U bent nu hier:
M19

NHG-Standaard Hoofdpijn

Knuistingh Neven A, Bartelink MEL, De Jongh TOH, Ongering JEP, Oosterhuis WW, Van der Weerd PCM, Pijnenborg L, Grol MH. Huisarts Wet 2004;46(9):411-22.

De NHG-Standaard Hoofdpijn en de wetenschappelijke verantwoording zijn geactualiseerd ten opzichte van de vorige versie Migraine (Bartelink MEL, Van Duijn NP, Knuistingh Neven A, Ongering JEP, Oosterhuis WW, Post D, Van der Laan JR, Pijnenborg L. Huisarts Wet 1999;42:511-8).

Belangrijkste wijzigingen

  • De NHG-Standaard Migraine is vervangen door de NHG-Standaard Hoofdpijn en omvat nu spanningshoofdpijn, migraine, middelengeïnduceerde hoofdpijn en clusterhoofdpijn.
  • Van de overige ernstige en met hoofdpijn gepaard gaande aandoeningen zullen alleen de alarmsymptomen worden benoemd.
  • De standaard betreft nu zowel hoofdpijn bij volwassenen als bij kinderen.
  • Ergotamine wordt als aanvalsbehandeling niet meer aanbevolen voor nieuwe gevallen van migraine.
  • Pizotifeen of natriumvalproaat worden niet meer aanbevolen om door de huisarts te worden voorgeschreven.

Kernboodschappen

  • Bij de diagnostiek van hoofdpijn kan het gebruik van een hoofdpijndagboek behulpzaam zijn.
  • Er komen vaak mengvormen van de verschillende vormen van hoofdpijn voor.
  • Migraineaanvallen kunnen vaak met eenvoudige analgetica behandeld worden.
  • De medicamenteuze behandeling van migraine is afgestemd op wat de patiënt zelf al aan medicatie heeft geprobeerd en op de ernst van de aanvallen.
  • Bij middelengeïnduceerde hoofdpijn is het belangrijk te stoppen met de medicatie of coffeïne die tot deze hoofdpijn heeft geleid. Uitleg, motivatie en begeleiding zijn hierbij van belang.

INLEIDINGNHG Samenvattingskaart

De NHG-Standaard Hoofdpijn omvat richtlijnen voor diagnostiek, behandeling en begeleiding van kinderen en volwassenen met hoofdpijn. Onder hoofdpijn wordt in deze standaard verstaan: spanningshoofdpijn, migraine, middelengeïnduceerde hoofdpijn en clusterhoofdpijn. Overige vormen van hoofdpijn worden alleen besproken als ze berusten op een zeer ernstige aandoening, zoals een subarachnoïdale bloeding of een tumor. Alleen de bijbehorende alarmsymptomen zullen dan aan de orde komen.

Hoofdpijn komt vaak voor, zowel bij volwassenen als bij kinderen.1) Er zijn sexe- en etnische verschillen in de prevalentie van hoofdpijn.2)

In meer dan 95% van de gevallen gaat iemand die hoofdpijn heeft er niet mee naar de huisarts.3)

Zelfs chronische en chronisch recidiverende hoofdpijn zijn in meerderheid van de gevallen geen reden om de huisarts te bezoeken: slechts 25 tot 50% van de migrainepatiënten meldt zich ooit bij de huisarts en slechts 1 van de 6 patiënten met spanningshoofdpijn.4) Toch is op het spreekuur van de huisarts hoofdpijn een van de meest voorkomende klachten. Bij ongeveer de helft van alle mensen is ongerustheid en angst voor een ernstige aandoening, zoals een hersentumor, de belangrijkste reden voor een consult bij de huisarts, bij een kwart de vraag om medicatie. Minder vaak gaat het om bezorgdheid en vragen over de praktische consequenties en het disfunctioneren ten gevolge van de hoofdpijn.

Spanningshoofdpijn en migraine zijn de meest voorkomende vormen van hoofdpijn. De jaarprevalentie van spanningshoofdpijn in de algemene bevolking is 63% (56% bij mannen, 71% bij vrouwen) en neemt af met het toenemen van de leeftijd. De jaarprevalentie van spanningshoofdpijn in de huisartsenpraktijk is 10 per 1000 patiënten.5) De jaarprevalentie van migraine in de huisartsenpraktijk wordt geschat op 7 per 1000 patiënten. De prevalentie van migraine in de algemene bevolking, zowel bij kinderen als volwassenen ligt volgens buitenlands onderzoek hoger. Migraine komt ongeveer driemaal zo vaak bij vrouwen als bij mannen voor.6) Middelengeïnduceerde hoofdpijn (hoofdpijn door het (overmatig) gebruik van analgetica, specifieke migrainemiddelen of coffeïne) is het minst onderzocht. Het uit zich in chronisch-dagelijkse hoofdpijn. De jaarprevalentie van chronisch-dagelijkse hoofdpijn in de algemene bevolking zou enkele procenten bedragen. Veel patiënten met chronisch-dagelijkse hoofdpijn maken overmatig gebruik van bovengenoemde middelen.

Clusterhoofdpijn is een zeldzame vorm van hoofdpijn met zeer ernstige recidiverende hoofdpijnaanvallen met een jaarprevalentie van minder dan 0,5% in de algemene bevolking.8) Deze vorm van hoofdpijn komt vier- tot vijfmaal vaker bij mannen dan bij vrouwen voor. Over het natuurlijk beloop is weinig bekend.9)

ACHTERGRONDENNHG Samenvattingskaart

BegrippenNHG Samenvattingskaart

De onderstaande indeling van hoofdpijn is afgeleid van de classificatie van de International Headache Society (IHS).10) Vaak komen echter verschillende vormen van hoofdpijn bij een patiënt voor.

Spanningshoofdpijn

Spanningshoofdpijn wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een drukkende of knellende hoofdpijn rondom de schedel gedurende minuten tot vele dagen zonder misselijkheid of braken. Verminderde eetlust kan hierbij voorkomen. Overgevoeligheid voor licht en geluid komt gecombineerd meestal niet voor, hooguit komt één van beide voor. De intensiteit is licht tot matig en doorgaans is de pijn tweezijdig gelokaliseerd. De hoofdpijnklachten nemen niet toe bij traplopen of andere gewone lichamelijke activiteiten.

Migraine

Migraine wordt gekenmerkt door herhaalde aanvallen van matige tot heftige, meestal eenzijdige, bonzende hoofdpijn met misselijkheid en/of braken, die erger worden bij lichamelijke activiteit zoals traplopen. Daarnaast is er vaak sprake van licht- en geluidsovergevoeligheid. De duur van een onbehandelde hoofdpijnaanval ligt tussen de 4 en 72 uur. Een aanval korter dan 4 uur of langer dan 72 uur sluit migraine uit. De hoofdpijnaanvallen verhinderen dagelijkse activiteiten.

Migraine kan vooraf worden gegaan door een aura. Dit treedt op bij 15-25% van de mensen met migraine. Een typische aura is een focaal neurologisch symptoom dat zich kan uiten in één of meerdere reversibele symptomen zoals visusstoornissen (bijvoorbeeld flikkerscotomen), tintelingen of doof gevoel in lippen, gelaat of hand (eenzijdig), eenzijdige spierzwakte, of gestoorde spraak. Van deze aurasymptomen ontwikkelt ten minste één symptoom zich geleidelijk in minimaal 5 minuten. Dit in tegenstelling tot een TIA, waarbij de symptomen in enkele seconden optreden. Een aura duurt maximaal 60 minuten. Indien meer dan één aurasymptoom optreedt, kan deze duur langer worden. Binnen een uur na het ontstaan van de aurasymptomen volgt de hoofdpijnfase.

Een aura moet onderscheiden worden van de soms optredende prodromale verschijnselen. Deze laatste ontstaan enige uren tot een dag voorafgaande aan de migraineaanval en kunnen bestaan uit hyper- of hypoactiviteit, depressieve gevoelens of hypomane stemming, trek in bepaalde voedingsmiddelen of geeuwen. Andere vormen van migraine zoals aura zonder hoofdpijn, familiaire hemiplegie-migraine en basilaire migraine worden in deze standaard niet besproken.

Over het beloop van migraine is nog niet veel bekend. De menopauze geeft bij de meeste vrouwen geen verandering in het aantal migraineaanvallen.

Bij kinderen met migraine is de duur van de hoofdpijnaanval korter dan bij volwassenen en duurt onbehandeld tussen de 30 minuten en 48 uur. De hoofdpijn kan tweezijdig (frontaal, temporaal) of eenzijdig optreden en is kloppend van karakter. De hevigheid is matig tot ernstig en neemt toe door gewone dagelijkse bezigheden. Daarnaast is vaak sprake van misselijkheid en/of braken. Ook overgevoeligheid voor licht en/of geluid komt voor.

Middelengeïnduceerde hoofdpijn

Middelengeïnduceerde hoofdpijn wordt gekenmerkt door chronische hoofdpijnklachten met een aspecifiek beeld waarin geen patroon herkend kan worden. Het moet ernstig overwogen worden indien de hoofdpijn gedurende 15 of meer dagen per maand aanwezig is, terwijl tevens analgetica worden gebruikt. Analgetica die deze hoofdpijn kunnen induceren zijn: paracetamol of NSAID's drie of meer dagen per week, triptanen twee of meer dagen per week, of ergotamine een of meer dagen per week. Ook dagelijks gebruik van meer dan vijf coffeïnehoudende producten (koffie, thee, ice-tea, red bull, cola en chocolade) kan leiden tot chronische hoofdpijnklachten. De diagnose middelengeïnduceerde hoofdpijn wordt pas definitief gesteld als na eliminatie van de middelen de hoofdpijn verdwijnt.

Clusterhoofdpijn

Clusterhoofdpijn wordt gekenmerkt door aanvalsgewijs optreden van hevige bonzende of stekende eenzijdige hoofdpijn rondom het oog of temporaal, die onbehandeld 15 tot 180 minuten duurt. De aanvallen gaan in tegenstelling tot migraine bijna nooit gepaard met misselijkheid en/of braken. De aanvallen treden op in clusters van enkele weken tot maanden. Daarna kan de patiënt soms maanden tot jaren volkomen vrij van hoofdpijnaanvallen zijn. De frequentie is doorgaans 1 tot 8 aanvallen per dag. Begeleidende verschijnselen kunnen zijn: ipsilateraal een rood oog, tranend oog, neusverstopping, loopneus, zweten van gezicht en voorhoofd, pupilvernauwing, hangend ooglid, of oedeem van het ooglid. Vaak is er bewegingsdrang tijdens een aanval. De aanvallen treden vooral 's nachts op. Over het beloop van clusterhoofdpijn is weinig bekend.

PathofysiologieNHG Samenvattingskaart

Spanningshoofdpijn

Er is nog weinig bekend over de pathofysiologie van spanningshoofdpijn.11) Patiënten met spanningshoofdpijn kunnen ook migraine hebben, en andersom.12)

Migraine

Migraine is een neurovasculaire hoofdpijn.13) Het is een aandoening waarbij neurale prikkeling verwijding van de bloedvaten tot gevolg heeft. Dit resulteert in pijn en verdere stimulatie van het centrale zenuwstelsel. Migraineaanvallen kunnen variëren in ernst en duur binnen en tussen patiënten.

Een overtuigende verklaring voor hoe de pijn tot stand komt, is er niet. Hersenweefsel zelf geeft vrijwel geen pijnsensaties. De grote craniale vaten, de intracraniale vaten en de dura mater bevatten wel pijngevoelige structuren.

Menstruatie, visuele prikkels als lichtflitsen, weersveranderingen, vasten, slaapgebrek, smaakversterker glutaminezuur (zit onder andere in Chinees eten en kant-en-klaarmaaltijden), wijn (sulfiet), nitraten en aspartaam (wordt gebruikt als zoetstof) kunnen migraineaanvallen uitlokken. In de praktijk krijgen deze factoren vaak een te zwaar gewicht.

Migraine komt meer bij vrouwen voor dan bij mannen.14) Ongeveer 60% van de vrouwen met migraine brengt deze hoofdpijn in verband met de menstruele cyclus. Meestal treden migraineaanvallen op juist voor of tijdens de menstruatie. Onderzoeken wijzen sterk in de richting van oestrogeenonttrekking als uitlokkende factor in het optreden van menstruele migraine. Ook ten tijde van de ovulatie treedt, na een korte piek, een snelle daling van oestrogenen op. De incidentie van ovulatoire migraine is echter veel lager dan die van menstruele migraine. De veronderstelling dat na de menopauze de migraine in frequentie afneemt, is niet juist. Bij een kwart van de vrouwen neemt de frequentie van de aanvallen toe, terwijl er bij bijna de helft geen verandering optreedt.14 Eerstegraads familieleden van een migrainepatiënt met aura hebben een verhoogd risico op het krijgen van migraine met aura.15) Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar de relatie tussen migraine en CVA.15

Middelengeïnduceerde hoofdpijn

Chronische hoofdpijnklachten kunnen het gevolg zijn van overmatig gebruik van hoofdpijnmedicatie, specifieke migrainemiddelen of coffeïne.16) De meeste patiënten met overmatig gebruik van hoofdpijnmedicatie hebben een voorgeschiedenis van aanvalsgewijze hoofdpijn die langzaam in frequentie is toegenomen. Ze gebruiken meestal pijnstillers die zonder recept verkrijgbaar zijn en gaan niet naar de huisarts. Pijnvermindering na inname van analgetica of coffeïne kan de neiging tot veelvuldig gebruik versterken. Gewenning zou dan kunnen optreden. Uiteindelijk belanden de patiënten in een vicieuze cirkel met (bijna) dagelijks optredende hoofdpijn.

Clusterhoofdpijn

Clusterhoofdpijn wordt tot de neurovasculaire hoofdpijnen gerekend.17) De etiologie en pathofysiologie zijn grotendeels onbekend. Ook is onduidelijk waarom de aanvallen in clusters optreden en in veel gevallen op vaste tijden van het jaar komen. Tijdens een clusterperiode, maar niet daarbuiten, kunnen bepaalde factoren aanleiding geven tot het optreden van aanvallen. Dit zijn onder andere alcohol, histamine, nitraten (geven vaatverwijding), lange vliegreizen of verblijf op grote hoogte, zoals in de bergen. Daar de pijn zich concentreert in het gebied van de eerste tak van de n. trigeminus, lijkt deze zenuw een grote rol te spelen in het ontstaan van clusterhoofdpijn. Gezien het optreden van autonome disfunctieverschijnselen (rood, tranend oog, hangend ooglid,en pupilvernauwing) moeten ook het parasympathische zenuwstelsel (verhoogde functie) en/of het sympathische zenuwstelsel (verminderde functie) aangedaan zijn.

RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEKNHG Samenvattingskaart

Allereerst dient de huisarts alert te zijn op alarmsymptomen die voor kunnen komen bij ernstige, met hoofdpijn gepaard gaande aandoeningen, zie tabel 1.

Tabel 1 Alarmsymptomen bij ernstige, met hoofdpijn gepaard gaande aandoeningen


Alarmsymptomen Differentiële diagnose
nieuwe hoofdpijn boven 50 jaarhersentumor, arteriïtis temporalis
eerste migraineaanval boven 40 jaarhersentumor
hoofdpijn beneden de leeftijd van 6 jaarhersentumor, hydrocephalus
ouderen met pijn temporaalarteriïtis temporalis
zwangerschap en onbekende hoofdpijnpre-eclampsie
toename van hoofdpijn na een ongevalsub/epiduraal hematoom
heftige hoofdpijn met een zeer hoge bloeddrukmaligne hypertensie
acuut ontstane, zeer heftige pijnmeningitis, CVA, subarachnoïdale bloeding
hoofdpijn met koorts (en gedaald bewustzijn)meningitis
nekstijfheid/neurologische afwijkingenmeningitis, hersentumor
hoofdpijn met tekenen van drukverhoginghersentumor
focale neurologische afwijkingenhersentumor
ochtendbraken; braken niet gerelateerd aan hoofdpijnhersentumor
persoonlijkheidsveranderingen/ achteruitgang schoolprestatieshersentumor
migraine aura steeds aan dezelfde kanthersentumor

Voorts dienen ook andere oorzaken van kort bestaande of reeds langer bestaande hoofdpijn overwogen te worden, zoals virale infecties, tandheelkundige problemen of oogaandoeningen.18)

AnamneseNHG Samenvattingskaart

De huisarts realiseert zich dat de anamnese bij hoofdpijnklachten soms veel tijd kost. Meerdere consulten kunnen nodig zijn om de diagnose te stellen. De huisarts vraagt naar:

  • aard, ernst, tijdstip van de dag, lokalisatie, patroon en duur van de hoofdpijn;
  • al dan niet bekend zijn met de huidige vorm van hoofdpijn;
  • begeleidende symptomen (misselijkheid, braken), aura of prodromale verschijnselen;
  • provocerende factoren (hormonale of andere factoren zoals alcohol, of spanningsgerelateerde factoren);
  • (zelf)medicatie: overmatig gebruik van analgetica wordt door de patiënt zelden spontaan gemeld;
  • gedrag tijdens een hoofdpijnaanval (bij clusterhoofdpijn loopt de patiënt vaak radeloos rond, heeft bewegingsdrang, terwijl bij een migraineaanval de patiënt vaak (bed)rust zoekt);
  • coffeïnegebruik (cola, koffie, thee, ice-tea, chocolade);
  • familieanamnese met betrekking tot hoofdpijn;
  • de lijdensdruk, de mate van belemmering in het dagelijks functioneren thuis, op het werk of in de vrije tijd.

Het kan zinvol zijn om de patiënt een hoofdpijndagboek te laten bijhouden om de diagnose te stellen of meer inzicht te krijgen in de factoren die van invloed zijn op de hoofdpijn. Het hoofdpijnpatroon (frequentie en duur van aanvallen), de ernst en belemmering van de hoofdpijnaanval, eventueel uitlokkende factoren en het gebruik en effectiviteit van eventuele medicatie kunnen hiermee onderkend worden. Verder is het hoofdpijndagboek van belang bij de evaluatie van de behandeling. Een voorbeeld van een hoofdpijndagboek is toegevoegd aan de NHG-patiëntenbrief Hoofdpijndagboek.19)

Lichamelijk en aanvullend onderzoekNHG Samenvattingskaart

Voor het stellen van de diagnose spanningshoofdpijn, migraine en middelengeïnduceerde hoofdpijn is lichamelijk en/of aanvullend onderzoek niet nodig. Bij spanningshoofdpijn kunnen bij palpatie echter wel verhoogd gevoelige drukpunten gevonden worden. Bij aanwijzingen voor andere aandoeningen (zie tabel 1 en noot 18) of voor het uitsluiten ervan dient gericht onderzoek plaats te vinden. Tijdens een aanval van clusterhoofdpijn kan een tranend oog, rood oog, een verstopte neus, loopneus of een hangend ooglid of pupilvernauwing van het oog aan de aangedane kant zichtbaar zijn. De patiënt verwacht vaak een lichamelijk onderzoek. Het kan soms zinvol zijn om een beperkt lichamelijk onderzoek uit te voeren ter geruststelling van de patiënt.

EvaluatieNHG Samenvattingskaart

De huisarts stelt de diagnose spanningshoofdpijn, migraine, middelengeïnduceerde hoofdpijn of clusterhoofdpijn op basis van het klachtenpatroon en eventueel het hoofdpijndagboek. Meerdere vormen van hoofdpijn kunnen tezamen voorkomen. Behalve de besproken hoofdpijnsoorten kan hoofdpijn ook veroorzaakt worden door andere ziekten of aandoeningen.18 Verder is de huisarts zich ervan bewust dat ook psychosociale problematiek een rol kan spelen.

Wanneer de patiënt zich zorgen maakt of wanneer de diagnose nog niet geheel vaststaat, maakt de huisarts een vervolgafspraak. In de tussentijd kan dan het hoofdpijndagboek worden bijgehouden. Een proefbehandeling met geneesmiddelen met als doel de diagnose te stellen wordt afgeraden gezien de wisselende werkzaamheid van medicatie bij de verschillende typen hoofdpijn en het natuurlijk beloop.

RICHTLIJNEN BELEIDNHG Samenvattingskaart

VoorlichtingNHG Samenvattingskaart

De huisarts geeft de patiënt uitleg over de aandoening: hoe deze ontstaat, het eventuele familiaire voorkomen en het beloop. Hij legt bij spanningshoofdpijn aan de patiënt uit dat er sprake is van een verhoogde gevoeligheid van de spieren van de schedel en de peesaanhechtingen. Veranderingen in leefstijl, met als doel een beter evenwicht tussen belastbaarheid en belasting kunnen een gunstig effect hebben. Bij een patiënt met migraine verklaart hij de ontstaanswijze van migraine met termen als 'aanleg', en 'verwijding en vernauwing van bloedvaten met bonzende hoofdpijn als gevolg'. Het doel van de behandeling is het hanteerbaar maken van migraine. Flink zijn en negeren van de klacht werken averechts.

Bij een vermoeden van middelengeïnduceerde hoofdpijn legt de huisarts aan de patiënt uit dat de oorzaak van deze hoofdpijn waarschijnlijk een overmatig gebruik van hoofdpijnmedicatie en/of coffeïne is. Ongemerkt treedt er gewenning op; het niet innemen van medicatie of van coffeïne leidt tot hoofdpijn. Zo ontstaat een vicieuze cirkel. Hij legt dan uit dat onttrekking van de waarschijnlijke oorzaak, namelijk langdurig gebruik van hoofdpijnmedicatie, de beste optie is.

Lichamelijk onderzoek of aanvullend onderzoek zoals bloedonderzoek is bij spanningshoofdpijn, migraine, middelengeïnduceerde hoofdpijn en clusterhoofdpijn niet nodig.

Wanneer de huisarts uitleg geeft over medicamenteuze behandeling moet hij vooral ook vermelden dat medicatie bij patiënten verschillend kan werken. Hij zal dan ook zoeken naar de medicamenteuze therapie die bij deze patiënt het beste past en naar een optimale behandeling waarbij de symptomen het dagelijks leven van de patiënt zo min mogelijk beheersen en beperken.

Bij kinderen met migraine is het belangrijk om aanvullende informatie te geven over het al dan niet van school naar huis sturen bij een migraineaanval. Als de school beschikt over een kamer waar het kind kan liggen, is het vaak na een korte duur weer opgeknapt en kan het verder met het volgen van de lessen.

Ter ondersteuning van de mondelinge uitleg bij de patiënt met hoofdpijn kan de huisarts de NHG-patiëntenbrieven Hoofdpijn algemeen, Gewonehoofdpijn, Hoofdpijndagboek, Hoofdpijn bij kinderen, Migraine of Medicijnafhankelijke hoofdpijn meegeven.20) Verder kan de huisarts de patiënt wijzen op het bestaan van een patiëntenvereniging.21)

Niet-medicamenteuze behandelingNHG Samenvattingskaart

Spanningshoofdpijn

De behandeling van spanningshoofdpijn bestaat uit uitleg en geruststelling. De huisarts bespreekt welke veranderingen in leefstijl gunstig zouden kunnen zijn. Deze veranderingen en hun effecten kunnen duidelijk worden bij het evalueren van het hoofdpijndagboek. De effecten van nekmanipulatie, stressmanagementtherapie, autogene training, fysiotherapie, homeopathie en acupunctuur zijn in verschillende onderzoeken beschreven. De resultaten van deze onderzoeken zijn niet eenduidig, zodat vooralsnog een terughoudend beleid hierbij wordt aanbevolen.22)

Migraine

Als er sprake blijkt te zijn van provocerende factoren (zoals in sommige gevallen stress, slaapgebrek), dan is het raadzaam om hier, naast eventuele medicamenteuze behandeling, aandacht aan te besteden. Als de patiënt een verband legt tussen bepaalde voedingsmiddelen en migraine kan worden overwogen om deze voedingsmiddelen te vermijden.23) Ontspanningstechnieken en biofeedbacktraining kunnen een vermindering van het aantal migraineaanvallen geven. Cognitieve therapie kan soms een gunstig effect hebben.24)

Migraine bij kinderen

De niet-medicamenteuze behandeling van migraine bij kinderen berust meestal op het laten rusten van het kind op de bank of in bed. De aanvallen zijn meestal van korte duur. Een van de triggers voor een migraineaanval is een verstoord slaapritme; het is dan ook belangrijk dit slaapritme te herstellen.25)

Middelengeïnduceerde hoofdpijn

De vicieuze cirkel waarin de patiënt gekomen is moet doorbroken worden. Dit wordt gedaan door de patiënt uitleg te geven over het ontstaan van de middelengeïnduceerde hoofdpijn. Geadviseerd wordt om de patiënt in één keer te laten stoppen met de gebruikte middelen.26) In de tweede lijn is hier positieve ervaring mee opgebouwd. Het is belangrijk de patiënt te waarschuwen voor een aanvankelijke verergering van de hoofdpijn als onttrekkingsverschijnsel; deze kan gedurende de eerste drie weken na het stoppen van de gebruikte middelen optreden. Gedurende deze fase is de patiënt meestal niet in staat om te werken of het huishouden te doen. In deze eerste weken moet de patiënt intensief begeleid worden, bijvoorbeeld door frequent telefonisch contact. Vaak lukt het niet om dit in de huisartsenpraktijk te doen en moet de patiënt poliklinisch of zelfs klinisch begeleid worden. Na de onttrekkingsperiode kan de eventueel onderliggende episodische hoofdpijn, bijvoorbeeld migraine, opnieuw optreden. Ook hierover moet de patiënt uitleg krijgen.

Clusterhoofdpijn

Alleen tijdens een clusterperiode heeft het zin eventuele provocerende factoren te vermijden zoals alcohol, histamine, nitraten (geven vaatverwijding), lange vliegreizen of verblijf op grote hoogte.

Medicamenteuze behandelingNHG Samenvattingskaart

Het is belangrijk onderscheid te maken tussen aanvalsbehandeling en preventieve behandeling. Van belang is dat de huisarts voor het starten van een medicamenteuze behandeling nagaat of de patiënt al medicatie heeft gebruikt en zo ja welk medicament en in welke dosering. Soms gebruiken patiënten medicatie in een te lage dosering, waardoor deze niet effectief is.

Spanningshoofdpijn

Aanvalsbehandeling. Bij een aanval van spanningshoofdpijn zou een kortdurende medicamenteuze behandeling overwogen kunnen worden met paracetamol als eerste stap en een NSAID als tweede stap, indien uitleg en geruststelling onvoldoende werken. Waak voor het chronisch gebruik van deze medicatie in verband met het risico op het ontstaan van middelengeïnduceerde hoofdpijn.

Preventieve behandeling. Er is weinig bekend over een preventieve behandeling van spanningshoofdpijn. Amitriptyline is mogelijk effectief bij de behandeling van chronische spanningshoofdpijn.27) Op grond van het beschikbare onderzoek kan echter nog geen concrete aanbeveling worden gegeven.

Migraine

Aanvalsbehandeling bij volwassenen. Uitgangspunt is het stapsgewijs voorschrijven van medicatie, waarbij begonnen wordt met medicatie waarvan de werking bewezen is, die weinig bijwerkingen geeft en relatief goedkoop is. Bij onvoldoende effect wordt overgegaan op specifiekere middelen die vaak meer bijwerkingen geven en duurder zijn. Wanneer medicamenteuze behandeling tijdens de zwangerschap of tijdens de borstvoedingsperiode noodzakelijk is, is dezelfde stapsgewijze aanpak aangewezen.28) De huisarts stemt de stappen op de patiënt af - Wat heeft de patiënt zelf al geprobeerd? - en maakt goede afspraken over wanneer de volgende stap in het medicamenteuze beleid genomen moet worden.29)

Stap 1. Gestart wordt met 10 mg metoclopramide oraal (of 20 mg rectaal) of 10 mg domperidon oraal (of 60 mg rectaal) met tegelijkertijd een analgeticum in adequate dosering, bij voorkeur 1000 mg paracetamol of 1200 mg carbasalaatcalcium, oraal.30) Ook is een combinatiepreparaat (900 mg acetylsalicylzuur/10 mg metoclopramide) effectief gebleken.30

Stap 2. Bij onvoldoende effect kan naast metoclopramide of domperidon een NSAID voorgeschreven worden, bijvoorbeeld ibuprofen 600 mg of naproxen 500 mg of diclofenac 50-100 mg oraal (eventueel rectaal).31)

Stap 3. Indien hierna nog onvoldoende effect is, wordt een triptaan voorgeschreven.32) Op dit moment zijn er zeven triptanen beschikbaar (sumatriptan, zolmitriptan, naratriptan, rizatriptan, almotriptan, eletriptan en frovatriptan). De triptanen laten nuances zien in het werkings- en bijwerkingenpatroon.32 Almotriptan, eletriptan, naratriptan zijn uitsluitend in tabletvorm verkrijgbaar; zolmitriptan en rizatriptan zijn naast de tabletvorm ook in smelttablet verkrijgbaar en van sumatriptan zijn naast de tabletvorm ook een zetpil, een neusspray en een injectie (s.c.) verkrijgbaar. De huisarts kan zelf op basis van ervaring, effectiviteit en bijwerkingenprofiel een keuze maken. Aan patiënten die veel last hebben van misselijkheid al of niet met braken, of aan patiënten bij wie orale medicatie onvoldoende werkzaam is, kan de huisarts medicatie in niet-orale toedieningsvormen (injectie, zetpil of neusspray) voorschrijven. Smelttabletten worden niet oromucosaal opgenomen, maar net als gewone tabletten in het maagdarmkanaal. De triptanen moeten zo vroeg mogelijk in de hoofdpijnfase ingenomen worden. De werkzaamheid van een triptaan wordt beoordeeld na ten minste twee of drie migraineaanvallen. Vanwege het verschil in werkings- en bijwerkingenpatroon is het raadzaam indien een triptaan na twee of drie aanvallen onvoldoende effect of te veel bijwerkingen heeft gegeven, nog twee andere triptanen, ieder voor ten minste twee of drie aanvallen, voor te schrijven.

De belangrijkste bijwerkingen van triptanen zijn: misselijkheid, braken, moeheid, duizeligheid en een drukkend gevoel op de borst.33) In gevalsbeschrijvingen zijn coronaire vasospasmen door triptanen beschreven, met name bij patiënten met coronaire ischemie. Daarom is coronair vaatlijden een absolute contra-indicatie voor triptanen. Bij chronisch gebruik kan middelengeïnduceerde hoofdpijn optreden.

Triptanen hebben interacties met andere medicijnen. In combinatie met andere serotonerge medicatie zoals de SSRI's en de serotonerge TCA's, sint-janskruid en MAO-remmers is het serotoninesyndroom beschreven.33 Van belang is om bij iedere patiënt bij wie een triptaan wordt voorgeschreven, na te gaan of er sprake kan zijn van belangrijke interacties.

Ergotamine wordt als aanvalsbehandeling niet meer aanbevolen in de huisartsenpraktijk voor nieuwe migrainepatiënten. Dit omdat triptanen effectiever werken en minder kans op middelengeïnduceerde hoofdpijn geven.34) Patiënten die naar tevredenheid ergotamine gebruiken met inachtneming van de geadviseerde doseringen, kunnen dit blijven doen. Ergotamine in een dosering van 1 mg (eventueel 2 mg) rectaal moet bij het begin van de aanval worden gebruikt. Indien nodig, kan het herhaald worden na 1 uur. De maximumdosering per etmaal is 4 mg en mag eenmaal per week gebruikt worden. Ergotamine heeft een langere werkingsduur dan triptanen. De bijwerkingen van ergotamine zijn misselijkheid en braken. Ook bij ergotamine is coronair vaatlijden een absolute contra-indicatie. De belangrijkste bijwerking bij chronisch gebruik is hoofdpijn. Bij gevoelige personen en na regelmatig gebruik kan ergotisme optreden met als symptomen paresthesieën of pijn en gevoel van zwakte in de extremiteiten. Gebruik dient dan onmiddellijk gestaakt te worden. Ook ergotamine heeft interacties met andere medicatie. Het is belangrijk om bij iedere patiënt die ergotamine gebruikt na te gaan of er sprake kan zijn van belangrijke interacties.34

Preventieve behandelingvan migraine bij volwassenen. Bespreek bij een frequentie van twee of meer aanvallen per maand de mogelijkheid van preventieve behandeling. Patiënten die frequent (meer dan drie dagen per week) analgetica gebruiken, moeten deze eerst staken alvorens preventieve behandeling te starten omdat er sprake kan zijn van middelengeïnduceerde hoofdpijn. Dit kan na twee tot drie maanden na het stoppen van de medicatie beoordeeld worden. Daarna wordt gestart met de preventieve behandeling, gedurende minimaal zes maanden.

De preventieve behandeling wordt ingesteld met een bètablokker: een- tot tweemaal daags 100 mg metoprolol of een- tot tweemaal daags 80 mg propranolol.35) Tijdens de preventieve behandeling mag indien nodig aanvalsmedicatie gebruikt worden. Voor het instellen van deze preventieve behandeling moeten de bloeddruk en pols gemeten worden. Bij een lage bloeddruk (systolische tensie <90 mmHg), of een polsslag trager dan 60 slagen per minuut is het gecontraïndiceerd om met een bètablokker als profylacticum te starten. Een depressieve stoornis geldt als een relatieve contra-indicatie voor het gebruiken van een bètablokker. Pizotifeen en natriumvalproaat kunnen beter niet door de huisarts worden voorgeschreven.35 Pizotifeen is niet effectiever dan een bètablokker en heeft sedering en toename in gewicht door stimulering van de eetlust als bijwerkingen. Natriumvalproaat is teratogeen en gebruik tijdens de zwangerschap is gecontraïndiceerd. De eventuele indicatie voor het gebruik van pizotifeen en natriumvalproaat wordt door de neuroloog gesteld.

Menstruele migraine

Aanvalsbehandeling. Behandeling van de acute aanvallen tijdens de menstruatie verschilt niet van die daarbuiten, hoewel menstruele migraine moeilijker te onderdrukken lijkt.14

Preventieve behandeling. Er zijn verschillende adviezen voor preventieve behandeling die voornamelijk berusten op consensus.14

Profylaxe is mogelijk vanaf ongeveer 3 dagen voor de menstruatie tot aan het einde van de menstruatie met een- tot tweemaal daags 100 mg metoprolol of een- tot tweemaal daags 80 mg propranolol, of een NSAID (zoals tweemaal daags 250-500 mg naproxen, of driemaal daags 400 mg ibuprofen). Ook is een behandeling met estradiol mogelijk (oraal: 2-4 mg estradiol per dag gedurende de hele menstruatie, of transdermaal: 3 oestrogeenpleisters van 50-100 microgram per menstruatie:1 pleister op dag 3 vóór, 1 pleister op dag 1 vóór en 1 pleister op dag 2 tijdens de menstruatie).

Bij vrouwen die de anticonceptiepil slikken en met name migraineaanvallen hebben gedurende de stopweek, valt te overwegen om de pil door te slikken. Over hoe lang vrouwen de pil door mogen slikken is nog onvoldoende bekend. Het hangt af van de eventuele doorbraakbloedingen die een vrouw kan krijgen bij langdurig doorgebruiken van de eenfase-anticonceptiepil. Op dit moment wordt aanbevolen om de eenfase-anticonceptiepil niet langer dan drie maanden achtereen door te slikken.36) Bij verergering van migraine door orale anticonceptiva kan een pil met andere hormoonsamenstelling worden geprobeerd.

Indien de anticonceptiepil niet als oraal anticonceptivum wordt gegeven, maar specifiek als behandeling voor migraine, moeten risicofactoren voor hart- en vaatziekten nagevraagd worden. Van belang zijn met name roken en een hoge bloeddruk. Combinatie van deze factoren en inname van de anticonceptiepil kan tot een verhoogd risico op een herseninfarct leiden, vooral bij vrouwen met migraine met aura.37)

Migraine bij kinderen

Aanvalsbehandeling. Bij sporadische, niet-ernstige migraineaanvallen kan men meestal volstaan met geruststelling, rust en paracetamol. Voor het instellen op triptanen is verwijzing naar een (kinder)neuroloog of een op dit terrein deskundige kinderarts op zijn plaats.

Preventieve behandeling. Er bestaan geen goede klinische onderzoeken naar migraineprofylactica bij kinderen. Indien een kind preventieve behandeling nodig heeft, is verwijzing naar of overleg met een (kinder)neuroloog of een op dit terrein deskundige kinderarts op zijn plaats. Ervaring bij de huisarts in het voorschrijven van profylactica ontbreekt doorgaans bij deze patiëntengroep.

Middelengeïnduceerde hoofdpijn

In de behandeling van veronderstelde middelengeïnduceerde hoofdpijn wordt het afgeraden om het ene analgeticum te vervangen door het andere.

Clusterhoofdpijn

Aanvalsbehandeling. De aanvalsbehandeling van clusterhoofdpijn bestaat uit 100% O2, 7-10 liter per kapje gedurende 15 minuten of sumatriptan 6 mg subcutaan, of 20 mg per neusspray (maximaal tweemaal daags). In verband met de beperkte ervaring die de huisarts in het algemeen op zal doen met clusterhoofdpijn, is het raadzaam dat de huisarts de aanvalsbehandeling in overleg met de neuroloog begint en instelt.

Preventieve behandeling. Het instellen op een preventieve behandeling met verapamil moet overgelaten worden aan een neuroloog of in overleg met de neuroloog verricht worden.

ControlesNHG Samenvattingskaart

De diagnose spanningshoofdpijn, middelengeïnduceerde hoofdpijn of clusterhoofdpijn kan pas gesteld worden nadat het beloop van de hoofdpijn gedurende een aantal weken nauwkeurig is bijgehouden. Bij een vermoeden van migraine is het van belang de patiënt na een tweede aanval nogmaals te zien. Het bijhouden van het beloop en eventuele uitlokkende factoren van de hoofdpijn kan goed gebeuren via een hoofdpijndagboek dat de patiënt bijhoudt over een periode van twee tot zes weken, afhankelijk van de frequentie van de hoofdpijnaanvallen. De patiënt levert het hoofdpijndagboek voorafgaand aan het consult in, zodat de huisarts hier een analyse van kan maken. Bij het voorschrijven van medicatie bij de chronische vorm van spanningshoofdpijn, beoordeelt hij het effect na vier tot zes weken. Bij migraine wordt het effect van de aanvalsbehandeling na twee tot drie aanvallen geëvalueerd; voor het effect van preventieve medicatie vindt controle plaats na twee weken om bijwerkingen te beoordelen en na drie maanden om de effectiviteit te bespreken. Bij de chronische vormen van hoofdpijn is het van belang om ter ondersteuning vervolgcontacten aan te bieden.

Bij het veelvuldig verstrekken van herhalingsrecepten voor ergotaminepreparaten, triptanen en analgetica moet de huisarts regelmatig nagaan of er geen sprake is van middelengeïnduceerde hoofdpijn. Na het stoppen van hoofdpijnmedicatie of coffeïne bij een middelengeïnduceerde hoofdpijn ondersteunt de huisarts de patiënt de eerste weken met regelmatige (telefoon)consulten.

Consultatie/verwijzingNHG Samenvattingskaart

Volwassenen

Consultatie van of verwijzing naar een in hoofdpijn deskundige neuroloog moet worden overwogen bij:

  • twijfel aan de diagnose;
  • plotselinge verandering van de migrainekarakteristieken;
  • plotselinge duidelijke toename van de aanvalsfrequentie van migraine;
  • een eerste migraineaanval boven de leeftijd van 40 jaar;
  • het niet in een keer kunnen stoppen met medicatie bij middelengeïnduceerde hoofdpijn ondanks begeleiding van de huisarts;
  • bij falen van stap 3 bij de medicamenteuze behandeling van migraine;
  • voor het instellen op een preventieve behandeling van migraine als metoprolol of propranolol onvoldoende werkt;
  • vermoeden van clusterhoofdpijn;
  • instellen van een preventieve behandeling van clusterhoofdpijn.

Kinderen

Consultatie van of verwijzing naar een in hoofdpijn deskundige (kinder)neuroloog of kinderarts moet worden overwogen bij:

  • twijfel aan de diagnose;
  • onvoldoende reactie op paracetamol bij migraine;
  • instellen op triptanen;
  • profylactische behandeling van migraine.

Totstandkoming

Eind april 2002 startte een werkgroep van 6 leden met het formuleren van deze NHG-Standaard. In november 2003 werd commentaar gevraagd aan 50 huisartsen van wie de adressen willekeurig uit het NHG-ledenbestand waren getrokken. Als referent traden op M.A.M. Bomhof, neuroloog-psychiater, J.A.M. Kuster, neuroloog, A.C. van Loenen, klinisch farmacoloog en hoofdredacteur van het Farmacotherapeutisch Kompas , J.P. Verduijn, CVZ, J.J.H.M. Lohman, ziekenhuisapotheker, klinisch farmacoloog namens het WINap, S. Leguit-Lambers namens de Nederlandse Vereniging van Hoofdpijnpatiënten. Vermelding als referent betekent overigens niet dat iedere referent de standaard op elk detail onderschrijft. Op basis van het ontvangen commentaar werden een aantal wijzigingen in de ontwerpstandaard aangebracht. In februari 2004 werd de conceptstandaard door de Autorisatiecommissie beoordeeld en geautoriseerd. De begeleiding van de werkgroep en de eindredactie berustte bij dr. M.H. Grol, huisarts-staflid van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschapsbeleid van het NHG en bij dr. L. Pijnenborg, seniorstaflid.

© 2004 Nederlands Huisartsen Genootschap


Noot 1 Terug 

Van der Wouden et al. hebben onderzoek verricht naar hoofdpijn als reden van komst onder kinderen van 0 tot 14 jaar in een groot aantal Nederlandse huisartsenpraktijken. De incidentie van hoofdpijn als reden van komst bij deze groep kinderen was 40 per 1000 levensjaren.

Guidetti en Galli hebben onderzoek gedaan naar het beloop van hoofdpijn bij kinderen. Van de 240 kinderen (gemiddelde leeftijd 10,7 jaar) die in 1988 een hoofdpijnkliniek bezochten, zijn in 1996 100 kinderen at random voor een follow-uponderzoek gezien. Van deze groep kinderen was hun hoofdpijn in 45% van de gevallen verbeterd en was 34% hoofdpijnvrij. Meer bij jongens dan bij meisjes verbeterden de hoofdpijnklachten. Dit was onafhankelijk van de leeftijd.2

Twee overzichtsartikelen van Silberstein et al. en van Mannix laten zien dat hoofdpijn veel voorkomt met een lifetime prevalentie van 95% bij vrouwen en 90% bij mannen.3,4

  1. Van der Wouden JC, Van der Pas P, Bruijnzeels MA, Brienen JA, Suijlekom-Smit LW . Headache in children in Dutch general practice. Cephalalgia 1999;19:147-50.
  2. Guidetti V, Galli F. Evolution of headache in childhood and adolescence: an 8-year follow-up. Cephalalgia 1998;18:449-54.
  3. Silberstein SD, Lipton RB. Headache epidemiology. Emphasis on migraine. Neurol Clin 1996;14:421-34.
  4. Mannix LK. Epidemiology and impact of primary headache disorders. Med Clin North Am 2001;85:887-95.

Noot 2 Terug 

Onderzoek naar raciale verschillen werd alleen voor de prevalentie van migraine uitgevoerd. In dit onderzoek werden ruim 12.000 personen uit de algemene populatie tussen 18 en 65 jaar betrokken. Migraine bij personen van Kaukasische oorsprong kwam vaker voor dan bij personen van Afrikaanse of Aziatische oorsprong. Opvallend was dat Afro-Amerikanen minder vaak misselijkheid en braken rapporteerden, maar vaker de hoofdpijn ernstiger inschatten.

Stewart WF, Lipton RB, Liberman J. Variation in migraine prevalence by race. Neurology 1996;47:52-9.

Noot 3 Terug 

In 1987 en 1988 is een secundaire analyse verricht op de gegevens van de Nationale Studie van Ziekten en Verrichtingen in de Huisartspraktijk. Aan deze gegevensverzameling hebben 161 gevestigde huisartsen uit 103 huisartsenpraktijken deelgenomen, die geworven zijn op basis van een aselecte, niet-proportioneel gestratificeerde steekproef. De kern van het onderzoek betrof een registratie van alle contacten die de deelnemende huisartsen (en hun assistentes) gedurende 3 maanden met hun patiënten hadden (n=386.000). Per contact zijn onder meer klachten, diagnose en aanvragen geregistreerd. Ook zijn sociaal-demografische gegevens verzameld en is bij 100 patiënten per deelnemende huisarts een interview afgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat bijna 30% van alle mensen hoofdpijn als acute klacht ervaren heeft in de afgelopen 14 dagen; bijna 9% gaf aan te lijden aan migraine/ernstige hoofdpijn. Uit dit onderzoek blijkt dat slechts 1 op de 70 patiënten de huisarts consulteert voor zijn hoofdpijnklacht.1

Launer et al. onderzochten in een populatieonderzoek van 6491 personen het voorkomen van migraine in de algemene bevolking van 20 tot 65 jaar. Het responspercentage was 53%. De deelnemers aan het onderzoek vulden een uitgebreide vragenlijst in, ondergingen een lichamelijk onderzoek, inclusief bloedonderzoek. Een deel van deze populatie die positief gescoord had op de hoofdpijnvragen, kreeg nog een andere vragenlijst, een semi-gestructureerd interview en tot slot nog een telefonisch interview. De jaarprevalentie van migraine voor vrouwen bleek in dit onderzoek 25% te zijn, voor mannen 7,5%.

  1. Donker G, Hutten J, Bijl D, Flierman H, Van der Velden J. Hoofdbrekens en Kopzorgen. Epidemiologie en handelen van patiënt en huisarts bij migraine en andere vormen van hoofdpijn. Utrecht: NIVEL, 1992.
  2. Launer LJ, Terwindt GM, Ferrari MD. The prevalence and characteristics of migraine in population-based cohort; the GEM study. Neurology 1999;53:537-42.

Noot 4 Terug 

Uit het onderzoek van Donker et al. bleek dat slechts 1 op de 70 patiënten met hoofdpijn de huisarts consulteert (zie noot 3).1 In het onderzoek van Van de Lisdonk hielden 277 personen in 4 huisartsenpraktijken gedurende 1 week een dagboek bij over ervaren klachten. Hieruit bleek dat slechts een klein percentage (15-20%) van de mensen met hoofdpijn voor deze klacht naar de huisarts ging.2 In een overzichtsartikel van Knuistingh Neven en Eekhof wordt een prevalentie van 63% gevonden van spanningshoofdpijn in de algemene bevolking. Hiervan gaat slechts 16% met deze klacht naar de huisarts.3

  1. Donker G, Hutten J, Bijl D, Flierman H, Van der Velden J. Hoofdbrekens en Kopzorgen. Epidemiologie en handelen van patiënt en huisarts bij migraine en andere vormen van hoofdpijn. Utrecht: NIVEL, 1992.
  2. Van de Lisdonk EH. Perceived and presented morbidity in general practice. A study with diaries in four general practices in the Netherlands. Scand J Prim Health Care 1989;7:73-78.
  3. Knuistingh Neven A, Eekhof JAH. Spanningshoofdpijn. Huisarts Wet 2003;46:328-30.

Noot 5 Terug 

In het Transitieproject, waarbij wordt uitgegaan van de ICPC, is de jaarprevalentie van spanningshoofdpijn in de huisartsenpraktijk 10 per 1000.1 Ook de onderzoeken van Ong en Bijl laten vergelijkbare resultaten zien.2,3

  1. Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose. Episodegegevens uit de huisartspraktijk. Bussum: Coutinho, 1998.
  2. Ong RSG, De Waal MWM. RHUH_LEO basisrapport IX: databestand 2000/2001. Leiden: LUMC Afdeling Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde, 2002.
  3. Bijl D, Hutten JBF, Grol R, Van der Velden J. Hoofdpijn, migraine en spanningshoofdpijn in de huisartspraktijk. Huisarts Wet 1994;37:142-8.

Noot 6 Terug 

Stewart et al. verrichtten een schriftelijke enquête onder 20.468 Amerikanen van 12 tot 80 jaar (respons 63%). Migraine komt volgens een Amerikaans bevolkingsonderzoek jaarlijks voor bij 18% van de vrouwen en 6% van de mannen.1 In een Schots onderzoek onder 2165 kinderen, die een representatieve steekproef vormen van de schoolkinderen van 5 tot 15 jaar in Aberdeen kwam naar voren dat 11% van de kinderen migraine had. Spanningshoofdpijn zou bij 0,9% van de kinderen voorkomen.2

  1. Stewart WF, Lipton RB, Celentano DD, Reed ML. Prevalence of migraine headache in the United States. JAMA 1992;267:64-9.
  2. Abu-Arefeh I, Russell G . Prevalence of headache and migraine in schoolchildren. BMJ 1994:309:765-9.

Noot 7 Terug 

In een populatieonderzoek in Taiwan bij personen ouder dan 65 jaar werd bij 3,9% chronisch-dagelijkse hoofdpijn gevonden, dat wil zeggen hoofdpijn die gedurende meer dan 15 dagen per maand en meer dan 6 maanden aanwezig is.1 Een Spaans onderzoek uitgevoerd in de algemene populatie gaf een prevalentie van hoofdpijn van meer dan 15 dagen per maand en gedurende meer dan 4 uur per dag van 4-5%. Bij vrouwen was de frequentie zelfs 8-9%.2 In onderzoek in Amerika werd eveneens een prevalentie van 4% vastgesteld.3

  1. Wang SJ, Fuh JL, Lu SR, Liu CY, Hsu LC, Wang PN et al. Chronic daily headache in Chinese elderly: prevalence, risk factors, and biannual follow-up. Neurology 2000;54:314-9.
  2. Pascual J, Colas R, Castillo J. Epidemiology of chronic daily headache. Curr Pain Headache Rep 2001;5:529-36.
  3. Scher AI, Stewart WF, Liberman J, Lipton RB. Prevalence of Frequent Headache in a Population Sample. Headache 1998;38:497-506.

Noot 8 Terug 

In een populatieonderzoek bij 6400 volwassenen werd bij mannen een incidentie van clusterhoofdpijn van 16/100.000 en bij vrouwen een incidentie van 4/1000.000 patiënten gevonden.1 In een Zweeds onderzoek werd een prevalentie van 0,4% gevonden.2 In de Richtlijn Chronisch recidiverende hoofdpijn zonder neurologische afwijkingen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie wordt als jaarprevalentie 0,07-0,24% aangehouden.3

  1. Swanson JW, Ynangihara T, Stang PE, et al. Incidence of cluster headaches: a population-based study in Olmsted County, Minnesota. Neurology 1994;44:433-7.
  2. Kudrow L. Natural history of cluster headache. Headache 1982;22:203-6.
  3. Koehler PJ. Chronisch recidiverende hoofdpijn zonder neurologische afwijkingen, Richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:295-300.

Noot 9 Terug 

Over het natuurlijk beloop is weinig onderzoek gedaan. In beide onderzoeken1,2 kwam globaal naar voren dat één derde verergerde in de loop der jaren, één derde gelijk bleef in ernst en frequentie en één derde verbeterde.

  1. Kudrow L. Natural history of cluster headache. Headache 1982;22:203-6.
  2. Pearce JM. Natural history of cluster headache. Headache 1993;33:253-6.

Noot 10 Terug 

In 1988 is door de International Headache Society (IHS) een voor onderzoeksdoeleinden bruikbare classificatie geïntroduceerd. In 2004 werd een herziene versie gepubliceerd.1 Deze classificatie biedt de mogelijkheid meer vormen van hoofdpijn per patiënt te classificeren en betrouwbaarder dan voorheen de duur en de frequentie van de hoofdpijn vast te leggen.

Diagnostische criteria van spanningshoofdpijn

  • Hoofdpijnepisodes voldoen aan B-D.
  • Hoofdpijn duurt van 30 minuten tot 7 dagen.
  • Ten minste 2 van de volgende pijnkarakteristieken:
    1. drukkende/knellende (niet-pulserende) kwaliteit;
    2. lichte of matige intensiteit (kan activiteiten storen, maar niet verhinderen);
    3. bilaterale lokalisatie;
    4. geen toename bij traplopen of dergelijke lichamelijke routineactiviteiten.
  • Beide van de volgende:
    1. geen misselijkheid of braken (anorexie mag aanwezig zijn);
    2. geen fotofobie en fonofobie aanwezig, of alleen één van beide.

Diagnostische criteria van migraine zonder aura

  • Ten minste 5 aanvallen voldoen aan criteria B-D.
  • Duur hoofdpijnaanval 4-72 uur (onbehandeld, of niet succesvol behandeld).
  • Hoofdpijn voldoet aan 2 of meer van de volgende karakteristieken:
    1. éénzijdig;
    2. kloppend, pulserend, bonzend;
    3. matig tot ernstig (verhindert dagelijkse activiteiten);
    4. toename bij lichamelijke inspanning, zoals traplopen, of vermijden van lichamelijke activiteiten.
  • Gedurende de hoofdpijn minstens één van de volgende symptomen:
    1. misselijkheid en/of braken;
    2. overgevoeligheid voor licht en geluid.
  • Het wordt niet veroorzaakt door een andere aandoening.

Diagnostische criteria van migraine met aura

  • Minstens 2 migraineaanvallen voldoen aan criteria B-D.
  • Aura bevat ten minste 1 van onderstaande criteria, zonder spierzwakte:
    1. volledig reversibele visuele symptomen (zoals flikkerscotomen, vlekken of lijnen en/of verlies van visus);
    2. volledig reversibele sensore symptomen (zoals prikkelingen en/of sensibiliteitsstoornissen);
    3. volledig reversibele dysfatische spraakstoornis.
  • Ten minste 2 van de volgende karakteristieken:
    1. Er zijn dubbelzijdige visuele symptomen en/of enkelzijdige sensore symptomen.
    2. Ten minste 1 aurasymptoom ontwikkelt zich geleidelijk over ≥ 5 minuten en/of verschillende aurasymptomen volgen elkaar op in ≥ 5 minuten.
    3. Elk aurasymptoom duurt ≥ 5 minuten en < 60 minuten.
  • Hoofdpijn voldoet aan de criteria B-D van migraine zonder aura. Deze hoofdpijn begint tijdens de aura, of volgt op de aura binnen 60 minuten.
  • Het wordt niet veroorzaakt door een andere aandoening.

Diagnostische criteria van middelengeïnduceerde hoofdpijn

  • Minstens één van criteria B-D gaat op.
  • Gebruik van eenvoudige analgetica en NSAID's op ≥; 3 dagen per week.
  • Gebruik van triptanen op ≥ 2 dagen per week.
  • Gebruik van ergotamine op ≥ 1 dag per week.
  • Dagelijks gebruik van >5 eenheden coffeïnehoudende consumpties (koffie, thee, ice-tea, cola en chocolade).

Diagnostische criteria van clusterhoofdpijn

  • Ten minste 5 aanvallen voldoen aan B-D.
  • Er is hevige unilaterale orbitale, supra-orbitale en/of temporale pijn die onbehandeld 15 tot 180 minuten duurt.
  • De hoofdpijn is geassocieerd met ten minste één van de volgende verschijnselen aan de pijnzijde: conjunctivale injectie, tranenvloed, neusverstopping, rinorroe, zweten van gezicht en voorhoofd, miosis, ptosis of oedeem van het ooglid.
  • Frequentieaanvallen: eens in de 2 dagen tot 8 keer per dag.

In de IHS-classificatie valt middelengeïnduceerde hoofdpijn onder 'Hoofdpijn met chemische stoffen en onttrekking ervan'.

Bewust is in de tekst van de standaard gekozen voor een indikking van bovengenoemde definities. Voor het heel strikt classificeren van patiënten in onderzoeksverband is de IHS-definitie noodzakelijk, maar voor de dagelijkse huisartsenpraktijk voldoet een samenvatting even goed.

Headache Classification Committee of the International Headache Society. Classification and diagnostic criteria for headache disorders, cranial neuralgias and facial pain. Cephalalgia 2004;24(suppl1):1-160.

Noot 11 Terug 

Jensen geeft in een review aan dat weinig bekend is over de pathofysiologie van spanningshoofdpijn, zowel van de episodische als van de chronische vorm.1 Als een van de hoofdoorzaken geeft hij aan dat er pas vanaf 1988 een goede internationale classificatie, in de vorm van de IHS, is gekomen voor spanningshoofdpijn. Voor deze tijd werden verschillende benamingen gebruikt zoals spierspanningshoofdpijn, psychogene hoofdpijn, psychomyogene hoofdpijn of stressgerelateerde hoofdpijn. Een andere oorzaak is dat slechts 16% van de mensen met spanningshoofdpijn de huisarts raadpleegt. Van deze 16% gaat uiteindelijk 4% naar de specialist. Bij de pathofysiologie van spanningshoofdpijn blijkt een verhoogde gevoeligheid van de schedelmusculatuur en peesaanhechtingen een grote rol te spelen. Verondersteld wordt dat er meerdere pathofysiologische mechanismen bij spanningshoofdpijn mogelijk zijn, waaronder een veranderde pijnzin in het myofasciale gebied. De veronderstelde verhoogde spierspanning bij patiënten met spanningshoofdpijn gemeten aan de frontale musculatuur kon niet worden bevestigd.2 In deze meta-analyse konden op basis van 23 onderzoeken in totaal 395 patiënten geëvalueerd worden.

In hoeverre functionele klachten een rol spelen bij bepaalde aandoeningen zoals hoofdpijn, komt ook bij andere NHG-Standaarden aan de orde. In de NHG-Standaard Maagklachten staat hierover het volgende: 'Over de rol van psychische factoren bij maagklachten wordt wisselend gerapporteerd. Het blijkt dat patiënten met maagklachten vaker last hebben van angst, depressiviteit en stress. Hoewel niet is aangetoond dat psychische factoren een directe oorzakelijke factor bij het ontstaan van maagklachten zijn, blijken ze een belangrijke rol te spelen bij de beleving van klachten en de presentatie ervan op het spreekuur.3

  1. Jensen R. Pathophysiological mechanisms of tension headache: a review of epidemiological and experimental studies. Cephalalgia 1999;19:602-21.
  2. Wittrock DA. The comparison of individuals with tension-type headache and headache-free controls on frontal EMG levels: a meta-analysis. Headache 1997;30:152-6.
  3. NHG-Standaard Maagklachten. www.nhg.org(rubriek NHG-Standaarden>NHG-Standaard Maagklachten).

Noot 12 Terug 

Gebleken is dat 62% van de migrainepatiënten ook spanningshoofdpijn heeft, terwijl 25% van de patiënten met spanningshoofdpijn ook aan migraine blijkt te lijden.1 Een migraineaanval kan beginnen als spanningshoofdpijn, maar in het verdere beloop van de hoofdpijnaanval ontwikkelen zich de kenmerkende migraineverschijnselen.2

  1. Silberstein SD, Lipton RB, Goadsby PJ. Headache in Clinical Practice. Oxford: ISIS Medical Media, 1998.
  2. Goadsby PJ. Chronic tension-type headache: where are we? Brain 1999;122:1611-2.

Noot 13 Terug 

Migraine is een neurovasculaire hoofdpijn: een aandoening waarbij neurale prikkeling dilatatie van bloedvaten tot gevolg heeft.1 Dit resulteert in pijn en verdere activatie van het centrale zenuwstelsel. Migraine wordt beschouwd als een disfunctie van een ionkanaal in de noradrenerge en serotonerge hersenstamkernen (locus ceruleus en raphekernen) dat normaal de sensorische input (pijndrempel) moduleert en invloed uitoefent op de craniale vaten.2 Met PET-scans is aangetoond dat de hersenstam geactiveerd wordt tijdens een migraineaanval.3

Het pijnmechanisme wordt mogelijk verklaard door een neurogene ontsteking in het trigeminocervicale complex waarbij peptiden vrijkomen met een vasodilaterend effect.1,4 De lokalisatie van de pijn bij een migraineaanval wordt gezien als uitstralende pijn na activatie van het trigeminocervicale complex.

  1. Ferrari MD. Migraine. Lancet 1998;351:1043-51.
  2. Goadsby PJ, Lipton RB, Ferrari MD. Migraine - Current Understanding and Treatment. N Engl J Med 2002;346:257-70.
  3. Lance JW, Goadsby PJ. Mechanism of Headache. 6th ed. Oxford: Butterworth-Heinemann, 1998.
  4. Goadsby PJ. Pathophysiology of headache. In: Silberstein SD, Lipton RB, Dalessio DJ, editors. Wolff's headache and other head pain. 7th ed. Oxford: Oxford University Press, 2001:57-72.

Noot 14 Terug 

Granella et al. hebben in een retrospectief onderzoek onder 1300 vrouwen onderzocht wanneer ze voor het eerst een migraineaanval hebben gehad en hoe de relatie met menstruatie, zwangerschap, pilgebruik en overgang was.1 Deze vrouwen waren tussen 1984 en 1990 verwezen naar hoofdpijncentra in Parma en Pavia met de diagnose migraine zonder aura. Migraine bleek vaak rondom de menarche te ontstaan (11%). Het merendeel van de aanvallen (60% ) bleek rondom de menstruatie te ontstaan. Zwangerschap had over het algemeen een gunstig effect op het beloop van de migraineaanvallen: in 67% van de gevallen verdween de migraine tijdens de zwangerschap. Tijdens pilgebruik namen bij 24% van de vrouwen de migraineaanvallen toe. De menopauze bracht bij de meeste vrouwen geen verandering in migraineaanvallen teweeg (43%); bij 28% namen de aanvallen toe. Een verklaring voor de verslechtering van de migraine na de menopauze wordt niet gegeven.1

Uit het onderzoek van Bartelink et al. bleek dat de jaarprevalentie van migraine in de huisartsenpraktijk 4 per 1000 voor mannen en 16 per 1000 voor vrouwen was. Migraine verslechterde net vóór en tijdens de menstruatie en verbeterde tijdens zwangerschap en menopauze.2 Stewart et al. lieten in een onderzoek bij 81 vrouwen in een populatieonderzoek zien dat migraine zonder aura, maar niet migraine met aura met name optrad gedurende de eerste 2 dagen van de menstruatie.3 Couturier en MacGregor gaven aan dat over menstruele migraine nog veel onduidelijkheid bestaat, onder andere vanwege het onvoldoende hanteren van een strikte definitie van menstruele migraine. Onder menstruele migraine wordt een vorm van migraine verstaan waarbij de migraineaanval begint op de eerste dag van de menstruatie of maximaal 2 dagen ervoor of erna en waarbij er verder geen andere aanvallen tussen de menstruaties voorkomen. De migraineaanvallen zijn ernstig, langdurig en gaan vaak gepaard met meer misselijkheid en braken. Het gaat meestal om aanvallen zonder aura.5,6

Lay et al. beschreven in een overzichtsartikel de behandelingsmogelijkheden van menstruele migraine. Zij maakten een onderverdeling tussen aanvalsbehandeling en preventieve behandeling. Als aanvalsbehandeling komen paracetamol, NSAID's al dan niet in combinatie met een anti-emeticum, triptanen en ergotamine in aanmerking. Voor preventieve behandeling zijn NSAID's en bètablokkers aangewezen. Deze behandeling moet twee tot vier dagen voor de menstruatie begonnen worden en gedurende de menstruatie (3-5 dagen) gecontinueerd worden. Als profylacticum kan ook oestrogeenbehandeling in orale vorm worden overwogen in de vorm van 2-4 mg estradiol per dag gedurende de hele menstruatie. Pas na ten minste 2 cycli kan het effect beoordeeld worden.6 Ook oestrogeenpleisters van 100 microgram komen in aanmerking; deze moeten drie dagen vóór de menstruatie worden aangebracht en een dag vóór de menstruatie en twee dagen na het begin van de menstruatie worden vervangen. Het gebruik van de anticonceptiepil als profylacticum bij menstruele migraine zonder aura en bij afwezigheid van contra-indicaties is tevens een mogelijkheid.7

Silberstein beschreef in een overzichtsartikel dat bij het merendeel van de vrouwen de migraine tijdens de zwangerschap verbetert. Na de zwangerschap keert de migraine vaak terug. Sommige vrouwen hebben juist hun eerste aanval tijdens de zwangerschap. Van de meeste medicijnen die gebruikt worden voor de behandeling van migraine, zowel als aanvalsbehandeling als profylacticum is teratogeniteit niet uitgesloten. Het is belangrijk om de noodzaak tot inname van medicatie, het type geneesmiddel en de toedieningsvorm van tevoren goed af te wegen en het middel te controleren op teratogeniciteit.8 Het gebruik van NSAID's wordt afgeraden tegen het einde van de zwangerschap, van de triptanen is vaak onvoldoende bekend en propranolol kan de doorbloeding van de placenta verminderen. Tijdens de zwangerschap blijft paracetamol het medicijn van eerste keus.

  1. Granella F, Sances G, Zanferrari C, Costa A, Martignoni E, Manzoni GC. Migraine with and without aura and reproductive life events: a clinical epidemiological study in 1300 women. Headache 1993;33:385-9.
  2. Bartelink ML, Van de Lisdonk E, Van den Hoogen H, Wollersheim H, Van Weel C. Migraine in female patiënts in family practice. Fam Med 1993;25:331-6.
  3. Stewart WF, Lipton RB, Chee E, Sawyer J, Silberstein SD. Menstrual cycle and headache in a population sample of migraineurs. Neurology 2000;55:1517-23.
  4. Couturier EGM. Migraine en menstruatie. Ned Tijdschr Neurologie 1998;1,2:13-8.
  5. MacGregor E. Menstrual migraine: towards a definition. Cephalalgia 1996;16:11-21.
  6. Geneesmiddelinformatiecentrum van het Wetenschappelijk Instituut Nederlandse Apothekers (WINAp). Informatorium Medicamentorum op Kombirom, geraadpleegd april 2004. 's-Gravenhage: Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie, 2004.
  7. Lay CL, Mascellino AM. Menstrual migraine: diagnosis and treatment. Curr Pain Headache Rep 2001;5:195-9.
  8. Silberstein SD. Migraine and pregnancy. Neurol Clin 1997;15:209-31.

Noot 15 Terug 

Eerstegraads familieleden van een patiënt met migraine met aura blijken een 3,8 maal verhoogd risico om migraine met aura te hebben.1,2 Het risico op migraine zonder aura is niet verhoogd. Eerstegraads familieleden van een patiënt met migraine zonder aura hebben een 1,9 maal vergrote kans op het hebben van migraine zonder aura en 1,4 maal op migraine met aura. In een bijzondere vorm van migraine, de familiaire hemiplegische migraine (FHM), zijn mutaties gevonden op de korte arm van chromosoom 19 in het gen dat codeert voor een hersenspecifiek calciumkanaal (P/Q-type-calciumkanaalcomplex).3-6 Mutaties in de P/Q-type-calciumkanalen veranderen het vrijkomen van neurotransmitters, hetgeen zou leiden tot een verstoorde synapscommunicatie en neurale disfunctie. Migraine is in deze visie dus een 'canalopathie'.7

Inmiddels is vastgesteld dat gevallen van migraine met aura verband hebben met mutaties in deze locus. De hoofdpijn zelf en de hierbij behorende verschijnselen zouden mogelijk met één of meer andere gen(en) te maken kunnen hebben. Migraine zonder aura zou dus kunnen berusten op andere ionkanaalmutaties.

Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar de relatie tussen migraine en CVA.8

  1. Russell MB, Hilden J, Sorensen SA,Olesen J. Familial occurrence of migraine without aura and migraine with aura. Neurology 1993;43:1369-73.
  2. Russell MB, Olesen J. Increased family risk and evidence of genetic factors in migraine. BMJ 1995;311:514-4.
  3. Terwindt G, Kors E, Haan J, Vermeulen F, Van den Maagdenberg A, Frants R, et al. Mutation analysis of the CACNA1A Calcium channel subunit gene in 27 patient with sporadic hemiplegic migraine. Arch Neurol 2002;59:1016-8.
  4. Lance JW, Goadsby PJ. Mechanism of Headache. 6th ed. Oxford: Butterworth-Heinemann, 1998.
  5. Ferrari MD, Haan J. Genetics of headache. In: Silberstein SD, Lipton RB, Dalessio DJ, editors. Wolff's headache and other head pain. 7th ed. Oxford: Oxford University Press, 2001:73-84.
  6. Ophoff RA, Van den Maagdenberg AMJJ, Roon KI, Ferrari MD, Frans RR. The impact of pharmacogenetics for migraine. Eur J Pharmacology 2001;413:1-10.
  7. Gardner K. The genetic basis of migraine: How much do we know? Can J Neurol Sci 1999; 26:S37-S43.
  8. Kruit MC, Van Buchem MA, Hofman PAM, Bakkers JTN, Terwindt GM, Ferrari MD. Migraine as a risk factor for subclinical brain lesions. JAMA 2004;291:427-34.

Noot 16 Terug 

Middelengeïnduceerde hoofdpijn kan zich uiten in chronisch-dagelijkse hoofdpijn. De oorzaak van chronisch-dagelijkse hoofdpijn is onbekend, maar verschillende pathofysiologische mechanismen kunnen hieraan ten grondslag liggen, zoals abnormale activatie van perifere nociceptieve afferenten, abnormale activatie van centraal gelegen neuronen van de nucleus trigeminus, een verminderde pijnmodulatie of spontane centrale pijn.2

Overmatig gebruik van hoofdpijnmedicatie en coffeïne is een belangrijke oorzaak voor een specifieke groep patiënten met chronisch-dagelijkse hoofdpijn. De meeste patiënten met overmatig gebruik van analgetica hebben een voorgeschiedenis van episodische hoofdpijn die langzaam in frequentie is toegenomen. Mensen met hoofdpijn behandelen meestal zichzelf met pijnstillers die zonder recept verkrijgbaar zijn en komen niet naar de huisarts. Bij sommige patiënten neemt het gebruik van analgetica langzaam toe doordat zij preventief, uit angst voor het krijgen van hoofdpijn en bij zeer milde hoofdpijn analgetica gebruiken. Pijnvermindering na inname van analgetica en coffeïne versterkt de neiging om veelvuldig te gebruiken (positieve bekrachtiging). Ongemerkt treedt er gewenning op; het niet innemen van medicatie resulteert in hoofdpijn als onttrekkingsverschijnsel, waarvoor patiënten opnieuw medicatie innemen (negatieve bekrachtiging). Patiënten geven vaak aan dat het effect van de medicatie steeds minder wordt, wat een toename van gebruik en het combineren van verschillende medicijnen in de hand werkt. Uiteindelijk belandt de patiënt in een vicieuze cirkel met (bijna) dagelijks optredende hoofdpijn die alleen nog te onderdrukken is met de dagelijks gebruikte hoofdpijnmedicatie en coffeïnehoudende dranken. Veel patiënten ontwaken 's ochtends met hoofdpijn, of worden er 's nachts wakker van en nemen dan snel een nieuwe pijnstiller. Bij de minste lichamelijke of intellectuele inspanning verergert de hoofdpijn. Bijkomende verschijnselen zijn: vermoeidheid, misselijkheid, snelle irritatie, concentratiestoornissen, rusteloosheid, angst en depressie.3

  1. Silberstein S, Lipton R. Chronic daily headache, Blue books of practical neurology. 1997:201-25.
  2. Passchier J, Trijsburg RW, De Wit R, Eerdmans-Dubbelt SLC. Psychologie van onbegrepen chronische pijn. Assen: Van Gorcum, 1998.
  3. Spierings EL, Schroevers M, Honkoop PC, Sorbi M. Presentation of chronic daily headache: a clinical study. Headache 1998;38:191-6.

Noot 17 Terug 

Clusterhoofdpijn wordt tot de vasculaire hoofdpijnen gerekend. De etiologie en pathofysiologie zijn grotendeels onbekend.1 Ook is onduidelijk waarom de aanvallen in clusters optreden en in veel gevallen op vaste tijden van het jaar komen. Tijdens een clusterperiode, maar niet daarbuiten, kunnen bepaalde factoren aanleiding geven tot het optreden van aanvallen. Dit zijn onder andere: alcohol, histamine, nitroglycerine (geven vaatverwijding), lange vliegreizen of verblijf op grote hoogte, zoals in de bergen. Daar de pijn zich concentreert in het gebied van de eerste tak van de n. trigeminus, lijkt deze zenuw een grote rol te spelen in het ontstaan van clusterhoofdpijn. Gezien het optreden van autonome disfunctieverschijnselen (zoals een rood, tranend oog en het syndroom van Horner) moeten ook de parasympathicus (verhoogde functie) en de sympathicus (verminderde functie) aangedaan zijn.1,2 De relatie tussen deze twee verschijnselen ligt mogelijk in de vasodilatatie van de a. carotis interna en/of de sinus cavernosus, waarmee zowel vezels van de n. trigeminus als de parasympathische en sympathische zenuwen verlopen (de plexus pericaroticus). Door de vasodilatatie zou de plexus pericaroticus samengedrukt worden en aanleiding geven tot het optreden van de verschijnselen.

Er is nog geen verklaring voor waarom clusterhoofdpijnaanvallen in cyclussen, soms op vaste tijden van de dag of op bepaalde tijden in het jaar optreden. Er zijn aanwijzingen dat de hypothalamus als een belangrijke regulator fungeert van het optreden van clusterhoofdpijnaanvallen in de tijd.3

  1. Silberstein SD, Lipton RB, Goadsby PJ. Headache in Clinical Practice. Oxford: ISIS Medical Media, 1998.
  2. Lance JW, Goadsby PJ. Mechanism of Headache. 6th ed. Oxford: Butterworth-Heinemann, 1998.
  3. May A, Bahra A, Büchel C, Frackowiak RS, Goadsby PJ. Hypothalamic activation in cluster headache attacks. Lancet 1998;352:2375-8.

Noot 18 Terug 

Behalve de besproken hoofdpijnsoorten kan hoofdpijn ook veroorzaakt worden door andere ziekten of aandoeningen zoals:

  • virale aandoeningen, bijvoorbeeld influenza;
  • sinusitis (na een virale infectie, purulent neussecreet, bukpijn, vaak eenzijdig maxillaire pijn, kiespijn);
  • rhinitis;
  • tandheelkundige problemen (kaakkopproblemen, 'temporomandibulaire disfunctie');
  • posttraumatische hoofdpijn (ontstaat binnen 14 dagen na een trauma; kan langer dan 8 weken duren; drukkende constante pijn in het gehele hoofd; geen reactie op pijnstillers; vaak ook symptomen als duizeligheid, prikkelbaarheid, slaap- en geheugenproblemen, depressie);
  • trigeminusneuralgie (aanvalsgewijs optredende eenzijdige aangezichtspijn in het gebied van een tak van de nervus trigeminus; kenmerkend is de aanwezigheid van een triggerpoint);
  • atypische aangezichtspijn (ernstige, vaak brandende pijn, optredend aan één of beide kanten van het gezicht; oorzaken kunnen liggen op tandheelkundig gebied, KNO-gebied of bij overbelasting van de kauwspieren);
  • arteriïtis temporalis (temporale pijn verergerend door lokale druk; er is verhoogde bezinking en malaisegevoel; het gaat vaak om oudere patiënten);
  • oogaandoeningen, bijvoorbeeld refractieafwijkingen, glaucoom en iritis;
  • subduraal hematoom, subarachnoïdale bloeding (vooral bij oudere patiënten na hoofdtrauma);
  • TIA/CVA (de kans op TIA/CVA neemt vanaf 65 jaar sterk toe, in deze leeftijdsklasse is een eerste migraineaanval zeldzaam. Een TIA onderscheidt zich van aura zonder hoofdpijn door het ontstaan van het gehele beeld in enkele seconden);
  • hersentumor (hoofdpijn 's ochtends vroeg en bij drukverhogende momenten; stemmingsstoornissen en persoonlijkheidsveranderingen; focale uitvalsverschijnselen; progressief beloop);
  • toxische en metabole hoofdpijn (bijvoorbeeld alcoholonttrekking, koolmonoxidevergiftiging, hypercapnie, ketoacidose, hypoglykemie);
  • pre-eclampsie (zwangere met onbekende hoofdpijn);
  • meningitis;
  • hoofdpijn als bijwerking van medicijnen (zoals nitraten).Voor de Standaarden Influenza, Sinusitis, Allergische en hyperreactieve Rhinitis, Rode oog, en TIA/CVA zie www.nhg.org (rubriek NHG-Standaarden).

Noot 19 Terug 

Een hoofdpijndagboek kan helpen bij de diagnostiek van hoofdpijn. Een voorbeeld van een hoofdpijndagboek is toegevoegd aan de NHG-patiëntenbrief Hoofdpijndagboek.1

Er is beperkte bewijs dat een combinatie van een hoofdpijndagboek en een goede anamnese een meer precieze diagnose oplevert.1,2 In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat een prospectieve manier van gegevens verzamelen - door middel van een hoofdpijndagboek - vaak betrouwbaarder is dan een retrospectieve manier.3

  1. www.nhg.org (patientenvoorlichting).
  2. Russell MB, Rasmussen BK, Brennum J, Iversen HK, Jensen RA. Presentation of a new instrument: the diagnostic headache diary. Cephalalgia 1992;12:396-74.
  3. Nielsen KD, Rasmussen C, Russell MB. The diagnostic headache diary- a headache expert system. Stud Health Technol Inform 2000;78:149-60.

Noot 20 Terug 

De patiëntenbrieven zijn te vinden op de NHG-website.

www.nhg.org (patiëntenvoorlichting).

Noot 21 Terug 

De website van de Nederlandse Vereniging van Hoofdpijnpatiënten is: www.hoofdpijnpatienten.nl.

Noot 22 Terug 

In een Cochrane-review werden 26 onderzoeken ingesloten, waarbij in 8 onderzoeken werkelijke acupunctuur werd vergeleken met placebo-acupunctuur.1 De resultaten waren wisselend; een aantal onderzoeken toonde een duidelijk effect, terwijl in andere onderzoeken geen effect duidelijk was. Alle onderzoeken hadden duidelijke methodologische tekortkomingen. In een systematische review werd het effect van manuele therapie bij chronische hoofdpijn beoordeeld.2 Er zijn aanwijzingen dat het gunstige effect vergelijkbaar is met medicamenteuze behandeling. Harde conclusies en aanbevelingen kunnen niet gegeven worden. van Vernon et al. werden verschillende alternatieve behandelingen geanalyseerd.3 Van de vier kwalitatief goed opgezette onderzoeken over acupunctuur waren de effecten divers. Het effect van manuele therapie was niet goed te analyseren en de effecten van fysiotherapie en TENS waren niet consistent. Eén RCT over homeopathie was kwalitatief goed en liet geen verschil zien met placebo.

Een RCT van Holroyd et al. over het effect van tricyclische antidepressiva en stressmanagementtherapie in vergelijking met placebo liet zien dat stressmanagementtherapie niet beter werkt dan een placebo (OR 1,29; 95%-BI 0,55-3,07). Stressmanagementtherapie in combinatie met amitriptyline en nortriptyline liet wel een gunstig effect zien (OR 4,35; 95%-BI 1,88-10,02).4

  1. Melchart D, Linde K, Fischer P, Berman B, White A, Vickers A, et al. Acupuncture for ideopathic headache (Cochrane Review). In: The Cochrane Library, Issue 4, 2002. Oxford: Update Software.
  2. Bronfort G, Assendelft WJJ, Evans R, Haas M, Bouter L. Efficacy of spinal manipulation for chronic headache: a systematic review. J Manipulative Physiol Ther 2001;24:457-66.
  3. Vernon H, McDermaid CS, Hagino C. Systematic review of randomized clinical trials of complimentary/alternative therapies in the treatment of tension-type and cervicogenic headache. Complement Ther Med 1999;7:142-55.
  4. Holroyd KA, O'Donnell FJ, Streisand M, Lipchil GL, Cordingley GE, Carlson BW. Management of chronic tension-type headache with tricyclic antidepressant medication, stress management therapy, and their combination. JAMA 2001;285:2208-15.

Noot 23 Terug 

Martin et al. beschrijven de pathogenese, de verschillende mogelijke triggers en het mogelijk mechanisme van deze triggers voor het ontstaan van migraine (tabel 2).

Tabel 2 Mate van bewijs en factoren die mogelijk triggers voor migraine kunnen zijn


Mogelijke triggers Mate van bewijs Trigger voor migraine Trigger voor algemene hoofdpijn
Stresssterkjaja
Menstruatiesterkjaja
Coffeïnesterkonbekendja
Visuele stimulisterkjaja
Weersveranderingensterkjaja
Nitratenmatigjaja
Vastenmatigwaarschijnlijkja
Slaapstoornissenmatigmogelijkja
Wijnmatigjaja
Natriumglutamaatmatigonbekendja
Aspartaammatigjaja
Rokenzwakniet bewezenniet bewezen
Geurenzwakniet bewezenniet bewezen
Chocolazwakniet bewezenniet bewezen
Tyraminezwakniet bewezenniet bewezen

In het onderzoek van Littlewood et al. is het effect van rode wijn en alcohol in de vorm van wodka-limonade op migraineaanvallen vergeleken.2 Het alcoholpercentage was identiek. Om het verschil in smaak en kleur te compenseren werd het drankje gekoeld gedronken uit een donkerbruin glas met een donker rietje. Er deden 19 patiënten (=dieetgroep) met migraine mee die ondervonden hadden dat hun migraine werd uitgelokt door rode wijn, maar niet door wodka of jenever, 5 patiënten met migraine die rode wijn niet als uitlokkende factor zagen en 8 gezonde controlepersonen (tezamen de niet-dieetgroep). De patiënten en controles wisten niet wat voor alcoholisch drankje ze kregen. Beide groepen werden nauwkeurig geobserveerd in de daarop volgende 3 uren en hadden telefonisch contact met de onderzoekers de volgende dag. In de dieetgroep ontwikkelden 9 van de 11 patiënten een migraineaanval vergeleken met geen van de 8 uit de wodka-limonadegroep (p<0,001). Alle personen op één na kregen de aanval binnen 3 uur na het drinken van de rode wijn. Geen van de deelnemers uit de niet-dieetgroep kreeg een migraine- of hoofdpijnaanval na het drinken van de rode wijn.

De conclusie is dat rode wijn migraineaanvallen kan uitlokken bij diegenen die ervan overtuigd zijn dat ze gevoelig zijn voor rode wijn. Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat bij deze groep een verlaagde fenolsulfotransferase (PST P) wordt gevonden. Deze PST P inactiveert fenol.

  1. Martin VT, Behbehani MM. Toward a rational understanding of migraine trigger factors. Headache 2001;85:911-41.
  2. Littlewood JT, Gibb C, Glover V, Sandler M, Davies PT, Rose FC. Red wine as a cause of migraine. Lancet 1988:558-9.

Noot 24 Terug 

Fysiotherapeutische behandeling wordt regelmatig toegepast in een poging migraineaanvallen te helpen verminderen. Suggesties lopen uiteen van elektrische stromen op de segmenten C1 tot C3, via massage van de nek- en schedelmusculatuur naar acupunctuur en biofeedback, relaxatietherapie of een combinatie met cognitieve therapie. In een meta-analyse werden 25 trials met patiënten met propanololbehandeling vergeleken met 35 trials met patiënten met een relaxatie/biofeedbacktraining.1 Bij beide behandelingen werd een vergelijkbare reductie van het aantal migraineaanvallen gezien. In een literatuuroverzicht bleek relaxatietherapie plus biofeedback niet beter dan relaxatietherapie alleen.2 Deze laatste therapie heeft ongeveer evenveel effect op de frequentie van migraineaanvallen en het medicijngebruik daarbij als een intensieve cognitieve therapie om beter met stress om te gaan. Relaxatietherapie bleek goedkoper en sneller, het effect van cognitieve therapie is mogelijk langduriger. Het effect van acupunctuur is niet aangetoond. Er werden tien gecontroleerde onderzoeken over het effect van acupunctuur bestudeerd, maar door de slechte opzet en de elkaar tegensprekende resultaten kan niet de conclusie getrokken worden dat er effect is. Ook het omgekeerde (geen effect) kon overigens niet worden aangetoond.3

  1. Holroyd KA, Penzien DB. Pharmacological versus non-pharmacological prophylaxis of recurrent migraine headache: a meta-analytic review of clinical trials. Pain 1990;42:1-13.
  2. Sorbi M. Psychological intervention in migraine (Proefschrift). Delft: Eburon, 1988.
  3. Ter Riet G, Kleijnen J, Knipschild P. Acupunctuur bij migraine en spanningshoofdpijn. Huisarts Wet 1989;7:58-63.

Noot 25 Terug 

In een onderzoek van Bruni et al. werden 70 kinderen met migraine (gemiddelde leeftijd 10 jaar) verdeeld in 2 groepen. De ene groep kreeg voorlichting in slaaphygiëne, de andere groep niet. Alle kinderen hadden verschillende vormen van een verstoord slaapritme in vergelijking met een gezonde controlegroep (laat in slaap vallen (na 23.00 uur); wakker worden na 08.00 uur; overdag slapen; wisselend dag-nachtschema). In de groep met de voorlichting over slaaphygiëne trad er een significante daling op in de duur van de aanvallen na 3 en 6 maanden follow-up en een daling in het aantal aanvallen na 3 en 6 maanden follow-up. De ernst van de aanvallen verschilde niet tussen beide groepen.

Bruni O, Galli F, Guidetti V. Sleep hygiene and migraine in children and adolescents. Cephalalgia 1999;19 (suppl 25):57-9.

Noot 26 Terug 

Het advies om in een keer te stoppen met de medicatie berust op consensus zowel binnen de werkgroep als binnen de Vereniging voor Neurologie.

Noot 27 Terug 

In een dubbelblind en driemaal cross-overonderzoek uit 1996 werd het effect van amitriptyline vergeleken met dat van citalopram en van een placebo bij 34 patiënten. Amitriptyline was effectief in vergelijking met een placebo (p=0,002). Citalopram was niet effectiever dan een placebo (p=0,68).1

In een recente RCT werden de tricyclische antidepressiva (TCA's) amitriptyline (12,5-100 mg) en nortriptyline (25-75 mg) en stressmanagementtherapie (SMT) vergeleken met een placebobehandeling. Er werd geen verschil gevonden tussen de TCA's en een placebo (OR 1,47; 95%-BI 0,64-3,37). In combinatie met stressmanagementtherapie was er wel een positief effect (OR 4,35; 95%-BI 1,88-10,2).2

  1. Bendtsen L, Jensen R, Olesen J. A non-selective (amitriptyline), but not a selective (citalopram)serotonin reuptake inhibitor is effective in the prophylactic treatment of chronic tension-type headache. J Neurol Neurosurg Psychiatr 1996;61:285-90.
  2. Holroyd KA, O'Donnell FJ, Streisand M, Lipchil GL, Cordingley GE, Carlson BW. Management of chronic tension-type headache with tricyclic antidepressant medication, stress management therapy, and their combination. JAMA 2001;285:2208-15.

Noot 28 Terug 

Een groot deel van de vrouwen zal tijdens de zwangerschap minder last van migraine hebben. Wanneer medicamenteuze behandeling tijdens de zwangerschap toch noodzakelijk is, wordt eenzelfde stapsgewijze aanpak geadviseerd als normaal.

Men kan starten met paracetamol, dat in geval van misselijkheid gecombineerd kan worden met metoclopramide. Bij onvoldoende effect kan een NSAID voorgeschreven worden. Gebruik van NSAID's moet echter vanaf het vroege derde trimester afgeraden worden. Bij zeer ernstige migraineaanvallen zou subcutane of intranasale toediening van sumatriptan overwogen kunnen worden. Hiermee is echter slechts beperkte ervaring bij de mens opgedaan (>300 zwangerschappen waaruit geen teratogeen effect naar voren komt).Van de overige triptanen zijn nog minder gegevens beschikbaar. Gebruik van ergotamine tijdens de zwangerschap moet vermeden worden.1-4

Wanneer tijdens de borstvoedingsperiode medicamenteuze behandeling van hoofdpijn of migraine noodzakelijk is, wordt ook eenzelfde stapsgewijze aanpak als normaal geadviseerd. Voor kortdurend gebruik wordt paracetamol geadviseerd. Echter wanneer regelmatige inname van een pijnstiller noodzakelijk is, kan tijdens de borstvoeding beter gekozen worden voor een NSAID zoals ibuprofen omdat NSAID's slechts in geringe hoeveelheid overgaan in de borstvoeding. Bij onvoldoende effect van een NSAID kan sumatriptan overwogen worden dat slechts in geringe hoeveelheid overgaat in de moedermelk. Bijwerkingen bij de baby zijn niet te verwachten gezien de korte halfwaardetijd en het eenmalige gebruik door de moeder. Sommige moeders vervangen voor alle zekerheid de eerstvolgende voeding na gebruik van sumatriptan. Van de andere triptanen zijn onvoldoende gegevens.1-4

  1. Geneesmiddelen, zwangerschap en borstvoeding, 3e ed. Houten: Stichting Health Base en Teratologie Informatie Centrum RIVM, 2003.
  2. De Gier JJ, redactie. Commentaren Medicatiebewaking 2003/2004. Houten: Stichting Health Base, 2003.
  3. Schaefer Ch, editor. Drugs during pregnancy and lactation.1th ed. Amsterdam: Elsevier Science, 2001.
  4. Briggs CG, Freeman RK, Yaffe SJl. Drugs in Pregnancy and Lactation. 6th ed. Philadelphia: Lippincott, Williams & Wilkins, 2002.

Noot 29 Terug 

De keuze om 'step care' te werken bij de aanvalsbehandeling berust op het feit dat analgetica zoals paracetamol en acetylsalicylzuur bewezen hebben werkzaam te zijn bij migraineaanvallen en in verhouding tot triptanen een stuk goedkoper zijn. Er is tot nu toe maar één onderzoek gedaan over step-carebehandeling versus stratified-carebehandeling van migraine. Uit dit onderzoek, dat methodologisch matig van opzet is, blijkt dat een stratified-caremethode met name bij ernstige migraineaanvallen effectiever is dan een step-caremethode. Echter in de stratified-methodegroep werden veel meer bijwerkingen gerapporteerd dan in de step-caregroep.1 Daarnaast bestaan er enkele al wat oudere artikelen over het effect van sumatriptan in vergelijking met een combinatie acetylsalicylzuur/metoclopramide (900 mg/10 mg)2 en over het effect van sumatriptan en een combinatie van acetylsalicylzuur (als lysine)/metoclopramide (900 mg/10 mg).3 In het eerste onderzoek werden 358 patiënten tijdens 3 migraineaanvallen behandeld. Bij de eerste aanval was het effect van sumatriptan en acetylsalicylzuur/metoclopramide vergelijkbaar. Bij de tweede en derde aanval was het effect van sumatriptan beter. De sumatriptangroep kon eerder de gebruikelijke activiteiten hervatten. Sumatriptan gaf echter meer bijwerkingen (42% versus 29%) en meer kans op terugkerende hoofdpijn (42% versus 33%).1 In de tweede onderzoek werd een orale-sumatriptangroep vergeleken met een acetylsalicylzuur (als lysine)/metoclopramide (900 mg/10mg)-groep en een placebogroep. Bij 421 patiënten werden 2 migraineaanvallen geanalyseerd in 8 weken. Twee uur na toediening was er geen verschil in pijnstilling tussen de beide medicamenteus behandelde groepen. Behandeling was effectiever dan placebo. De tevredenheid van de patiënt was vergelijkbaar bij de sumatriptan- en acetylsalicylzuur/metoclopramidegroep. Sumatriptan had echter meer bijwerkingen: 28% vergeleken met 18% in de acetylsalicylzuur/metoclopramidegroep.2

Een recenter onderzoek naar de effectiviteit van 50 mg sumatriptan en een combinatie van paracetamol/domperidon (500 mg/10 mg) liet een vergelijkbare effectiviteit zien wat betreft hoofdpijnreductie, misselijkheid en braken. In dit onderzoek zaten 161 patiënten uit 23 huisartsenpraktijken in een dubbelblind cross-overonderzoek.4

  1. Lipton RB, Stewart WF, Stone AM, Lainez MJA, Sawyer JPC. Stratified Care vs Step Care Strategies for Migraine. The Disability in Strategies of Care (DISC) Study: A Randomized Trial. JAMA, 2000;284:2599-2605.
  2. The Oral Sumatriptan and Aspirin plus Metoclopramide Comparative Study Group. A study to compare oral sumatriptan with oral aspirin plus metoclopramide in the acute treatment of migraine. Eur Neurol 1992;32:177-84.
  3. Tfelt-Hansen P, Henry P, Mulder LJ, Scheldewaert RG, Schoenen J, Chazot G. The effectiveness of combined oral lysine acetylsalicylate and metoclopramide compared with oral sumatriptan for migraine. Lancet 1995;346:923-6.
  4. Dowson A, Ball K, Haworth D. Comparison of a fixed combination of domperidone and paracetamol (domperamol) with sumatriptan 50 mg in moderate to severe Migraine: a randomized UK primary study. Curr Med Res Opin 2000;16:190-7.

Noot 30 Terug 

Tijdens een aanval treedt een ontledigingsstoornis van de maag op zodat orale middelen slecht worden geresorbeerd.1 Daarom wordt aan de toediening van analgetica een anti-emeticum toegediend in de vorm van domperidon of metoclopramide per suppositorium. Metoclopramide (10 mg) oraal toegediend is even werkzaam als rectaal gegeven. Deze stoffen hebben naast een anti-emetisch effect ook invloed op de gastrokinetiek via een blokkade van de perifere dopaminereceptoren. Braken wordt voorkomen en de maaglediging verloopt sneller.2,3

  1. Volans GN. Absorption of effervescent aspirin during migraine. BMJ 1974;4:265-9.
  2. Ross-Lee L, Heazlewood V, Tyrer JH, Eadie MJ. Aspirin treatment of migraine attacks: plasma drug level data. Cephalalgia 1982;2:9-14.
  3. Waelkens J. Domperidon in the prevention of complete classical migraine. BMJ 1982;284:944.

Noot 31 Terug 

In verschillende dubbelblinde onderzoeken is de werking van NSAID's bij de behandeling van migraine aangetoond.1-3 Uit klinische ervaring zou blijken dat NSAID's effectiever zijn dan paracetamol en mogelijk ook acetylsalicylzuur, maar hiervoor bestaat geen wetenschappelijk bewijs. Het werkingsmechanisme van NSAID's berust waarschijnlijk op het analgetisch effect en een remming van de neurogene ontstekingsreactie.

  1. Karachalios GN, Fotiadou A, Chrisikos N, Karabetsos A, Kehagioglou K. Treatment of acute migraine attack with diclofenac sodium: a double blind study. Headache 1992;32:98-100.
  2. Andersson PG, Hinge HH, Johansen O, Andersen CU, Lademann A, Gotzsche PC. Double-blind study of naproxen vs placebo in the treatment of acute migraine attacks. Cephalalgia 1989;9:29-32.
  3. Kloster R, Nestvold K, Vilming ST. A double-blind study of ibuprofen versus placebo in the treatment of acute migraine attacks. Cephalalgia 1992;12:169-71.

Noot 32 Terug 

Van 53 klinische onderzoeken (24.089 patiënten), waarvan 12 niet gepubliceerde, bleek dat 59% (95%-BI 57-60) van de patiënten bij gebruik van sumatriptan 100 mg een verbetering in hoofdpijn liet zien na 2 uur, 29% (95%-BI 27-30) was pijnvrij na 2 uur en 20% (95%-BI 18-21) was geheel pijnvrij na 2 uur en bleef dat gedurende 24 uur. Bij 67% (95%-BI 63-70) was sumatriptan bij ten minste 2 van de 3 aanvallen werkzaam (=consistentie van een geneesmiddel). Dertien procent (95%-BI 8-18) had ten minste één bijwerking, 6% (95%-BI 3-9) had ten minste één neurologische bijwerking en 1,9% (95%-BI 1,0-2,7) had pijn op de borst als bijwerking. Een nog recentere meta-analyse laat vergelijkbare resultaten zien. Vergeleken met de uitkomsten van sumatriptan, liet rizatriptan 10 mg een beter effect en betere consistentie zien en vergelijkbare tolerantie. Eletriptan 80 mg liet betere effectiviteit zien, vergelijkbare consistentie, maar slechtere tolerantie. Almotriptan 12,5 mg liet een vergelijkbaar effect op het tijdstip 2 uur na inname van het geneesmiddel zien, maar betere resultaten op de andere effectmaten, op consistentie en tolerantie. Naratriptan 2,5 mg en eletriptan 20 mg lieten een mindere effectiviteit zien, maar een betere tolerantie. Zolmitriptan 2,5 mg en 5 mg, eletriptan 40 mg en rizatriptan 5 mg lieten vergelijkbare resultaten zien (tabel 3).1-4

Tabel 3 Vergelijking van de verschillende triptanen wat betreft effect en verdraagbaarheid ten opzichte van sumatriptan 100 mg1,2


Triptanen Vermindering van de hoofdpijn 2 uur na inname Pijnvrij na 2 uur en gedurende 24 uur Consistentie van het effect binnen dezelfde patiënt Tolerantie
Sumatriptan 50 mg===/-=
Sumatriptan 25 mg-=/--+
Zolmitriptan 5 mg====
Zolmitriptan 2,5 mg====
Naratriptan 2,5 mg---++
Rizatriptan 5 mg====
Rizatriptan 10 mg++++=
Eletriptan 20 mg---=
Eletriptan 40 mg=/+=/+==
Eletriptan 80 mg+ (+)+=-
Almotriptan 12,5 mg=++++
= even effectief; + effectiever; - minder effectief

In een systematische review van Oldman et al. werden 48 publicaties over aanvalsmedicatie bij migraine met elkaar vergeleken. Het ging om 54 trials met in totaal 21.022 patiënten. De meeste interventies met de verschillende medicatie bleken effectief. Voor vermindering van de hoofdpijn na 2 uur verschilde de number needed to treat (NNT) van 2,0 voor subcutaan sumatriptan 6 mg tot 5,4 voor naratriptan 2,5 mg. Voor blijvende pijnvermindering gedurende 24 uur, varieerde de NNT van 2,8 voor 80 mg eletriptan tot 8,3 voor 5 mg rizatriptan.5

In een Cochrane-onderzoek naar het effect van 20 mg, 40 mg en 80 mg eletriptan versus placebo bleek dat alle drie de doseringen effectief zijn in de behandeling van een acute migraineaanval. De NNT's voor een hoofdpijnrespons na 2 uur zijn respectievelijk: 4,4 (3,4-6,2), 2,9 (2,6-3,3) en 2,7 (2,4-3,0). De NNT's voor pijnvrij-zijn na 2 uur zijn: 9,9 (6,9-18), 4,5 (4,0-5,1), 3,8 (3,4-4,2). De effectiviteit van eletriptan is dosisgerelateerd, en ook het voorkomen van bijwerkingen is dosisgerelateerd, waarbij significant meer bijwerkingen voorkomen bij 80 mg dan bij 40 mg.6 Vijf mg en 10 mg rizatriptan zijn beide effectief in de behandeling van een acute migraineaanval. De NNT's voor een hoofdpijnrespons na twee uur zijn: 3,9 (3,3-4,7) en 2,7 (2,4-2,9). De NNT's voor pijnvrij-zijn na 2 uur zijn: 4,7 (4,0-5,7) en 3,1 (2,9-3,4). De NNT voor blijvende werking gedurende 24 uur zijn: 8,3 (6,0-14) en 5,6 (4,5-7,4). Het effect is dosisgerelateerd.7

Vanwege de langdurige ervaring en de veelheid aan toedieningsvormen zou in eerste instantie de voorkeur uit kunnen gaan naar sumatriptan. Wanneer een lage kans op terugkeer van de hoofdpijn gewenst is, zou voor eletriptan 80 mg gekozen kunnen worden. Wanneer men vooral snel pijnvrij wenst te zijn, zou men voor rizatriptan 10 mg kunnen kiezen en wanneer men vooral weinig bijwerkingen wenst, zou men kunnen kiezen voor almotriptan 12,5 mg. De gevonden verschillen zijn echter klein en de individuele respons is onvoorspelbaar, zodat soms meerdere triptanen uitgeprobeerd moeten worden om voor de individuele patiënt het beste resultaat te krijgen.

  1. Ferrari MD, Goadsby PJ, Roon KI, Lipton RB. Triptans (serotonin 5-HT1B/1D agonists) in acute migraine treatment: a meta-analysis of 53 trials. Lancet 2001;358:1668-75.
  2. Ferrari MD, Goadsby PJ, Roon KI, Lipton RB. Triptans (serotonin 5-HT1B/1D agonists) in migraine: detailed results and methods of a meta-analysis of 53 trials. Cephalalgia 2002;22:633-58.
  3. Goadsby PJ, Lipton RB, Ferrari MD. Migraine-Current understanding and treatment. N Engl J Med 2002;346:257-70.
  4. McCrory DC, Gray RN. Oral sumatriptan for acute migraine (Cochrane Review). In: The Cochrane Library, Issue 1, 2003. Chichester: Wiley.
  5. Oldman AD, Smith LA, McQuay HJ, Moore RA. Pharmacological treatments for acute migraine: quantitative systematic review. Pain 2002;97:247-57.
  6. Smith LA, Oldman AD, McQuay HJ, Moore RA. Eletriptan for acute migraine (Cochrane Review). In: The Cochrane Library, Issue 1, 2004. Chichester: Wiley.
  7. Oldman AD, Smith LA, McQuay HJ, Moore RA. Rizatriptan for acute migraine (Cochrane Review). In: The Cochrane Library, Issue 1, 2004. Chichester: Wiley.

Noot 33 Terug 

Naast misselijkheid, braken, moeheid, duizeligheid en een drukkend, pijnlijk gevoel op de borst (soms lijkend op angina pectoris; door constrictie van coronairvaten via 5-HT1B-receptoren) worden regelmatig tintelingen, paraesthesieën en warmtesensaties beschreven na gebruik van triptanen.

Zelden worden ook tachycardie, bradycardie, ernstige coronaire effecten, fenomeen van Raynaud, ischemische colitis en intestinale bloeding of necrose, visusstoornissen, opvliegers, blozen, pijnlijke of stijve nek en overgevoeligheidsreacties gemeld. Bij gebruik van injectie: pijn en roodheid van de injectieplaats, blauwe plekken en bloedingen. Bij gebruik van neusspray: epistaxis, beïnvloeding van de smaak, bittere smaak; te voorkomen door het hoofd licht voorover te houden bij het sprayen en de neus niet op te trekken na het sprayen.1,2

Myocardinfarct, ischemische hartaandoeningen of coronaire vaatspasmen in de anamnese en perifere vaataandoeningen, matige tot ernstige of ongecontroleerde hypertensie, ernstige leverfunctiestoornissen en doorgemaakte CVA of TIA zijn contra-indicaties voor het gebruik van triptanen.1,2

Gelijktijdig gebruik met ergotaminederivaten (inclusief methysergide) is gecontraïndiceerd vanwege een mogelijk toegenomen kans op coronaire vaatspasmen.1,2 Bij combinatie van sumatriptan en mogelijk ook zolmitriptan met andere serotonerge medicatie zoals de SSRI's, de serotonerge TCA's, sint-janskruid (Hypericum perforatum) en MAO-remmers is het serotoninesyndroom beschreven. Dit syndroom uit zich in ernstige reacties zoals spiertrekkingen, tremor, agitatie, verwardheid, koorts en zweten en de combinatie wordt daarom afgeraden. De interactie lijkt niet relevant voor almotriptan.4 Voor de overige triptanen geldt dat de interactie wel in de registratiedossiers wordt genoemd, maar onderbouwing in de literatuur is niet gevonden.4,5 Het serotoninesyndroom wordt echter in de literatuur ook incidenteel beschreven bij afzonderlijk gebruik van triptanen.5 Oplettendheid bij combinatie van een triptaan met een SSRI wordt dan ook aangeraden.1,3-5

Eletriptan wordt afgeraden in combinatie met sterke remmers van CYP3A4 zoals ketoconazol, itraconazol, erytromycine, claritromycine en proteaseremmers omdat de plasmaspiegel en halfwaardetijd van eletriptan dan kunnen toenemen.1,2

De frovatriptanspiegel kan sterk stijgen door combinatie met een sterke CYP1A2-remmer zoals fluvoxamine. Ook orale anticonceptiva kunnen de frovatriptanspiegel doen stijgen, dit leidt echter niet tot meer bijwerkingen.1,2

De rizatriptanspiegel kan bij gelijktijdig gebruik van propranolol worden verhoogd; aangeraden wordt om de dosering bij combinatie te verlagen tot 5 mg rizatriptan. Deze interactie is niet waargenomen bij metoprolol, atenolol of timolol.1,2

  1. Geneesmiddelinformatiecentrum van het Wetenschappelijk Instituut Nederlandse Apothekers (WINAp). Informatorium Medicamentorum op Kombirom, geraadpleegd april 2004. 's-Gravenhage: Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie, 2004.
  2. Commissie Farmaceutische Hulp. Farmacotherapeutisch kompas 2004. Amstelveen: College voor zorgverzekeringen, 2004.
  3. De Gier JJ, redactie. Commentaren Medicatiebewaking 2003/2004. Houten: Stichting Health Base, 2003.
  4. WINAp-interactie-databank op KOMBI/rom, Geneesmiddelinformatiecentrum van het Wetenschappelijk Instituut Nederlandse Apothekers (WINAp). Geraadpleegd maart 2004-03-0.
  5. Het serotoninesyndroom. Gebu 2003;37:82-5.

Noot 34 Terug 

Tot nu toe zijn twee onderzoeken verschenen waarbij de werking van een oraal triptaan is vergeleken met 2 mg ergotamine/200 mg coffeïne (cafergot). In het multicentrisch, gerandomiseerd placebogecontroleerd onderzoek van Diener et al. werd bij 733 patiënten met migraine het effect onderzocht van 40 mg en 80 mg eletriptan, cafergot en placebo.1 De belangrijkste conclusie is dat eletriptan effectiever is dan cafergot in de verbetering van de hoofdpijn en hoofdpijnvrij zijn na 1 en 2 uur. Binnen 2 uur gaf 68% van de patiënten die 80 mg eletriptan gebruikten een verbetering van de hoofdpijn aan tegenover 54% van 40 mg-eletriptangebruikers, 33% van cafergotgebruikers en 21% van placebogebruikers. Echter als cafergot werkt, werkt het wel langer dan eletriptan, met 12% terugkeer van hoofdpijn na 2 uur versus 21 en 22% bij 40 en 80 mg eletriptan.

Het andere onderzoek is eveneens een multicentrisch, dubbelblinde trial met 580 patiënten waarbij gebruik werd gemaakt van oplostabletten van sumatriptan, terwijl de gecoate vorm in Nederland op de markt is. De belangrijkste conclusie is dat sumatriptan effectiever is dan ergotamine/coffeïne. Binnen 2 uur was 66% van de patiënten die sumatriptan gebruikten (bijna) geheel zonder klachten en 48% van de ergotamine/coffeïnegebruikers. Bij 41% van de met sumatriptan behandelde patiënten kwam de hoofdpijn echter binnen 48 uur terug, tegenover 30% in de ergotamine/coffeïnegroep. Er was geen verschil in het percentage bijwerkingen. In de sumatriptangroep werden meer moeheid en malaise gemeld en in de ergotamine/coffeïnegroep meer gastro-intestinale bijwerkingen en duizeligheid.2

  1. Diener HC, Jansen JP, Reches A, Pascual J, Pitei D, Steiner TJ, et al. Efficacy, tolerability and safety of oral eletriptan and ergotamine plus caffeine (Cafergot) in the acute treatment of migraine: a multicentre, randomised, double-blind, placebo-controlled comparison. Eur Neurol 2002;47:99-107.
  2. The Multinational Oral Sumatriptan and Cafergot Comparative study Group. A randomized, double-blind comparison of sumatriptan and Cafergot in the acute treatment of migraine. Eur Neurol 1991;31:314-22.

Noot 35 Terug 

Al in de jaren zestig werd de gunstige werking van propranolol op migraine beschreven. Bij patiënten die leden aan angina pectoris en behandeld werden met een bètablokker constateerde men een vermindering van de migraineaanvallen. Het is gebleken dat de werking op migraine alleen optreedt bij bètablokkers zonder intrinsieke sympathicomimetische activiteit (ISA). Van deze stoffen zijn voor migraine de middelen propranolol en metoprolol geregistreerd.

Uit een meta-analyse bleek dat propanolol gemiddeld 44% reductie van migraineaanvallen bewerkstelligt.1 In een dubbelblind onderzoek bij 35 patiënten met migraine werd in een cross-overonderzoek met wash-out-periode tweemaal daags 50 mg metoprolol vergeleken met 0,5 mg en in een opbouwfase van eenmaal daags 0,5 mg naar tweemaal daags 0,5 mg, naar driemaal daags 0,5 mg op dag 5.2 Er werd geen statistisch significant verschil gevonden tussen metoprolol en pizotifeen wat betreft frequentiereductie van migraineaanvallen. Beide lieten een significante reductie in aanvallen zien (van 6 aanvallen naar 4 respectievelijk 4,9 aanvallen, p<0,001 en p<0,05 voor pizotifeen, respectievelijk metoprolol). Drie patiënten vielen voortijdig uit vanwege bijwerkingen (gewichtstoename, sederend effect, oedeemvorming) uit de pizotifeengroep tegen 1 in de metoprololgroep (nachtmerries).

Omdat de huisarts in het algemeen maar weinig ervaring zal opdoen met de preventieve behandeling van migraine, pizotifeen behoorlijke bijwerkingen heeft en natriumvalproaat teratogeen is, beveelt de werkgroep aan om de preventieve behandeling van migraine te beperken tot het gebruik van een bètablokker.

  1. Holroyd KA, Penzien DB, Cordingley GE. Propanolol in the management of recurrent migraine: a meta-analytic review. Headache 1991;31:333-40.
  2. Vilmig S, Standnes B, Hedman C. Metoprolol and pizotifen in the prophylactic treatment of classical and common migraine. A double-blind investigation. Cephalalgia 1985;5:17-23.
  3. Silberstein SD, Goadsby PJ. Migraine: preventive treatment. Cephalalgia 2002;22:491-512.

Noot 36 Terug 

Bij ernstige klachten in de stopweek, bijvoorbeeld bij migraine, is het mogelijk de anticonceptiepil gedurende drie maanden door te slikken, waardoor de frequentie van de klachten wordt gereduceerd tot vier keer per jaar. Dit wordt ook wel tri-cycling genoemd. Sulak et al. onderzochten de ervaring van 50 vrouwen met het doorslikken van de pil.1 Zij hadden hinderlijke klachten als dysmenorroe, ernstig bloedverlies, hoofdpijn en premenstruele klachten in de pauzeweek. Zij gebruikten de pil 6, 9 of 12 weken achtereen. Van de 50 vrouwen keerden 13 terug naar een normaal driewekelijks gebruik of stopten met de pil, meestal vanwege doorbraakbloedingen. De overige 37 vrouwen bleven de pil langer doorslikken en rapporteerden minder klachten.2

  1. Filshie M, Guillebaud J. Contraception: science and practice. London: Butterworth, 1989.
  2. Sulak PJ, Cressman BE, Waldrop E, Holleman S, Kuehl TJ. Extending the duration of active oral contraceptive pills to manage hormone withdrawal symptoms. Obstet Gynecol 1997;89:179-83.

Noot 37 Terug 

In diverse richtlijnen wordt migraine met aura aangemerkt als een absolute contra-indicatie voor pilgebruik. Het onderzoek van Chang et al. levert de belangrijkste bijdrage voor de onderbouwing van deze aanbeveling.1 Chang et al. onderzochten in een patiëntcontroleonderzoek het verband tussen migraine en een ischemisch of een bloedig CVA bij jonge vrouwen (20 tot 44 jaar). Patiënten werden geworven onder deelnemers aan een grote patiëntcontroleonderzoek naar cardiovasculaire ziekte en de orale anticonceptiepil. Tweehonderdeenennegentig vrouwen met een doorgemaakt CVA (86 ischemisch) werden vergeleken met 736 in hetzelfde ziekenhuis opgenomen, voor leeftijd gematchte vrouwen; opname in verband met een 'pilgerelateerde' aandoening gold als exclusiecriterium voor de controlegroep. Zowel patiënten als controles werden geïnterviewd over onder andere hun medische voorgeschiedenis en zij beantwoordden een lijst met vragen over hoofdpijnklachten. Patiënten rapporteerden significant vaker dan controles het voorkomen van migraine (25 tegen 13%) en het gebruik van de orale anticonceptiepil (22 tegen 16%). Wanneer gecorrigeerd werd voor een aantal confounders, maar niet voor het gebruik van de orale anticonceptiepil, bleek een voorgeschiedenis van migraine geassocieerd met een ischemisch CVA (OR 3,54; 95%-BI 1,30-9,61), maar niet met een bloedig CVA (OR 1,10; 95%-BI 0,63-1,94). Na correctie voor confounders was het risico op het ontwikkelen van een ischemisch CVA voor vrouwen met migraine die geen orale anticonceptiepil gebruikten niet significant verhoogd (OR 2,27; 95%-BI 0,69-7,47), terwijl dit voor pilgebruiksters met migraine sterk verhoogd (OR 16,9; 95%-BI 2,72-106) was. Dit gecombineerde risico van pilgebruik en migraine was groter dan 'multiplicatief', hoewel niet-significant. Deze resultaten suggereren een mogelijk extra verhoogd risico op het ontwikkelen van een ischemisch CVA onder pilgebruiksters met migraine. Gelijktijdige aanwezigheid van andere risicofactoren (hypertensie, roken) versterkt het effect van migraine op de kans op een CVA.

Gezien de evidente selectiebias (een verhoogd pilgebruik in de patiëntgroep) en de mogelijke recall bias - patiënten zijn wellicht eerder geneigd hoofdpijn te rapporteren dan controles - is de werkgroep van mening dat er vooralsnog onvoldoende grond is om vrouwen met migraine zonder bovengenoemde risicofactoren de pil te ontraden.

  1. Chang CL, Donaghy M, Poulter N, and the WHO Collaborative Study of Cardiovascular Disease and Steroid Hormone Contraception. BMJ 1999;318:13-8.
  2. Donaghy M, Chang CL, Poulter N; European Collaborators of The World Health Organisation Collaborative Study of Cardiovascular Disease and Steroid Hormone Contraception. Duration, frequency, recency, and the type of migraine and the risk of ischaemic stroke in women of childbearing age. J Neurol Neurosurg Psychiatr 2002;73:747-50.