, omdat de episoden moeilijk af te grenzen zijn en de eerste presentatie al een ‘recidief’ kan zijn.2) Otitis media met effusie gaat meestal gepaard met geleidingsslechthorendheid en leidt daarom bij sommige kinderen tot enige vertraging van de spraak- en taalontwikkeling of tot gedragsproblemen thuis of op school. Daarnaast kan otitis media met effusie lichte oorpijn en soms oorsuizen of duizeligheid veroorzaken.

Screening op perceptief gehoorverlies bij kinderen werd in Nederland tot voor kort uitgevoerd aan het einde van het eerste levensjaar met behulp van de Ewing- of CAPAS-test. Het doel van de screening was het tijdig opsporen van kinderen met perceptief gehoorverlies (komt voor bij één à twee kinderen per 1000 pasgeborenen), maar met deze tests spoorde men vooral kinderen op met geleidingsslechthorendheid ten gevolge van otitis media met effusie. De huisarts houdt er rekening mee dat afhankelijk van de regio oudere kinderen deze vorm van screening hebben ondergaan. Inmiddels is een nieuwe gehoorscreening ingevoerd die kort na de geboorte wordt uitgevoerd en waarbij men gebruikmaakt van oto-akoestische emissies. Deze test is veel betrouwbaarder bij de opsporing van perceptieslechthorendheid. Kinderen met een afwijkende uitslag bij deze nieuwe gehoorscreening worden bij voorkeur verwezen naar een audiologisch centrum.3) Deze nieuwe screeningmethode betekent dat men perceptieslechthorendheid eerder op het spoor komt dan voorheen en dat de noodzaak minder groot is om kinderen bij wie later een gehoorsvermindering ontstaat die vermoedelijk berust op otitis media met effusie, op korte termijn te verwijzen voor gehooronderzoek.

De kern van de standaard betreft het onderscheiden van situaties waarbij de huisarts kan volstaan met voorlichting en afwachten van het natuurlijke beloop (‘wait and see’) en die waarbij een operatieve interventie door de KNO-arts wenselijk is. Indien de huisarts kiest voor dit laatste, moet een afweging worden gemaakt tussen de voordelen op korte termijn enerzijds en de beperkte voordelen op lange termijn en de risico’s van de interventies anderzijds.

ACHTERGRONDENNHG Samenvattingskaart

PathofysiologieNHG Samenvattingskaart

De ontstaanswijze van otitis media met effusie is niet geheel duidelijk. De hoge incidentie en het gunstige natuurlijke beloop suggereren dat we te maken hebben met een fysiologische reactie van het lichaam op virale of bacteriële infecties. Belangrijk bij het ontstaan van otitis media met effusie is de disfunctie van de buis van Eustachius en het feit dat de patiënt een otitis media acuta heeft doorgemaakt.4) Naast infectieuze en immunologische factoren zijn ook erfelijke factoren van belang. Het optreden van infecties wordt beïnvloed door omgevingsfactoren zoals het aantal broertjes en zusjes, crèchebezoek en het jaargetijde. Tussen otitis media met effusie en zwemmen of atopie is geen verband aangetoond.5) Gedragsproblemen bij kinderen kunnen verband houden met gehoorverlies op basis van otitis media met effusie, maar hoe sterk deze factoren elkaar beïnvloeden is niet duidelijk.6)

Het geleidingsverlies bij patiënten met otitis media met effusie is gemiddeld 25 dB, maar kan oplopen tot 50 dB. Het gehoorverlies is bij de meeste kinderen tijdelijk en heeft op lange termijn geen nadelige gevolgen voor de taalontwikkeling en leidt ook niet tot een leerachterstand op school.7)

EpidemiologieNHG Samenvattingskaart

De frequentie neemt af met de leeftijd.8) De incidentie ligt op 5 à 6 patiënten per 1000 per jaar, met een piek in de leeftijdsgroep van 0 tot 4 jaar (ongeveer 25 per 1000), en neemt na het zesde jaar af. Op 4-jarige leeftijd heeft 80% van de kinderen één of meer episoden van otitis media met effusie doorgemaakt. Bij sommige kinderen komt slechts één episode voor, maar vaak ontstaat na spontaan herstel een recidief. Bij kinderen jonger dan 6 maanden wordt de diagnose vrijwel niet gesteld, maar ook bij hen komt otitis media met effusie voor.2,8

Risicofactoren en risicogroepenNHG Samenvattingskaart

Als risicofactoren voor otitis media met effusie gelden: een erfelijke belasting, het doormaken van luchtweginfecties al of niet door crèchebezoek, regelmatig middenoorontstekingen – vooral in het eerste levensjaar – en een lagere sociaal-economische status. De gegevens over het effect van borstvoeding of roken van de ouders op het ontstaan van otitis media met effusie zijn tegenstrijdig. Kinderen die luchtweginfecties doormaken in de maanden juli tot december hebben kans op een ongunstiger beloop van otitis media met effusie.9) Otitis media met effusie komt vaker voor en heeft een ongunstiger beloop bij kinderen met het syndroom van Down, palatoschisis of een gecompromitteerd immuunsysteem.10)

RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEKNHG Samenvattingskaart

De huisarts overweegt de diagnose otitis media met effusie bij een patiënt met gehoorverlies als klacht of bij een afwijkende bevinding bij gehooronderzoek op het consultatiebureau of bij gehoorscreening buiten de neonatale periode door de jeugdarts. In de huisartsenpraktijk is de aard en mate van gehoorverlies in de leeftijdscategorie tot ongeveer 6 jaar moeilijk vast te stellen. Andere ingangsklachten bij kinderen kunnen zijn lichte oorpijn, vertraging in de spraak- en taalontwikkeling en gedragsproblemen. Uiteraard moet de huisarts ook andere mogelijke oorzaken van gedragsproblemen nagaan; hiervoor worden in deze standaard geen richtlijnen gegeven.

AnamneseNHG Samenvattingskaart

De huisarts gaat de volgende factoren na die de kans op aanwezigheid van otitis media met effusie vergroten:

  • frequente neusverkoudheid, hoorbare ademhaling tijdens slapen, openmondgedrag;11)
  • eerdere middenoorontsteking(en), vooral vóór de leeftijd van 1 jaar (frequentie, wanneer laatste keer);
  • eerdere klachten over slechthorendheid (zoals hard zetten van tv), uitslagen van gehoortests bij de jeugdarts;12)
  • gedragsproblemen thuis of op school of verminderde schoolprestaties;
  • achterblijvende spraak- en taalontwikkeling (beoordeling van spraak- en taalontwikkeling door consultatiebureau- of jeugdarts);
  • andere gezinsleden met een (waarschijnlijk) doorgemaakte otitis media met effusie;
  • aanwezigheid van het syndroom van Down, palatoschisis, andere aangeboren afwijkingen of operaties in het KNO-gebied of een immuunstoornis.

Lichamelijk onderzoekNHG Samenvattingskaart

De huisarts verricht onderzoek van keel, neus en oren en let daarbij op:

  • trommelvlies: kleur (rozerood, helder of dof), positie (ingetrokken, normaal, bomberend), doorschijnendheid en lichtreflectie;13)
  • eventuele (zeldzame) aanwezigheid van een vloeistofspiegel of luchtbel(len) achter het trommelvlies.

Stemvorkproeven, in het bijzonder de proef van Rinne, dragen theoretisch bij aan het onderscheid tussen geleidings- en perceptieslechthorendheid, maar zijn bij jonge kinderen – bij wie otitis media met effusie het meest voorkomt – moeilijk uitvoerbaar en daarom niet betrouwbaar (zie ook NHG-Standaard Slechthorendheid).

Aanvullend onderzoekNHG Samenvattingskaart

Pneumatische otoscopie is na enige oefening een zeer betrouwbaar diagnosticum, dat de huisarts ook bij de follow-up van een patiënt met otitis media met effusie kan gebruiken. Dit geldt ook voor tympanometrie in de eigen praktijk of in een diagnostisch centrum, maar hiervan is de voorspellende waarde lager.14) De huisarts die geen pneumatische otoscopie of tympanometrie kan (laten) uitvoeren, kan om zekerheid te krijgen over de diagnose het kind voor een diagnostisch consult naar een KNO-arts verwijzen. Tijdens dit consult kan ook de mate van gehoorverlies worden geobjectiveerd. Gehooronderzoek in de huisartsenpraktijk bij kinderen jonger dan 6 jaar in de vorm van de fluisterspraaktest of audiometrie is weinig betrouwbaar, draagt weinig bij aan de diagnostiek en wordt niet aanbevolen.15)

EvaluatieNHG Samenvattingskaart

De diagnose otitis media met effusie is zeker bij de aanwezigheid van een vloeistofspiegel of luchtbel(len) achter het trommelvlies, maar ook elk ander afwijkend trommelvliesbeeld kan passen bij otitis media met effusie.

Bij kinderen met gehoorverlies zonder aanwijsbare oorzaak is de diagnose otitis media met effusie de meest waarschijnlijke verklaring voor dit gehoorverlies. Bij kinderen en volwassenen met gehoorverlies zonder aanwijsbare oorzaak wordt de kans op otitis media met effusie groter bij de aanwezigheid van één of meer van de volgende factoren:

  • voorafgaande (recidiverende) otitis media acuta;
  • veelvuldige bovensteluchtweginfecties;
  • andere gezinsleden met een doorgemaakte otitis media met effusie;
  • kinderen met risicofactoren (syndroom van Down, palatoschisis of gecompromitteerd immuunsysteem).

Bij een eerste consult wegens klachten (lichte oorpijn, gehoorverlies of gedragsproblemen) of een afwijkende uitslag van gehooronderzoek op school, kan de huisarts na anamnese en lichamelijk onderzoek de diagnose otitis media met effusie vermoeden, maar de diagnose is pas met zekerheid te stellen na aanvullend onderzoek op een verminderde beweeglijkheid van het trommelvlies.

Otitis media met effusie is minder waarschijnlijk bij een parelgrijs, doorschijnend en niet ingetrokken trommelvlies met een normale lichtreflex en goede beweeglijkheid.

Bij volwassenen met een enkele maanden bestaande otitis media met effusie, zeker als deze eenzijdig is, is de huisarts alert op een (zeldzaam voorkomend) proces in de nasofarynx.16)

RICHTLIJNEN BELEIDNHG Samenvattingskaart

VoorlichtingNHG Samenvattingskaart

Bij alle kinderen bij wie de diagnose otitis media met effusie is gesteld, geeft de huisarts uitleg over de aard en het doorgaans gunstige beloop van de aandoening. Bij otitis media met effusie hoopt zich vocht op achter het trommelvlies. Bijna 80% van de kinderen jonger dan 4 jaar heeft ten minste één episode van otitis media met effusie doorgemaakt. De aandoening kan leiden tot een wisselend gehoorverlies. Binnen drie maanden treedt bij de helft van de kinderen spontaan verbetering op en binnen zes maanden bij driekwart van de patiëntjes. Recidieven komen bij de helft van de kinderen voor. Medicatie heeft geen, of hooguit een kortstondige invloed op het beloop van otitis media met effusie. Een chirurgische behandeling (met trommelvliesbuisjes of adenotomie) is meestal niet nodig.

Medische interventies worden aanbevolen als de klachten een duidelijk nadelige invloed hebben op het functioneren en op de ontwikkeling van het kind. Er zijn geen aanwijzingen dat otitis media met effusie tot onherstelbare schade van het oor of van het gehoor leidt, ook niet als de aandoening langdurig bestaat. De spraak- en taalontwikkeling kan bij het bestaan van otitis media met effusie op 4-jarige leeftijd wat achterblijven, maar deze achterstand loopt het kind in de loop van de basisschoolperiode in. Er is geen reden kinderen met otitis media met effusie het zwemmen te ontraden.

Bij kinderen met gehoorklachten met otitis media met effusie kunnen logopedische adviezen aan ouders of leerkrachten nuttig zijn.11

Het plaatsen van trommelvliesbuisjes is een frequent toegepaste behandeling bij otitis media met effusie. Zolang de buisjes functioneren (meestal zes tot twaalf maanden), verbeteren ze op korte termijn het gehoor.17) Adenotomie leidt hooguit tot een vermindering van het aantal recidieven van otitis media met effusie na uitstoten van de buisjes, maar het effect op lange termijn is gering.18)

Deze voorlichting kan de huisarts ondersteunen met de NHG-Patiëntenbrieven (www.nhg.org).

Medicamenteuze therapieNHG Samenvattingskaart

Antihistaminica en intranasale decongestiva zijn niet effectief bij otitis media met effusie en het effect van pneumokokkenvaccinatie is beperkt.19) Van behandeling met antibiotica is slechts een effect op korte termijn aangetoond, maar er is geen langetermijneffect.

Orale antimicrobiële therapie of orale/intranasale corticosteroïden worden bij otitis media met effusie niet aanbevolen.20)

ControleNHG Samenvattingskaart

Voor het controlebeleid bij otitis media met effusie met klachten (lichte oorpijn, gehoorverlies of gedragsproblemen) wordt onderscheid gemaakt tussen kinderen jonger dan 6 jaar, patiënten ouder dan 6 jaar en kinderen met een afwijkende uitslag van een gehooronderzoek (waaronder screening door de jeugdarts).

Jonge kinderen met otitis media met effusie met klachten

De huisarts adviseert de ouders van een kind met otitis media met effusie met klachten terug te komen als de klachten toenemen of als het kind duidelijk problemen heeft met het functioneren. Bij de controle kan de huisarts de diagnose objectiveren met behulp van pneumatische otoscopie of tympanometrie. In overleg met de ouders weegt de huisarts opnieuw de ernst van de klachten en de kans op spontaan herstel af tegen de voor- en nadelen van het plaatsen van trommelvliesbuisjes. Het gaat om voordelen op korte termijn (een half tot een jaar) en een gering effect op lange termijn (vijf jaar). Kinderen die tot een risicogroep behoren, hebben bij controle extra aandacht nodig en worden eerder naar de KNO-arts verwezen.

Otitis media met effusie bij patiënten ouder dan 6 jaar met klachten

Vanaf de leeftijd van 6 jaar neemt de prevalentie van otitis media met effusie af. Tevens is het mogelijk vanaf deze leeftijd gehooronderzoek uit te voeren en in het beleid te betrekken.7,16 In het algemeen kan het spontane beloop worden afgewacht.

Otitis media met effusie bij een afwijkende uitslag bij gehooronderzoek/screening

Bij kinderen met afwijkende bevindingen bij audiometrie heeft de jeugdarts het onderzoek herhaald of is meestal gedurende enkele maanden het beloop afgewacht. Bij controle zijn er twee mogelijkheden.

  • Er is al langer dan zes maanden sprake van otitis media met effusie. Afhankelijk van de ernst van de klachten bespreekt de huisarts een diagnostische (en eventueel therapeutische) verwijzing naar de KNO-arts, met als belangrijkste vraag hoe groot het gehoorverlies is. Bij een gehoorverlies van >30 dB bepaalt de KNO-arts het verdere beleid; meestal wordt gekozen voor een chirurgische interventie.
  • Er zijn geen aanwijzingen (meer) voor otitis media met effusie of de aandoening veroorzaakt geen klachten. Als er inmiddels geen twijfel meer bestaat over de gehoorfunctie, is geen verdere controle nodig.

VerwijzingNHG Samenvattingskaart

Kinderen met een afwijkende uitslag bij de neonatale gehoorscreening worden bij voorkeur verwezen naar een audiologisch centrum.

De volgende patiënten met otitis media met effusie komen in aanmerking voor verwijzing naar een KNO-arts of een audiologisch centrum:

  • kinderen met het syndroom van Down, palatoschisis, overige aangeboren KNO-afwijkingen, operaties in KNO-gebied in het verleden of een gecompromitteerd immuunsysteem;
  • kinderen met klachten die het gevolg zijn van een persisterende otitis media met effusie (gehoorverlies >30 dB, duidelijke spraak- en taalachterstand of forse gedragsstoornissen) en die een nadelige invloed hebben op het functioneren en de ontwikkeling van het kind;
  • volwassenen met otitis media met effusie en het vermoeden van een nasofarynxcarcinoom.

Na bevestiging van de diagnose otitis media met effusie zal de KNO-arts kiezen voor een afwachtend beleid, voor het plaatsen van trommelvliesbuisjes of een adenotomie uitvoeren.21)

Trommelvliesbuisjes

Ouders van kinderen met trommelvliesbuisjes kunnen zich met vragen en problemen tot de huisarts wenden. Vooral het volgende is van belang.

  • Zwemmen mag, ook met het hoofd onder water. Diep duiken lijkt niet verstandig.22) Ook tegen douchen is geen bezwaar.
  • Otorroe komt regelmatig voor, maar is onschadelijk. Als anamnestisch en otoscopisch geen andere afwijkingen worden gevonden, is er geen bezwaar tegen het voorschrijven van antibioticabevattende oordruppels, maar het effect is beperkt. Bij langer durende otorroe en algemeen ziek zijn, is een orale kuur amoxicilline-clavulaanzuur te overwegen.23) Bij onvoldoende resultaat overlegt de huisarts met of verwijst terug naar de KNO-arts.
  • Na een half jaar tot een jaar worden de meeste trommelvliesbuisjes vanzelf uitgestoten. Het trommelvlies sluit zich vrijwel altijd spontaan. De klinische relevantie van restverschijnselen (trommelvlieslittekens) lijkt beperkt.24)

Totstandkoming

In september 2004 startte een werkgroep met de herziening van de NHG-Standaard Otitis media met effusie.

De werkgroep bestond uit de volgende leden: dr. F.A.M. van Balen, dr. J.A.H. Eekhof, dr. H.C.P.M. van Weert, W.H. Eizenga, huisartsen, en dr. M.M. Rovers, arts-onderzoeker.

In mei 2005 werd de concepttekst voorgelegd aan de volgende referenten: I.A. van Eerdenburg-Keuning, jeugdarts, dr. F.J.M. van Leerdam, jeugdarts VUmc, dr. R.A.M.J. Damoiseaux, huisarts, A. De Sutter, huisarts, dr. A.C. van Loenen, ziekenhuisapotheker, klinisch farmacoloog en hoofdredacteur van het Farmacotherapeutisch Kompas, drs. M.J. Swart-Zuijderduijn, apotheker (KNMP-WINAp), dr. A. Schilder, KNO-arts te Utrecht en dr. J.A.M. Engel, KNO-arts te Nijmegen. Vermelding als referent betekent overigens niet dat de referent de standaard inhoudelijk op elk detail onderschrijft.

In juli 2005 werd de standaard geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie.

L.J. Boomsma, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG begeleidde de werkgroep en voerde de redactie van de standaard.

© 2005 Nederlands Huisartsen Genootschap


Noot 1 Terug 

De diagnostiek van otitis media met effusie is niet eenduidig. In deze standaard is daarom gekozen voor de definitie van de Nederlandse Vereniging voor KNO-heelkunde en heelkunde van het hoofd-halsgebied, die geen diagnostische criteria bevat maar uitsluitend het pathologisch-anatomisch beeld omschrijft: otitis media met effusie is een conditie van het middenoor, gekarakteriseerd door ophoping van vloeistof in het middenoor achter een gesloten trommelvlies, zonder duidelijke tekenen van infectie [Grote 1988]. Deze definitie wordt ook internationaal gehanteerd [Rosenfeld 2003].

Andere termen voor deze aandoening, zoals otitis media serosa, secretoire otitis media of ‘glue ear’, worden in deze standaard niet gehanteerd.

Noot 2 Terug 

In het Nijmeegse prospectieve KNOOP-onderzoek werden 1328 kinderen van hun tweede tot vierde verjaardag gevolgd, waarbij elke drie maanden een tympanogram werd vervaardigd. De cumulatieve incidentie (dat wil zeggen het aantal kinderen dat in de loop van de tijd één of meer episoden van otitis media met effusie heeft doorgemaakt) van eenzijdige otitis media met effusie steeg van 29% van de gescreende oren bij het eerste tympanogram tot 66% na een onderzoeksduur van twee jaar. Ongeveer de helft van de kinderen met otitis media met effusie bleek bij het volgende driemaandelijkse onderzoek hersteld te zijn; dit gold voor iedere periode van drie maanden. Bij de andere helft van de kinderen kan sprake zijn van tussentijdse genezing en recidivering; slechts 5% van de episoden van otitis media met effusie duurde langer dan zes maanden. Wel was er een gemiddelde kans van 50% op één of meer recidieven. Van de kinderen van 1 tot 6 jaar krijgt ongeveer 80% otitis media met effusie. Ongeveer 35% van de kinderen in deze leeftijdsgroep heeft korte (één tot drie maanden), al of niet herhaalde episoden van otitis media met effusie en ongeveer 30% heeft langdurige (drie tot negen maanden) al of niet herhaalde episoden. Ten slotte maakt 10% episoden door die langer dan een jaar duren [Zielhuis 1990]. In een onderzoek met 95 kinderen die vanaf de geboorte drie jaar lang maandelijks otoscopisch en tympanometrisch werden onderzocht, bleek dat kinderen die gevoelig waren voor otitis media met effusie vaker afzonderlijke episoden doormaakten dan episoden met een langere duur [Hogan 1997].

Otitis media met effusie komt ook voor bij kinderen tot 6 maanden; de incidentiepiek ligt in de tweede helft van het eerste levensjaar, waarna de incidentie geleidelijk afneemt [Engel 1999].

Noot 3 Terug 

Vanaf 1965 tot 2004 werd in Nederland op de leeftijd van 9 maanden gehoorscreening uitgevoerd met behulp van de Ewing- of de CAPAS-test (Compacte Amsterdamse Paedo-Audiometrische Screening-test). Bij een onvoldoende testreactie werd het onderzoek na een maand herhaald. Mede dankzij deze screening kregen kinderen met een perceptief gehoorverlies op een leeftijd van gemiddeld 18 maanden begeleiding en revalidatie. In 1997 bedroeg het aantal kinderen met een uiteindelijk afwijkend resultaat ruim 10.000 [Theunissen 2000]. Van hen had ongeveer 2% (n=200) perceptief gehoorverlies. De overige 98% had alleen geleidingsverlies. Deze gehoorscreeningstests hebben derhalve een lage voorspellende waarde voor perceptief gehoorverlies (2%) en het aantal fout-positieve testuitslagen is groot (98%). Dit resulteerde in een groot aantal kinderen die met otitis media met effusie naar de tweede lijn werden verwezen. Daarnaast waren er kinderen met perceptieslechthorendheid die niet werden verwezen [Van den Berg-Rust 1995].

Inmiddels is bij kinderen met perceptiedoofheid gebleken dat het starten met begeleiding en het aanmeten van een hoortoestel vóór de leeftijd van 6 maanden resulteert in een betere ontwikkeling van het kind. Dit vergt een eerdere screening, die mogelijk is met de geautomatiseerde Auditory Brainstem Response (A-ABR). Hierbij wordt getest op de aanwezigheid van een karakteristiek hersengolfpatroon dat ontstaat na aanbieding van een geluid. Een tweede methode test op de aanwezigheid van oto-akoestische emissies (OAE). OAE zijn geluiden die worden geproduceerd door de haarcellen in de cochlea wanneer ze een aangeboden geluid verwerken. Deze twee vormen van screening zijn al mogelijk in de eerste levensmaand; de OAE ook bij huisbezoek door bijvoorbeeld verpleegkundigen van ouder- en kindzorg. De positief voorspellende waarde van deze methoden voor bilateraal perceptief gehoorverlies >40dB kan, afhankelijk van de gebruikte testmethode en de plaats waar de test wordt uitgevoerd (geheel thuis, geheel op het consultatiebureau of in een combinatie van beide), variëren van 7 tot 24% [Oudesluys-Murphy 2000]. Vanaf 2004 is de nieuwe screeningsmethode in steeds meer regio’s ingevoerd. Zie voor meer details de NHG-Standaard Slechthorendheid.

Noot 4 Terug 

De pathogenese van otitis media met effusie is multifactorieel. Het gaat niet alleen om de infectie door virussen en bacteriën, maar ook om de respons van de luchtwegen en vooral van de buis van Eustachius. Immunoglobuline A heeft invloed op de adherentie van virussen en bacteriën aan het epitheel. De buis van Eustachius speelt een cruciale rol bij de handhaving van een drukverschil tussen de neus-keelholte en het middenoor en heeft door trilhaarbewegingen een reinigende invloed op ontstekingsprocessen [Rovers 2004].

Noot 5 Terug 

In een recent patiëntcontroleonderzoek met 548 kinderen die de KNO-arts bezochten en bij wie de diagnose otitis media met effusie was gesteld, bleek regelmatig dat bovensteluchtweginfecties (OR 2,2; 95%-BI 1,5-3,2), broertjes of zusjes met een geschiedenis van otitis media met effusie (OR 1,6 per kind) en verwijzing in de periode juli-december (OR 1,7; 95%-BI 1,2-2,6) relevante risicofactoren waren [Medical Research 2002]. Eerder onderzoek gaf een vergelijkbaar beeld. Atopie bleek daarin van weinig belang [Zielhuis 1989]. De onderzoeken naar de effecten van roken van de moeder en het geven van borstvoeding op het ontstaan van otitis media met effusie waren tegenstrijdig [Rosenfeld 2003].

Een erfelijke component bij recidiverende middenoorontstekingen is al langer bekend [Kvaerner 1997]. Een prospectief onderzoek onder 140 tweelingparen met hetzelfde geslacht die drie jaar (n=114) of vijf jaar (n=83) werden gevolgd, wees uit dat het aantal maanden waarin otitis media met effusie voorkwam in belangrijke mate erfelijk bepaald was. Dit was bij monozygote tweelingen nog duidelijker dan bij dizygote tweelingen [Casselbrant 2004].

Noot 6 Terug 

Onderzoek naar het verband tussen otitis media met effusie en gedragsproblemen is schaars en vertoont methodologische tekortkomingen. Er zijn aanwijzingen dat gedragsproblemen (zoals terugtrekgedrag, snelle afleidbaarheid, destructief gedrag, frustratie of slecht gehumeurd zijn, overactiviteit of slecht luisteren) in verhoogde mate voorkomen bij kinderen met otitis media met effusie [Haggard 1994]. In een prospectief onderzoek met 85 zwarte kinderen van wie 30% otitis media met effusie doormaakte voor het vijfde levensjaar, gaven ouders, leraren en artsen in vragenlijsten echter niet aan dat er sprake was van hyperactiviteit, aandachts- of gedragsproblemen [Minter 2001]. Een groot cohortonderzoek (1000 kinderen in Dunedin) die langdurig werden gevolgd (tot de leeftijd van 26 jaar) wees op een significante relatie tussen het doormaken van otitis media met effusie en gedragsproblemen (vooral aandachtstekort en ook hyperactiviteit) in de puberteit (11-15 jaar) [Bennett 2001].

Noot 7 Terug 

De spraak- en taalontwikkeling van een kind is afhankelijk van het gehoorvermogen. Dat een (vooral perceptief) gehoorverlies van meer dan 40 dB een negatief effect kan hebben op de taalontwikkeling en de leerprestaties van jonge kinderen is goed gedocumenteerd [Van den Broek 1988, Burke 1989]. Empirisch onderzoek naar een relatie tussen op jonge leeftijd doorgemaakte otitis media met effusie en latere ontwikkelingsachterstanden is echter moeilijk. Verscheidene aspecten leveren problemen op: de definiëring, de validiteit van de meetinstrumenten, de noodzakelijke langdurige follow-up, de risico’s op selectie, enzovoort.

De spraak- en taalontwikkeling wordt onderscheiden in de taalperceptie (het verstaan en begrijpen van woorden) en de taalexpressie (het actieve gebruik van woorden). In het Dunedin-onderzoek vond men bij kinderen die otitis media met effusie hadden doorgemaakt, al of niet met buisjes, een achterstand in de taalperceptie [Chalmers 1989]. Deze achterstand was van tijdelijke aard, want op de leeftijd van 9 jaar was hij niet meer meetbaar. De overheersende opvatting is derhalve dat een blijvende achterstand in het begrijpen van woorden ten gevolge van otitis media met effusie tot nu toe niet is aangetoond.

Wat betreft de taalexpressie is in het Dunedin-onderzoek en in het KNOOP-project een nadelig verband gevonden met het doormaken van tweezijdige otitis media met effusie [Chalmers 1989, Van den Broek 1988]. In het Dunedin-onderzoek vond men een achterstand in de actieve spraak bij kinderen die op 3-jarige leeftijd tweezijdige otitis media met effusie hadden doorgemaakt of beiderzijds trommelvliesbuisjes hadden [Chalmers 1989]. In het cross-sectionele deel bleef deze achterstand bestaan tot op 7-jarige leeftijd en was hij op 9-jarige leeftijd verdwenen. In het longitudinale onderzoek bleef de achterstand echter meetbaar gedurende de gehele follow-upperiode tot het elfde jaar. Een epidemiologisch sterk argument voor het bestaan van causaliteit wordt voorts geleverd door de aanwezigheid van een dosisresponsrelatie: de gemeten achterstanden bij langdurige otitis media met effusie waren groter dan die bij kortdurende otitis media met effusie.

De resultaten van een Nijmeegs onderzoek waren hiermee echter in tegenspraak. In een onderzoek bij 305 kinderen die tussen het tweede en vierde jaar dubbelzijdige otitis media met effusie hadden doorgemaakt, bleek dat – ook bij aanwezigheid van een of meer risicofactoren voor het oplopen van taalachterstand – op het zevende jaar er vrijwel geen problemen waren met spreken, lezen of spellen die niet konden worden verklaard door verschillen in opleidingsniveau van de ouders [Grievink 1993]. Ook in een cohort van 946 kinderen die tussen het tweede en vierde jaar dubbelzijdige otitis media met effusie hadden doorgemaakt, bleek de aanwezigheid van een of meer risicofactoren voor achterstand in taalontwikkeling (laag opleidingsniveau van de ouders, mannelijk geslacht, lage niet-verbale intelligentie, premature geboorte of laag geboortegewicht en Nederlands als tweede taal) slechts een zeer klein effect te hebben op het spreken, lezen en spellen op 7-jarige leeftijd [Peters 1997]. In een groep van 47 kinderen was het op de peuterleeftijd aangetoonde verband tussen taalontwikkeling en otitis media met effusie niet meer aanwezig op de leeftijd van 7 tot 8 jaar [Schilder 1993]. In een prospectief cohortonderzoek onder 83 kinderen (middenklasse, lage-inkomensgroep) die op de leeftijd van 6 maanden tot 4 jaar een of meer episoden van otitis media met effusie hadden doorgemaakt, bleken geen verschillen in leesvaardigheid in de loop van de basisschoolperiode. In de eerste groep van de basisschool waren er nog wel verschillen in taalexpressie en verbale rekenopdrachten, maar deze verdwenen in de loop van de schooljaren. De verschillen in taal- en rekenvaardigheden waren meer gerelateerd aan stimulering in de thuissituatie dan aan de aanwezigheid van otitis media met effusie of slechthorendheid [Roberts 2002].

Conclusie: dubbelzijdige otitis media met effusie voor het vierde levensjaar lijkt volgens de gangbare opvatting geen invloed te hebben op de taalperceptie, maar mogelijk wel op de taalexpressie. Deze achterstand in taalexpressie wordt in de loop van de basisschoolperiode ingelopen, waarbij een stimulerende thuissituatie belangrijker is voor de spraak- en taalontwikkeling dan de aanwezigheid van otitis media met effusie.

Noot 8 Terug 

In het Transitieproject was de prevalentie van ‘non-suppuratieve otitis media’ bij 0- tot 4-jarigen 25 per 1000 kinderen en de prevalentie van ‘eustachian salpingitis’ 20 [Okkes 1998]. In de CMR was de incidentie in de leeftijdscategorie 0 tot 4 jaar circa 38 per 1000 patiëntjaren [Van de Lisdonk 2003]. Dat de prevalentie en incidentie afnemen met de leeftijd blijkt zowel uit het Transitieproject als uit de Tweede Nationale Studie [Van der Linden 2004, Okkes 1998].

Noot 9 Terug 

In een prospectief onderzoek werden 433 kinderen tussen 6 maanden en 6 jaar iedere drie maanden onderzocht met behulp van vragenlijsten en tympanometrie. Het risico op persisterende otitis media met effusie (die globaal langer dan drie maanden duurt) is groter bij kinderen met middenoorontstekingen op een leeftijd <1 jaar, bij kinderen met otitis media met effusie in de zomer/herfst of bij kinderen met afwijkingen in het KNO-gebied [Van Balen 2000]. In een cohortonderzoek met 698 gezonde kinderen werd vanaf de geboorte tot de leeftijd van 2 jaar iedere twee weken tympanometrie verricht. Crèchebezoek op jonge leeftijd bleek geassocieerd met een vroeg begin van otitis media met effusie. Roken in de buurt van het kind en crèchebezoek verlengen de totale periode waarin het kind otitis media met effusie heeft [Owen 1993]. In een retrospectieve analyse van 517 kinderen (3 tot 15 jaar) met otitis media met effusie bleken een leeftijd <4 jaar en het seizoen (herfst of winter) het risico op persisteren van de klachten te verhogen [Houghton 1998].

In een patiëntcontroleonderzoek (240 patiënten en 366 controlepersonen) bij kinderen van ongeveer 1 jaar (11 tot 15 maanden) bleken de volgende factoren van prognostische betekenis: meer dan vier bovensteluchtweginfecties (OR 3,82; 95%-BI 2,72-5,38) en het hebben van een ouder broertje of zusje (OR 3,13; 95%-BI 2,17-4,50) bleken de kans op het ontwikkelen en persisteren van otitis media met effusie te vergroten [Rovers 1998]. In een vervolgonderzoek bij kinderen die na de gehoorscreening otitis media met effusie bleken te hebben, werden – in vergelijking met de totale groep kinderen – dezelfde prognostische factoren gevonden [Rovers 1999].

Noot 10 Terug 

Een duidelijk verhoogd risico op het krijgen van otitis media met effusie en op een langdurig beloop hebben kinderen met het syndroom van Down of het syndroom van Kartagener, kinderen met een gespleten gehemelte en kinderen met een gecompromitteerd immuunsysteem [Paradise 1980, Rovers 2004].

Noot 11 Terug 

Habitueel mondademen, dat wil zeggen de gewoonte om door de mond te ademen terwijl de neus doorgankelijk is, wordt in verband gebracht met otitis media met effusie. In een cohortonderzoek onder 253 kinderen van 3 jaar, die drie maanden werden gevolgd, bleek dat naarmate de kinderen minder door de neus en meer door de mond ademden, het risico op otitis media met effusie toenam (relatief risico 2,4; 95%-BI 1,0-5,7 neusademhalers vergeleken met mondademhalers). Men schatte dat 20% van de incidentie van otitis media met effusie terug te voeren zou zijn op habituele mondademhaling [Van Bon 1989]. De behandeling van habitueel mondademhalen behoort in eerste instantie tot het terrein van de logopediste, maar getallen over de effectiviteit ontbreken [Idema 1983, Van Bon 1989].

Er zijn logopedische adviezen geformuleerd voor kinderen met gehoorverlies.

  • Beperk het lawaai in de omgeving van het kind.
  • Trek de aandacht van het kind als u tegen hem/haar praat.
  • Spreek rustig en niet te snel.
  • Herhaal wat u tegen hem/haar zegt.
  • Stimuleer dat uw kind nazegt wat u hem/haar voorzegt.
  • Lees uit een boekje voor in plaats van naar de tv te kijken [Van Balen 1995].

Noot 12 Terug 

Slechthorendheid die wordt vastgesteld bij een latere screening op school, is meestal terug te voeren op otitis media met effusie, maar gezien de matige betrouwbaarheid van de gehoorscreening die bij deze kinderen bij de geboorte is uitgevoerd, is de kans op perceptieslechthorendheid niet uitgesloten [Oudesluys-Murphy 2000].

In een onderzoek waarbij het ging om de perceptie van de ouders ten aanzien van otitis media acuta of slechthorendheid werden 216 kinderen (66 prematuur geboren) gedurende 27 maanden gevolgd. De meerderheid van de ouders merkte geen otitis media acuta met effusie of slechthorendheid op [Anteunis 1999].

Noot 13 Terug 

Bij otitis media met effusie kan het vocht een gele of blauwachtige kleur aan het trommelvlies geven. Droogt het vocht in, dan wordt het trommelvlies mat wit, soms met vaatinjectie. Retractie wijst op het bestaan van een negatieve druk in het middenoor. Bij een langdurig hoge negatieve druk kan effusie ontstaan. Daarnaast kan ook een bomberend trommelvlies passen bij otitis media met effusie: door de vochtophoping wordt het trommelvlies dan naar buiten geduwd. Afhankelijk van de aard van de effusie kan het trommelvlies normaal of verminderd doorschijnend zijn; soms zijn luchtbellen of een vloeistofspiegel achter het trommelvlies waarneembaar. Er bestaat echter weinig overeenstemming over het belang van deze verschillende kenmerken. Ook ervaren otoscopisten kunnen otitis media met effusie op grond van het trommelvliesbeeld niet betrouwbaar vaststellen [Lim 1988, Cantekin 1980].

Noot 14 Terug 

Voor de diagnostiek van otitis media met effusie kan men gebruikmaken van pneumatische otoscopie en tympanometrie. Bij pneumatische otoscopie wordt de beweeglijkheid van het trommelvlies beoordeeld door de gehoorgang af te sluiten en met een ballon wat lucht in de gehoorgang te pompen; een verminderde beweeglijkheid pleit voor otitis media met effusie. In de Nederlandse huisartsenpraktijk wordt pneumatische otoscopie weinig toegepast. In een onderzoek bij 111 kinderen tussen 1 en 16 jaar was de diagnostische waarde van pneumatische otoscopie grotendeels vergelijkbaar met die van tympanometrie [De Melker 1993]. In een systematische review van acht onderzoeken bleek pneumatische otoscopie een sensitiviteit te hebben van 94% (95%-BI 92-96) en een specificiteit van 80% (95%-BI 75-86). De voorspellende waarde van een positieve testuitslag is 81% en van een negatieve testuitslag 60%. De belangrijkste factor voor de kwaliteit van het onderzoek is de vaardigheid van de otoscopist [Takata 2003]. Ook bij controles en bij de eventuele beslissing tot en de respons op een operatieve ingreep bleek pneumatische otoscopie een waardevol onderzoek bij 37 patiënten van een KNO-polikliniek [Takahashi 1999].

Met behulp van tympanometrie kan men de impedantie van het trommelvlies bepalen. Bij dit onderzoek maakt men gebruik te maken van een testtoon. De impedantie wordt grafisch weergegeven in een curve; bepaalde curven maken de diagnose otitis media met effusie meer of minder waarschijnlijk [De Melker 1992]. In een onderzoek bij 111 schoolkinderen was de inter-observer-betrouwbaarheid van de Microtymp (een handzaam apparaat bruikbaar in de huisartsenpraktijk) hoog (Cohen’s kappa 0,95) evenals de vergelijkbaarheid met een referentie-instrument [De Melker 1992]. In een onderzoek bij 142 kinderen (leeftijd 6 maanden tot 12 jaar) die waren verwezen naar een KNO-arts voor paracentese of het plaatsen van trommelvliesbuisjes, bleek de Microtymp in vergelijking met de gouden standaard ‘effusie bij paracentese’ een hoge sensitiviteit te hebben (94%), maar een lage specificiteit (48%). In een geselecteerde populatie varieerde de voorspellende waarde van een positieve testuitslag van 49 tot 99% en van een negatieve testuitslag van 80 tot 96%. Dit betekent dat er relatief veel fout-positieve uitslagen zijn [Van Balen 1995]. De in dit onderzoek gebruikte Microtymp heeft vergelijkbare resultaten als een veelgebruikt referentie-instrument: de AR 85 tympanometer. De mate van overeenstemming van de interpretatie van het tympanogram (wel of geen otitis media met effusie) door getrainde huisartsen was redelijk in vergelijking met de interpretatie door experts (Cohen’s kappa 0,63). Bij de bespreking van het bovenstaande onderzoek worden kritische kanttekeningen geplaatst in verband met de generaliseerbaarheid van de gevonden testwaarden van de Microtymp in de gewone huisartsenpopulatie (met een lagere prevalentie), problemen met de interpretatie van de uitslagen van de Microtymp door minder getrainde huisartsen en de hoge aanschafkosten [Van de Lisdonk 1995]. Een ander risico van het gebruik van de tympanometer (in de huisartsenpraktijk) is dat de hoge sensitiviteit voor het opsporen van otitis media met effusie samen met de grote kans op spontane genezing leidt tot overmatige controles, verwijzing en behandeling [Maw 1992]. Voor het vervolgen van patiënten met otitis media met effusie bleek in KNO-poliklinieken tympanometrie een goede voorspeller van het beloop. Dit onderzoek leidde tot een forse werkreductie doordat de noodzaak tot audiometrie afnam [Anonymus 1999].

Conclusie: de huisarts kan de diagnose otitis media met effusie vermoeden op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek. Een definitieve diagnose is pas te stellen na aanvullend onderzoek. Pneumatische otoscopie is een goede aanvulling na voldoende training. Bij de follow-up van een kind met klachten is de tympanometer een bruikbaar instrument om vast te stellen of er nog sprake is van otitis media met effusie.

Noot 15 Terug 

Gehooronderzoek bij kinderen jonger dan 6 jaar door middel van de fluisterspraaktest of audiometrie is onbetrouwbaar [Eekhof 1997]. Eenvoudige audiometrie in de huisartsenpraktijk (ook wel screeningsaudiometrie genoemd) is bij de meeste kinderen vanaf 6 jaar uitvoerbaar. Dit onderzoek heeft echter niet de nauwkeurigheid van de in de kliniek gebruikte methoden. Otitis media met effusie leidt tot een wisselend gehoorverlies tot maximaal 30-35 dB. In vergelijking met ziekenhuisaudiometrie werden bij een onderzoek geen fout-negatieve, wel 9% fout-positieve testuitslagen gevonden [Smith 1988].

Noot 16 Terug 

Bij volwassenen komt otitis media met effusie niet vaak voor. Vanaf 45 jaar nemen de incidentie en de prevalentie af van 3-5,5 per 1000 patiënten tot 1,6-2,2 per 1000 patiënten ouder dan 75 jaar [Van der Linden 2004]. In zeldzame gevallen blijft de otitis media met effusie lang bestaan vanwege een pathologisch proces in de nasofarynx. Het nasofarynxcarcinoom heeft in West-Europa een prevalentie van minder dan 0,05 per 100.000 inwoners, maar komt in bepaalde gebieden (Noord-Afrika, Zuidoost-China) veel vaker voor. De oorzaak is multifactorieel; mogelijk speelt ook een infectie met het Epstein-Barr-virus een rol. Bij een onderzoek in een oncologische kliniek onder 109 patiënten presenteerde 58% van de patiënten zich met een pathologische halsklier en 50% met gehoorverlies op basis van otitis media met effusie. Het interval tussen het begin van de symptomen en het stellen van de diagnose was bij 54% van de patiënten langer dan twintig weken. De 5-jaarsoverleving bedroeg ongeveer 50% (42 tot 58%) [Balm 1997].

Noot 17 Terug 

De meest toegepaste behandeling van otitis media met effusie is het plaatsen van trommelvliesbuisjes door de KNO-arts. De buisjes herstellen de middenoorfunctie en in diverse onderzoeken is een verbetering van het gehoor aangetoond [Rosenfeld 2003]. Het aantal behandelingen met trommelvliesbuisjes is gestegen van 18.000 in 1975 tot bijna 52.000 in 1992. Sindsdien is er een lichte daling opgetreden [Engel 1999].

Noot 18 Terug 

In een gerandomiseerd onderzoek met 180 kinderen met recidiverende otitis media al of niet met effusie werden de effecten vergeleken van adenotomie, behandeling met chemotherapeutica (alleen sulfapreparaten) gedurende zes maanden en placebo. In alle groepen vielen veel kinderen uit, maar tussen de groepen waren geen verschillen in het persisteren en recidiveren van otitis media met effusie, het optreden van otitis media acuta, dan het wel aantal antibioticavoorschriften. De auteurs concludeerden dat behandeling met adenotomie niet aangewezen is bij otitis media met effusie of bij recidiverende otitis media acuta [Koivunen 2004]. In een meta-analyse bleek dat kinderen bij wie de trommelvliesbuisjes zijn uitgestoten, bij persisteren (of ‘recidiveren’ ) van otitis media met effusie baat kunnen hebben bij adenotomie [Rosenfeld 2003, Rovers 2004].

Noot 19 Terug 

Het gebruik van decongestieve neusdruppels behoort tot de oudste therapieën. Het gebruik berust op theoretische overwegingen [Grote 1988]. Er is geen onderzoek waaruit een positief effect van deze behandeling op het beloop van otitis media met effusie blijkt [Rosenfeld 2003].

In een dubbelblinde gerandomiseerde trial bij 553 kinderen met otitis media met effusie was een combinatie van een decongestivum en een oraal antihistaminicum niet effectiever dan placebo [Cantekin 1983]. In een kleiner onderzoek bij 55 kinderen met otitis media met effusie kon men evenmin effect aantonen van een decongestivum in combinatie met een antihistaminicum [O’Shea 1980]. Dit wordt bevestigd in een recente meta-analyse [Rosenfeld 2003].

De plaats van vaccinatie werd onderzocht in een kleine groep kinderen die onvoldoende reageerden op antibiotica en die plaatsing van trommelvliesbuisjes kregen aangeboden (n=37) of een vaccinatie tegen pneumokokken en Haemophilus influenzae (n=26). In beide groepen trad een duidelijke verbetering op (respectievelijk 60 en 73% resolutie van de middenooreffusie, maar het verschil was niet significant). Ook werd geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende vaccinaties, zodat het effect van alleen een H.influenzae-vaccinatie niet is aan te geven [Kilic 2002]. Een recente meta-analyse met de verschillende typen pneumokokkenvaccin wees op een minimaal effect van vaccinatie op het optreden van recidieven van otitis media acuta en geen effect op het beloop van otitis media met effusie [Straetemans 2002].

Noot 20 Terug 

In een Nederlands onderzoek kregen 162 kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 6 jaar met een tweezijdige otitis media met effusie die ten minste drie maanden bestond, gedurende veertien dagen amoxicilline of een placebo. Bij controle na twee weken was er sprake van otitis media met effusie in beide oren bij 53% in de amoxicillinegroep en bij 84% in de placebogroep. Na zes weken was het gemeten verschil statistisch niet meer significant. Gastro-intestinale bijwerkingen kwamen in de placebogroep minder vaak voor (19 versus 32%) [Van Balen 1996]. Het effect op de langere termijn werd niet bestudeerd. Een andere gerandomiseerde placebo-gecontroleerde trial bij 310 kinderen met otitis media met effusie toonde geen verschil aan in herstel tussen de met en zonder antibiotica behandelde groep [Mandel 1991].

Over de vraag of antibiotica werkzaam zijn bij otitis media met effusie zijn drie meta-analyses verschenen. In de eerste analyse concludeerden de auteurs op basis van tien onderzoeken dat door het gebruik van antibiotica otitis media met effusie statistisch significant en klinisch relevant sneller geneest [Rosenfeld 1992]. Bij een heranalyse van ongeveer dezelfde onderzoeken concludeerden anderen echter dat antibiotica ineffectief zijn [Cantekin 1994]. Een belangrijke overweging hierbij was dat naarmate de onderzoeken kwalitatief beter waren, het effect minder was (in het grootste en kwalitatief beste onderzoek is het effect vrijwel nihil). In een derde en volgende meta-analyse concludeerden de auteurs dat er mogelijk wel effect is op korte termijn, maar dat er geen bewijs is voor het nut op langere termijn (>1 maand) [Williams 1993, Rosenfeld 2003].

Corticosteroïdhoudende neusspray heeft volgens een systematische review mogelijk wel een gunstig effect op korte termijn, maar het effect op lange termijn is onduidelijk. De onderzoeken betroffen kleine aantallen patiënten en de corticosteroïden werden vaak gecombineerd met antibiotica [Butler 2002, Rosenfeld 2003].

Conclusie: de resultaten zijn tegenstrijdig. Mogelijk is er een kortdurend effect van antibiotica, die de huisarts dan kan voorschrijven aan risicogroepen van kinderen met otitis media met effusie. Omdat er geen bewijs is van een gunstig effect op de middenooreffusie op lange termijn en gezien de bekende nadelen, zoals resistentievorming, zijn antibiotica in het algemeen niet geïndiceerd [Grote 1997].

Noot 21 Terug 

In een vervolgonderzoek van het KNOOP-project zag men bij 946 van de oorspronkelijke 1328 kinderen die op 2- tot 4-jarige leeftijd een langdurige otitis media met effusie hadden doorgemaakt – met name bij de kinderen die trommelvliesbuisjes hadden gekregen – op 7,5- tot 8-jarige leeftijd trommelvliesafwijkingen. Op jonge leeftijd werden geen substantiële effecten van otitis media met effusie gezien wat betreft gehoorverlies, taalontwikkeling of schoolvorderingen [Schilder 1993]. In een Engels gerandomiseerd onderzoek bij 429 kinderen met otitis media met effusie bleek het plaatsen van trommelvliesbuisjes direct na verwijzing of na zes tot negen maanden geen verschil in ontwikkeling op 3-jarige leeftijd op te leveren [Paradise 2003]. In een groep van 182 kinderen bleek het plaatsen van trommelvliesbuisjes na negen maanden een vermindering van gedragsproblemen (17% minder op een scorelijst) op te leveren, maar dit effect was na achttien maanden verdwenen [Wilks 2000]. Deze onderzoeken ondersteunen een terughoudend beleid ten aanzien van het plaatsen van trommelvliesbuisjes.

In een gerandomiseerd onderzoek met 187 kinderen werd het effect van plaatsing van trommelvliesbuisjes bij dubbelzijdige otitis media met effusie vergeleken met een afwachtend beleid. Met behulp van een vragenlijst werd het effect op de kwaliteit van leven vastgesteld, maar tussen de groepen werden geen significante verschillen gevonden [Rovers 2001]. Na het plaatsen van trommelvliesbuisjes is het gehoor nog niet normaal, maar ook na het uitdrijven van het buisje is er na gemiddeld drie maanden nog ongeveer 12 dB (standaarddeviatie 4 dB) gehoorverlies [Anonymus 2003]. Het plaatsen van trommelvliesbuisjes bij 187 kinderen bleek in een gerandomiseerd onderzoek niet kosteneffectief, gezien het ontbreken van een positief effect op de spraak- en taalontwikkeling op langere termijn [Hartman 2001].

Bij 213 kinderen die na verlies van trommelvliesbuisjes weer otitis media met effusie ontwikkelden, trad een significante verbetering op na adenotomie. Het bezwaar bij dit onderzoek is dat een controlegroep waarbij wederom buisjes werden geplaatst, ontbreekt [Paradise 1990].

Bij 229 kinderen van 2 tot 9 jaar die een KNO-polikliniek bezochten na ten minste drie maanden otitis media met effusie, was bij een follow-up van gemiddeld zeven jaar adenotomie plus het plaatsen van buisjes het meest effectief (sneller verdwijnen van effusie en gehoorverlies). De gemiddelde duur van de effusie was 6,1 jaar bij geen behandeling, 3,5 jaar bij trommelvliesbuisjes, 3,4 jaar bij adenotomie en 2,3 jaar bij adenotomie plus trommelvliesbuisjes [Maw 1993, Maw 1999].

Conclusie: als de KNO-arts bij otitis media met effusie chirurgisch ingrijpen overweegt, komt in eerste instantie het plaatsen van trommelvliesbuisjes in aanmerking. Bij een sterk vergroot adenoïd kan men adenotomie overwegen. Als de buisjes worden uitgestoten en de otitis media persisteert, worden opnieuw buisjes geplaatst, maar verdient het aanbeveling ook adenotomie uit te voeren, onafhankelijk van de grootte van het adenoïd [Rovers 2004].

Noot 22 Terug 

In een meta-analyse van elf onderzoeken vond men geen verschil in het optreden van middenoorontsteking bij kinderen met trommelvliesbuisjes die zwemmen, al of niet met oorbescherming, en bij kinderen die niet zwemmen (OR 0,8; 95%-BI 0,4-1,5 voor beide) [Carbonell 2002]. Bij analyse van zes onderzoeken blijkt dat de mate van otorroe wijzend op een mogelijke infectie bij kinderen met trommelvliesbuisjes die zwemmen, niet groter is dan bij kinderen met buisjes die niet zwemmen [Pringle 1992].

Geconcludeerd wordt dat een zwemverbod onrust veroorzaakt, het aanleren van een levensreddende vaardigheid vertraagt en niet onderbouwd is. Duiken lijkt op theoretische gronden niet verstandig.

Noot 23 Terug 

In het Dunedin-onderzoek wordt melding gemaakt van otorroe of vorming van granulatieweefsel bij 20% van de met buisjes behandelde oren [Chalmers 1989]. In een gerandomiseerd onderzoek met 173 kinderen komt men zelfs tot otorroe bij 75% van de kinderen met buisjes na zes maanden, met een gemiddelde duur van zestien dagen, met een zeer groot betrouwbaarheidsinterval. De belangrijkste risicofactor was de sociaal-economische status van het gezin [Ah-Tye 2001]. Beoordeling en vergelijking van literatuurgegevens over otorroe wordt vooral bemoeilijkt door uiteenlopende definities van otorroe als complicatie van buisjes en door verschillende manieren van berekening van de incidenties. De otorroe is nogal eens purulent, waarbij bij jonge (<2 jaar) kinderen vooral pneumokokken en H. influenzae werden gekweekt. De huisarts kan in een dergelijk geval lokale antibiotica voorschrijven. Dit beeld zag men ook bij oudere kinderen, maar zij hadden in de uitwendige gehoorgang tevens stafylokokken en Pseudomonas-soorten, die vaak antibioticaresistent waren [Dohar 2003]. De huisarts kan overwegen een kweek af te nemen. In een systematische review bleken bij de behandeling van looporen met een trommelvliesperforatie oordruppels met quinolonen het meest effectief (twee onderzoeken; OR 0,37; 95%-BI 0,24-0,57) en effectiever dan orale antibiotica (zes onderzoeken; OR 0,46; 95%-BI 0,30-0,69) [Acuin 2000]. Hierbij ging het echter om kinderen met een perforatie na een ontsteking en kinderen met trommelvliesbuisjes. In een gerandomiseerd onderzoek onder 66 kinderen met otorroe op basis van een trommelvliesbuisje, bleek toediening van amoxicilline-clavulaanzuur het aantal dagen otorroe significant te verminderen (van acht naar drie dagen; bacteriegroei van acht dagen naar één dag) [Ruohola 2003].

Noot 24 Terug 

In de literatuur lopen de meningen uiteen over de vraag wanneer een perforatie als complicatie van buisjes moet worden opgevat en wordt het begrip permanente perforatie verschillend gedefinieerd. Moesker vond in de literatuur percentages van 1,1 tot 3,9 van blijvende perforatie (>zes maanden) na een ‘gewoon’ buisje; bij buisjes voor de langere termijn zijn deze percentages aanzienlijk hoger [Moesker 1990].

Tympanosclerose wordt gekenmerkt door een toename van de dikte of de dichtheid van de pars tensa van het trommelvlies. Hoewel het persisteren van op jonge leeftijd aanwezige otitis media met effusie kan leiden tot afwijkingen aan het trommelvlies op de leeftijd van 7 tot 8 jaar, blijkt tympanosclerose vrijwel uitsluitend voor te komen bij oren die met buisjes zijn behandeld [Moesker 1990, Schilder 1995]. Tympanosclerose is soms reversibel. De invloed van tympanosclerose op het gehoor is echter gering.


Acuin J, Smith A, Mackenzie I. Interventions for chronic suppurative otitis media. Cochrane Database Syst Rev 2000;CD000473.

Ah-Tye C, Paradise JL, Colborn DK. Otorrhea in young children after tympanostomy-tube placement for persistent middle-ear effusion: prevalence, incidence, and duration. Pediatrics 2001;107:1251-8.

Anonymus. Sensitivity, specificity and predictive value of tympanometry in predicting a hearing impairment in otitis media with effusion. MRC Multi-Centre Otitis Media Study Group. Clin Otolaryngol Allied Sci 1999;24:294-300.

Anonymus. The role of ventilation tube status in the hearing levels in children managed for bilateral persistent otitis media with effusion. Clin Otolaryngol Allied Sci 2003;28:146-53.

Anteunis LJ, Engel JA, Hendriks JJ, Manni JJ. A longitudinal study of the validity of parental reporting in the detection of otitis media and related hearing impairment in infancy. Audiology 1999;38:75-82.

Balm AJ, Plaat BE, Hart AA, Hilgers FJ, Keus RB. Het nasofarynxcarcinoom: epidemiologie en behandelingsresultaten. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:2346-50.

Bennett KE, Haggard MP, Silva PA, Stewart IA. Behaviour and developmental effects of otitis media with effusion into the teens. Arch Dis Child 2001;85:91-5.

Burke P. Otitis media with effusion: is medical management an option? Br J Clin Pr 1989;39:377.

Butler CC, Van der Voort JH. Oral or topical nasal steroids for hearing loss associated with otitis media with effusion in children. Cochrane Database Syst Rev 2002;CD001935.

Cantekin EI, Bluestone CD, Fria TJ, Stool SE, Beery QC, Sabo DL. Identification of otitis media with effusion in children. Ann Otol Rhinol Laryngol Suppl 1980;89:190-5.

Cantekin EI, Mandel EM, Bluestone CD. Lack of efficacy of a decongestant-antihistamine combination for otitis media with effusion (‘secretory’ otitis media) in children. Results of a double-blind, randomized trial. N Engl J Med 1983;308:297.

Cantekin EI. Antibiotics to prevent acute otitis media and to treat otitis media with effusion. JAMA 1994;272:203-4.

Carbonell R, Ruiz-Garcia V. Ventilation tubes after surgery for otitis media with effusion or acute otitis media and swimming. Systematic review and meta-analysis. Int J Pediatr Otorhinolaryngol 2002;66:281-9.

Casselbrant ML, Mandel EM, Rockette HE, Kurs-Lasky M, Fall PA, Bluestone CD, et al. The genetic component of middle ear disease in the first 5 years of life. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 2004;130:273-8.

Chalmers D, Stewart I, Silva P, Mulvena A. Otitis media with effusion in children – The Dunedin Study. Clinics in Developmental Medicine No 108, Oxford 1989.

De Melker RA. Diagnostic value of microtympanometry in primary care. BMJ 1992;304:96-8.

De Melker RA. Evaluation of the diagnostic value of pneumatic otoscopy in primary care using the results of tympanometry as a reference standard. Br J Gen Pract 1993;43:22-4.

Dohar J. Microbiology of otorrhea in children with tympanostomy tubes: implications for therapy. Int J Pediatr Otorhinolaryngol 2003;67:1317-23.

Eekhof JAH, Ek JW, Van Weert HCPM, Spies TH, Hufman PW, Hoftijzer NP, et al. NHG-Standaard Slechthorendheid. Huisarts Wet 1997;40:70-8.

Engel J, Anteunis L, Volovics A, Hendriks J, Marres E. Prevalence rates of otitis media with effusion from 0 to 2 years of age: healthy-born versus high-risk-born infants. Int J Pediatr Otorhinolaryngol 1999;47:243-51.

Engel JA, Anteunis LJ. Incidentie van behandeling met trommelvliesbuisjes bij kinderen van 0-12 jaar in Nederland in 1990-1994. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:902-5.

Grievink EH, Peters SA, Van Bon WH, Schilder AG. The effects of early bilateral otitis media with effusion on language ability: a prospective cohort study. J Speech Hear Res 1993;36:1004-12.

Grote JJ, Van Buchem FL. Otitis media bij kinderen. Ned Ver KNO Heelkunde en Heelkunde Hoofd halsgebied, 1988.

Grote JJ. Antibiotica bij otitis media met effusie. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:76-7.

Haggard MP, Birkin JA, Browning GG, Gatehouse S, Lewis S. Behavior problems in otitis media. Pediatr Infect Dis J 1994;13:S43-S50.

Hartman M, Rovers MM, Ingels K, Zielhuis GA, Severens JL, Van der Wilt GJ. Economic evaluation of ventilation tubes in otitis media with effusion. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 2001;127:1471-6.

Hogan SC, Stratford KJ, Moore DR. Duration and recurrence of otitis media with effusion in children from birth to 3 years: prospective study using monthly otoscopy and tympanometry. BMJ 1997;314:350.

Houghton DJ, White PS, Browning GG. Predictors of outcome in children with otitis media with effusion. Clin Otolaryngol Allied Sci 1998;23:48-50.

Idema NK, Damsté PH. Habitueel mondademen. Tijdschr Jeugdgezondheidszorg 1983;15:50.

Kilic R, Safak MA, Ozdek A, Gocmen H, Kilic D, Samim E. Effect of 23 valent pneumococcal polysaccharide and Haemophilus influenzae conjugated vaccines on the clinical course of otitis media with effusion. Laryngoscope 2002;112:2042-5.

Koivunen P, Uhari M, Luotonen J, Kristo A, Raski R, Pokka T, et al. Adenoidectomy versus chemoprophylaxis and placebo for recurrent acute otitis media in children aged under 2 years: randomised controlled trial. BMJ 2004;328:487.

Kvaerner KJ, Tambs K, Harris JR, Magnus P. Distribution and heritability of recurrent ear infections. Ann Otol Rhinol Laryngol 1997;106:624-32.

Lim DL, Bluestone ChD, Klein JO, editors. Recent advances in otitis media. Proceedings of the fourth international symposium. Philadelphia/Toronto: Decker, 1988.

Mandel EM, Rockette HE, Paradise JL, Bluestone CD, Nozza RJ. Comparative efficacy of erythromycin-sulfisoxazole, cefaclor, amoxicillin or placebo for otitis media with effusion in children. Pediatr Infect Dis J 1991;10:899-906.

Maw AR. Using tympanometry to detect glue ear in general practice. BMJ 1992;304:67-8.

Maw R, Bawden R. Spontaneous resolution of severe chronic glue ear in children and the effect of adenoidectomy, tonsillectomy, and insertion of ventilation tubes (grommets). BMJ 1993;306:756-60.

Maw R, Wilks J, Harvey I, Peters TJ, Golding J. Early surgery compared with watchful waiting for glue ear and effect on language development in preschool children: a randomised trial. Lancet 1999;353:960-3.

Medical Research Council Multi-Centre Otitis Media Study Group. Selecting persistent glue ear for referral in general practice: a risk factor approach. Br J Gen Pract 2002;549-53.

Minter KR, Roberts JE, Hooper SR, Burchinal MR, Zeisel SA. Early childhood otitis media in relation to children’s attention-related behavior in the first six years of life. Pediatrics 2001;107:1037-42.

Moesker WH. Trommelvliesbuisjes [Proefschrift]. Amsterdam: Vrije Universiteit Amsterdam, 1990.

O’Shea JS, Langenbrunner DJ, McCloskey DE, Pezzullo JC, Regan JB. Diagnostic and therapeutic studies in childhood serous otitis media. Results of treatment with an antihistamine-adrenergic combination. Ann Otolog Rhinolog Laryngolog 1980;89:285.

Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose. Episodegegevens uit de huisartsenpraktijk. Coutinho: Bussum, 1998.

Oudesluys-Murphy AM, Van Straaten HL, Ens-Dokkum MH, Kauffman-de Boer MA. Neonatale gehoorscreening. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:594-8.

Owen MJ, Baldwin CD, Swank PR, Pannu AK, Johnson DL, Howie VM. Relation of infant feeding practices, cigarette smoke exposure, and group child care to the onset and duration of otitis media with effusion in the first two years of life. J Pediatr 1993;123:702-11.

Paradise JL. Otitis media in infants and children. Pediatrics 1980;65:917.

Paradise JL, Bluestone CD, Rogers KD. Efficacy of adenoidectomy for recurrent otitis media in children previously treated with tympanostomy-tube placement. JAMA 1990;263:2066.

Paradise JL, Dollaghan CA, Campbell TF, Feldman HM, Bernard BS, Colborn DK, et al. Otitis media and tympanostomy tube insertion during the first three years of life: developmental outcomes at the age of four years. Pediatrics 2003;112:265-77.

Peters SA, Grievink EH, Van Bon WH, Van den Bercken JH, Schilder AG. The contribution of risk factors to the effect of early otitis media with effusion on later language, reading, and spelling. Dev Med Child Neurol 1997;39:31-9.

Pringle MB. Swimming and grommets. BMJ 1992;304:198.

Roberts JE, Burchinal MR, Zeisel SA. Otitis media in early childhood in relation to children’s school-age language and academic skills. Pediatrics 2002;110:696-706.

Rosenfeld RM, Post JC. Meta-analysis of antibiotics for the treatment of otitis media with effusion. Otolaryngol Head Neck Surg 1992;106:378-86.

Rosenfeld RM, Bluestone CD. Evidence based otitis media. Hamilton/Londen: BC Decker, 2003.

Rovers MM, Hofstad EA, Franken-van den Brand KI, Straatman H, Ingels K, Van der Wilt GJ, et al. Prognostic factors for otitis media with effusion in infants. Clin Otolaryngol Allied Sci 1998;23:543-6.

Rovers MM, Zielhuis GA, Straatman H, Ingels K, Van der Wilt GJ, Van den Broek P. Prognostic factors for persistent otitis media with effusion in infants. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 1999;125:1203-7.

Rovers MM, Krabbe PF, Straatman H, Ingels K, Van der Wilt GJ, Zielhuis GA. Randomised controlled trial of the effect of ventilation tubes (grommets) on quality of life at age 1-2 years. Arch Dis Child 2001;84:45-9.

Rovers MM, Schilder AG, Zielhuis GA, Rosenfeld RM. Otitis media. Lancet 2004;363:465-73.

Ruohola A, Heikkinen T, Meurman O, Puhakka T, Lindblad N, Ruuskanen O. Antibiotic treatment of acute otorrhea through tympanostomy tube: randomized double-blind placebo-controlled study with daily follow-up. Pediatrics 2003;111:1061-7.

Schilder AG, Van Manen JG, Zielhuis GA, Grievink EH, Peters SA, Van den Broek P. Long-term effects of otitis media with effusion on language, reading and spelling. Clin Otolaryngol Allied Sci 1993;18:234-41.

Schilder AG, Zielhuis GA, Haggard MP, Van den Broek P. Long-term effects of otitis media with effusion: otomicroscopic findings. Am J Otol 1995;16:365-72.

Smith MCF, Cable HR, Wilmot JF. Pure tone audiometry: comparison of general practice and hospital services. Br J Clin Pr 1988;38:552.

Straetemans M, Sanders EA, Veenhoven RH, Schilder AG, Damoiseaux RA, Zielhuis GA. Pneumococcal vaccines for preventing otitis media. Cochrane Database Syst Rev 2002;CD001480.

Takahashi H, Honjo I, Hasebe S, Sudo M, Tanabe M. The diagnostic and prognostic value of eardrum mobility in otitis media with effusion. Eur Arch Otorhinolaryngol 1999;256:189-91.

Takata GS, Chan LS, Morphew T, Mangione-Smith R, Morton SC, Shekelle P. Evidence assessment of the accuracy of methods of diagnosing middle ear effusion in children with otitis media with effusion. Pediatrics 2003;112:1379-87.

Theunissen EJJM. De screening van het gehoor bij kinderen tot 18 maanden oud. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:589-93.

Van Balen FAM. Otitis media with effusion in general practice: a diagnostic and therapeutic study in children aged 6 months to 6 years [Proefschrift]. Utrecht: Universiteit Utrecht, 1995.

Van Balen FAM, De Melker RA, Touw-Otten FWMM. Double-blind randomised trial of co-amoxiclav versus placebo for persistent otitis media with effusion in general practice. Lancet 1996;348:713.

Van Balen FAM, De Melker RA. Persistent otitis media with effusion: can it be predicted? A family practice follow-up study in children aged 6 months to 6 years. J Fam Pract 2000;49:605-11.

Van Bon MJ, Zielhuis GA, Rach GH, Van den Broek P. Otitis media with effusion and habitual mouth breathing in Dutch preschool children. Int J Pediatr Otorhinolaryngol 1989;17:119-25.

Van de Lisdonk EH. Otitis media with effusion in general practice [boekbespreking]. Huisarts Wet 1995:38:629-30.

Van de Lisdonk EH, Van den Bosch WJHM, Lagro-Janssen ALM, redactie. Ziekten in de huisartspraktijk. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 2003.

Van den Berg-Rust CJM. Uitslag Ewing-screening onvoldoende – en dan? Tijdschr Jeugdgezondheidszorg 2005;27:23-4.

Van den Broek P, Rach GH, Zielhuis GA. Is otitis media met effusie schadelijk voor de taalontwikkeling van jonge kinderen? Ned Tijdschr Geneeskd 1988;132:1885-8.

Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk: klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk. Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM, 2004.

Wilks J, Maw R, Peters TJ, Harvey I, Golding J. Randomised controlled trial of early surgery versus watchful waiting for glue ear: the effect on behavioural problems in pre-school children. Clin Otolaryngol Allied Sci 2000;25:209-14.

Williams RL, Chalmers TC, Stange KC, Chalmers FT, Bowlin SJ. Use of antibiotics in preventing recurrent acute otitis media and in treating otitis media with effusion. A meta-analytic attempt to resolve the brouhaha. JAMA 1993;270:1344-51.

Zielhuis GA, Heuvelmans H, Rach GH, Van den Broek P. Environmental risk factors for otitis media with effusion in preschool children. Scand J Prim Health Care 1989;7:33.

Zielhuis GA, Rach GH, Van den Broek P. The natural course of chronic otitis media with effusion in preschool children. Eur Arch Otorhinolaryngol 1990;247:215.