Inhoudsopgave
NHG-Standaard Constitutioneel eczeem (Eerste herziening)
Cleveringa JP, Dirven-Meijer PC, Hartvelt-Faber G, Nonneman MMG, Weisscher P, Boukes FS. Huisarts Wet 2006:49(9):458-65
De standaard en de wetenschappelijke verantwoording zijn geactualiseerd ten opzichte van de vorige versie (in: Thomas S, Geijer RMM, Van der Laan JR, Wiersma Tj, redactie. NHG-Standaarden voor de huisarts II. Utrecht: Wetenschappelijke Uitgeverij Bunge, 1996: 98-104).
Belangrijkste wijzigingen en kernboodschappen
-
Onderzoek naar voedselallergie is alleen zinvol bij kinderen jonger dan 2 jaar, die naast eczeem andere aan inname van voedsel gerelateerde allergische klachten hebben.
-
Bij de behandeling van eczeem is het essentieel dat de huid met behulp van indifferente middelen in goede conditie wordt gehouden.
-
Daarnaast zijn lokale corticosteroïden eerste keus bij de behandeling, waarbij klasse-1- of klasse-2-corticosteroïden meestal voldoen.
-
Bij ernstig eczeem heeft starten met een klasse-3-corticosteroïd de voorkeur.
-
Zodra verbetering optreedt moet men de corticosteroïden geleidelijk afbouwen en de indifferente therapie voortzetten.
-
Bij frequente recidieven is ‘pulse’-therapie aangewezen: het gebruik van lokale corticosteroïden op twee tot vier opeenvolgende dagen per week als onderhoudsbehandeling.
-
Teerpreparaten kunnen op de corticosteroïdvrije dagen als aanvulling op de ‘pulse’-therapie worden gebruikt.
-
De topicale immunomodulatoren (TIM’s) tacrolimus en pimecrolimus worden in de huisartsenpraktijk afgeraden.
INLEIDING
De NHG-Standaard Constitutioneel eczeem geeft richtlijnen voor de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met constitutioneel eczeem. Men spreekt ook wel van atopisch eczeem of atopische dermatitis, omdat men veronderstelt dat aan de aandoening een atopische constitutie ten grondslag ligt. In deze standaard wordt steeds de term constitutioneel eczeem gebruikt.1)
De standaard geeft criteria voor het stellen van de diagnose constitutioneel eczeem. De klacht jeuk staat hierbij centraal. Aanvullend onderzoek naar allergieën is vrijwel nooit nodig. Bij het beleid nemen voorlichting en begeleiding een belangrijke plaats in. De behandeling bestaat verder uit het gebruik van indifferente middelen en lokale corticosteroïden. Orale medicatie is alleen aangewezen bij uitgebreid geïnfecteerd eczeem (antibiotica) of bij hevige jeuk (sederende antihistaminica).
De huisarts kan de meeste patiënten met constitutioneel eczeem zelf behandelen; minder dan 10% wordt verwezen naar de tweede lijn.2)
ACHTERGRONDEN
Diagnostische criteria
Constitutioneel eczeem is een huidaandoening met erytheem, papels, blaasjes, korstjes, schilfers of lichenificatie. Jeuk is een essentieel kenmerk. Voor de diagnostiek van constitutioneel eczeem in de huisartsenpraktijk zijn de criteria van Williams het meest bruikbaar. Een jeukende huid is het hoofdcriterium. Verder zijn er nevencriteria, waarvan er minstens drie aanwezig moeten zijn om de diagnose te stellen. Deze criteria zijn leeftijdsafhankelijk en betreffen de huid (droge huid gedurende een langere periode, afwijkingen op kenmerkende plaatsen) en het voorkomen van astma of hooikoorts bij de patiënt zelf of bij zijn directe familieleden. De letterlijke criteria zijn opgenomen in tabel 1, in de paragraaf Evaluatie zijn ze vertaald in een gebruiksvriendelijke versie.
Tabel 1 Criteria van Williams voor de diagnose constitutioneel eczeem3)
| Hoofdcriterium | jeuk |
| Nevencriteria | een voorgeschiedenis van huidafwijkingen in huidplooien, zoals elleboogplooien, knieholten, voorzijde enkels, nek, en bij kleine kinderen ook de wangen |
| astma of hooikoorts (bij kinderen jonger dan 4 jaar bij een eerstegraads familielid) | |
| klachten van een droge huid in het afgelopen jaar | |
| begin van de aandoening onder de leeftijd van 2 jaar (dit kenmerk vervalt als het kind nog geen 4 jaar is) | |
| zichtbare afwijkingen in huidplooien (bij kinderen jonger dan 4 jaar ook op wangen, voorhoofd en/of strekzijde van de ledematen) |
Epidemiologie
Constitutioneel eczeem is een frequent voorkomende aandoening in de huisartsenpraktijk. De totale prevalentie is ongeveer 16 per 1000 patiënten. De aandoening komt op alle leeftijden voor, maar vooral bij kinderen. Bij kinderen jonger dan 1 jaar is de prevalentie zelfs ruim 220 (bij jongens) en 140 (bij meisjes).4)
Constitutioneel eczeem en allergie
Constitutioneel eczeem komt frequent familiair voor en is één van de aandoeningen die past binnen het zogenoemde atopisch syndroom. Onder dit syndroom verstaat men de combinatie van astma, allergische rhinitis en/of conjunctivitis, voedselallergie en constitutioneel eczeem bij één persoon of binnen één familie. Er zijn aanwijzingen dat het atopisch syndroom een genetische basis heeft.5) Bij het ontstaan van constitutioneel eczeem spelen behalve genetische factoren ook omgevingsfactoren een rol.
Een IgE-gemedieerde allergie (type I) komt zeer regelmatig voor bij patiënten met constitutioneel eczeem. Bepaling van specifiek IgE heeft echter geen meerwaarde bij de diagnostiek of behandeling van constitutioneel eczeem.6) Voedsel- en inhalatieallergenen kunnen huidklachten veroorzaken, zoals het optreden van urticaria, jeuk en verergering van constitutioneel eczeem. Sensibilisatie voor voedselallergenen betreft meestal voedingseiwitten, bijvoorbeeld in melk, ei, vis, noten, pinda of soja. De waarde van eliminatie van deze stoffen uit de voeding is echter zeer beperkt – ook bij jonge kinderen – als er geen bijkomende allergische klachten zijn.7) Inhalatieallergie betreft meestal huisstofmijt, pollen en huidschilfers van dieren. Het is niet aangetoond dat huisstofmijtwerende maatregelen het eczeem verminderen.8)
De relatie tussen borstvoeding en de kans op het ontstaan van constitutioneel eczeem is niet duidelijk. Mogelijk heeft borstvoeding een beschermend effect bij kinderen met een sterk positieve familieanamnese voor het atopisch syndroom.9)
RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEK
Anamnese
De huisarts gaat na:
-
Wanneer zijn de huidklachten begonnen en hoe is het beloop?
-
Wat is de lokalisatie van de afwijkingen, nu en in het verleden?
-
Is er jeuk, wordt er veel gekrabd, wordt de nachtrust verstoord?
-
Heeft de patiënt ook last van een droge huid?
-
Heeft de patiënt ook last van astma, allergische rhinitis of allergische conjunctivitis?
-
Komt constitutioneel eczeem, astma, allergische rhinitis of allergische conjunctivitis bij eerstegraads familieleden voor?
-
Zijn er (in het geval van een kind jonger dan 2 jaar) aanwijzingen voor voedselallergie, zoals het optreden van acute allergische reacties, klachten van het maag-darmstelsel of klachten van de luchtwegen (hoesten en piepen) na inname van bepaalde voedingsmiddelen?
Lichamelijk onderzoek
De huisarts inspecteert de huidafwijkingen en let daarbij op:
-
lokalisatie: voor het tweede jaar meestal in het gelaat (het ‘narcosekapje’ blijft vrij), op het behaarde hoofd, eventueel met uitbreiding naar romp en strekzijden extremiteiten (het luiergebied blijft meestal vrij); na het tweede jaar zijn vooral de knie- en elleboogplooien, polsen en enkels aangedaan;10)
-
soort huidafwijkingen: excoriaties (krabeffecten) – omdat ze wijzen op het bestaan van jeuk – voorts erytheem, oedeem, papels, blaasjes, korstjes, schilfering of lichenificatie (wijst op chronisch eczeem); meestal worden meerdere afwijkingen naast elkaar gezien;
-
vochtigheidstoestand van de eruptie: nat of droog;
-
tekenen van lokale infectie: pustels, purulent exsudaat, crustae.
Aanvullend onderzoek
Bij kinderen van 2 jaar of ouder en bij volwassenen heeft verder onderzoek naar allergenen geen zin gezien het ontbreken van therapeutische consequenties. Bij constitutioneel eczeem hebben eliminatiemaatregelen namelijk nauwelijks invloed op het beloop. Alleen bij kinderen jonger dan 2 jaar bij wie er tevens aan voedsel gerelateerde allergische klachten bestaan, zoals acute allergische reacties, maag-darmklachten of klachten van de luchtwegen, is onderzoek naar voedselallergie te overwegen.11) Zie hiervoor de NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid bij Zuigelingen (M47).
Evaluatie
Jeuk is het hoofdkenmerk van constitutioneel eczeem. De diagnose constitutioneel eczeem wordt gesteld op grond van anamnese en inspectie, als naast de jeuk minstens drie nevenkenmerken aanwezig zijn.
Bij kinderen jonger dan 4 jaar:
-
zichtbare afwijkingen in huidplooien, op wangen, voorhoofd en/of strekzijde van de ledematen;
-
klachten van een droge huid in het afgelopen jaar;
-
een voorgeschiedenis van huidafwijkingen in huidplooien of op de wangen;
-
astma of hooikoorts bij een eerstegraads familielid.
Bij patiënten van 4 jaar en ouder:
-
zichtbare afwijkingen in huidplooien (elleboogplooien, knieholten, voorzijde enkels, nek, rond ogen);
-
klachten van een droge huid in het afgelopen jaar;
-
een voorgeschiedenis van huidafwijkingen in huidplooien, bij kleine kinderen ook op de wangen;
-
begin van de aandoening onder de leeftijd van 2 jaar;
-
astma of hooikoorts, nu of in het verleden.
Indien men deze criteria hanteert, is het onderscheid met andere huidaandoeningen meestal geen probleem. De criteria zijn ook goed toepasbaar bij de diagnostiek van constitutioneel eczeem bij patiënten met een donkere huid. Bij seborroïsch eczeem bij baby’s komen huidafwijkingen in het luiergebied en oksels voor, terwijl deze gebieden bij constitutioneel eczeem meestal vrij van afwijkingen zijn. Bovendien is een kenmerkend verschil dat de jeuk ontbreekt.
Ten behoeve van de behandeling beoordeelt de huisarts de ernst van het eczeem op grond van een drietal aspecten: de mate van erytheem, de ernst van oedeem of papels en de ernst van excoriaties op een plaats waar het eczeem het duidelijkst is. De totale huidoppervlakte die is aangedaan speelt bij de beoordeling van de ernst van eczeem een ondergeschikte rol.12) Bij patiënten met een donkere huid is het beoordelen van erytheem lastig, zodat de ernst van het eczeem kan worden onderschat. In plaats van op roodheid moet men letten op plaatselijk donkerder gekleurde huid.13)
RICHTLIJNEN BELEID
Voorlichting en begeleiding
De huisarts geeft informatie over de vermoedelijk erfelijke grondslag en het beloop van constitutioneel eczeem. Meer dan de helft van de patiënten heeft op jongvolwassen leeftijd geen klachten meer.14) Na het dertigste jaar komt constitutioneel eczeem nog maar weinig voor. Als het eczeem op de kinderleeftijd minder ernstig is, wordt de kans dat het aanhoudt kleiner. Als één of beide ouders constitutioneel eczeem hebben of als er allergische klachten of klachten van hoesten en piepen zijn, wordt de kans dat het eczeem aanhoudt groter.15) Van alle kinderen met constitutioneel eczeem krijgt ongeveer 30% op latere leeftijd astma en 15% allergische rhinitis.16) Manifestaties van eczeem en astma kunnen elkaar afwisselen.
Eliminatie van huisstof heeft weinig invloed op constitutioneel eczeem. Het aandeel van voedselallergie wordt vaak overschat. De huisarts ontraadt het zelfstandig experimenteren met eliminatiediëten in verband met de kleine kans op succes en het risico dat er eventueel deficiënties ontstaan. Warmte, wol en waarschijnlijk ook ontvettende stoffen zoals zeep en badschuim kunnen de huid prikkelen of uitdrogen en de klachten verergeren. In het algemeen wordt aangeraden niet te lang, te warm en te frequent te baden, zo weinig mogelijk zeep te gebruiken, de huid voorzichtig te drogen en daarna in te smeren met een indifferente vetcrème. Baby’s hoeven niet elke dag in bad en het gebruik van badolie (met sojaolie of arachideolie) kan zinvol zijn. Door intercurrente (infectie)ziekten kan het eczeem opvlammen. Psychologische invloeden die stress veroorzaken, kunnen een rol spelen. De seizoenen kunnen een wisselende invloed hebben: bij sommigen verergert het eczeem in de winter, bij anderen juist in de zomer.17)
Jeuk geeft aanleiding tot krabben, waardoor het eczeem verergert. Krabben kan worden tegengegaan door de nagels kort te houden en door het kind eventueel handschoentjes of wantjes te laten dragen. Leg de ouders van kinderen met constitutioneel eczeem uit dat de aandoening niet vies of besmettelijk is en dat huidcontact belangrijk is voor de ontwikkeling van het kind. Bij oudere kinderen en volwassenen wordt aandacht besteed aan de gevoelens die met het eczeem gepaard kunnen gaan, zoals schaamte, angst en verminderd zelfvertrouwen. Tevens wordt ingegaan op de gevolgen hiervan voor het sociaal functioneren. Bij het geven van voorlichting kan de huisarts gebruikmaken van de NHG-Patiëntenbrieven over constitutioneel eczeem en desgewenst attenderen op de patiëntenvereniging.18)
Medicamenteuze behandeling
Principes van de behandeling
Het doel van de lokale behandeling is de huid te genezen en jeuk en krabben tegen te gaan. Bij constitutioneel eczeem is de huid vaak erg droog. Een droge huid is gevoeliger voor allerlei prikkels, waardoor jeuk kan ontstaan. Huidverzorging met indifferente middelen is de basis van de behandeling en is ook van belang als het eczeem rustig is.19)
Bij een milde manifestatie van constitutioneel eczeem gaat de huisarts na of met indifferente middelen kan worden volstaan. Bij matig tot ernstig eczeem kan direct worden begonnen met lokale corticosteroïden. Daarbij kiest men bij matig eczeem altijd voor een klasse-1- of klasse-2-preparaat, bij ernstig eczeem heeft een zogenoemd ‘step-down’-beleid de voorkeur. Hierbij begint men direct met het dagelijks gebruik van een klasse-3-preparaat. Zodra verbetering optreedt wordt de behandeling afgebouwd en wordt zo nodig overgegaan op een onderhoudsbehandeling met corticosteroïden. Tevens wordt indifferente therapie toegepast, die mede tot doel heeft het gebruik van lokale corticosteroïden te beperken (zie noot 18). Soms stuit de behandeling met corticosteroïden op weerstand. Men is bang voor bijwerkingen, zoals huidatrofie. Leg uit dat corticosteroïden noodzakelijk zijn om de vicieuze cirkel die het eczeem in stand houdt, te doorbreken. Sterke preparaten zijn meestal niet of slechts gedurende korte tijd nodig. Bij intermitterende toepassing treden zelden bijwerkingen op, ook niet bij jonge kinderen.
Teerpreparaten hebben een zeer beperkte plaats als aanvulling op een onderhoudsbehandeling met lokale corticosteroïden. In de praktijk ervaart men geen verschil in effectiviteit tussen klasse-1-corticosteroïden en teer. Door de geur kan het gebruik van teerpreparaten in de praktijk onaangenaam zijn. In verband met gegevens over carcinogeniciteit bij beroepsmatige toepassing gelden voor de bereiding van teerpreparaten in de apotheek strikte regels. Gebruik bij huidaandoeningen is voldoende veilig gebleken.20)
Nieuw is de lokale toepassing van de calcineurineremmers tacrolimus en pimecrolimus, die ook wel topicale immunomodulatoren (TIM’s) worden genoemd. Vooralsnog worden deze middelen in de huisartsenpraktijk afgeraden vanwege onduidelijkheid over hun plaats bij de behandeling van eczeem en vanwege onzekerheid over de veiligheid op lange termijn.21)
Indifferente therapie
De basis van de behandeling en de preventie van eczeem is het frequent gebruik van indifferente middelen en het opvolgen van de algemene adviezen om huidirritatie te verminderen (zie Voorlichting en begeleiding). Het gebruik van indifferente middelen vermindert het gevoel van droogheid, de jeuk en de irritatie doordat het vochtgehalte van de huid wordt verhoogd (zie noot 18). Onafhankelijk van de ernst van het eczeem moet de patiënt over het gebruik van deze middelen worden voorgelicht; bij mild eczeem kan de initiële behandeling bestaan uit het toepassen van indifferente middelen. Tabel 2 bevat een overzicht van te gebruiken middelen, afhankelijk van de conditie van de huid.
Tabel 2 Indifferente middelen
| Conditie huid | Applicatievorm | Effect | Preparaat |
| Niet droog, niet nat | crème | neutraal | cetomacrogolcrèmelanettecrème |
| Droog | vette crèmezalf | hydraterendhydraterend | vaselinecetomacrogolcrèmevaselinelanettecrèmekoelzalf (= Unguentum leniens) |
| Zeer droog | vette zalf | sterk hydraterend | cetomacrogolzalflanettezalf |
Meestal zal de huid bij eczeem droog zijn. De huisarts schrijft dan een vetcrème voor, bij voorkeur vaselinecetomacrogolcrème, en als alternatief vaselinelanettecrème. Nog iets vetter is koelzalf. Bij een zeer droge huid is cetomacrogolzalf of lanettezalf een goede keus. Alternatieven, op plaatsen waar de huid minder droog is, bijvoorbeeld in het gelaat, zijn cetomacrogolcrème of lanettecrème.22) Gezien het belang van de indifferente therapie, moet de huisarts de middelen niet zuinig voorschrijven; tubes met een inhoud van 100 g zijn geschikte hoeveelheden.
De huisarts geeft het advies de gekozen (vet)crème of zalf minstens eenmaal daags te gebruiken, desgewenst vaker, waarbij wordt uitgelegd dat er in principe geen beperking is voor het aantal malen dat men het middel per dag aanbrengt.
Corticosteroïden
Corticosteroïden onderdrukken de ontstekingsreactie en bestrijden de jeuk. Omdat de huid vrijwel altijd droog is, schrijft de huisarts een zalf of vetcrème voor, slechts bij uitzondering een crème. Corticosteroïden zijn ingedeeld in klassen van oplopende sterkte. Tabel 3 bevat voorbeelden van te kiezen preparaten, ingedeeld naar klasse en met hun mogelijke basis.23) Corticosteroïden uit klasse 4 zijn bij de behandeling van constitutioneel eczeem in de huisartsenpraktijk niet nodig. Bij de stapsgewijze behandeling met corticosteroïden laat de huisarts zich leiden door de ernst van het eczeem, het effect van de gekozen behandeling en de frequentie waarin exacerbaties optreden.
Tabel 3 Voorbeelden corticosteroïden per klasse
| Sterkte | Middel | Basis |
| Klasse 1 | hydrocortisonacetaat 1% | zalf/vaselinecrème/crème |
| Klasse 2 | triamcinolonacetonide 0,1% | zalf/vaselinecrème/crème |
| Klasse 3 | betamethasonvaleraat 0,1% | zalf/crème |
Behandelstappen24)
-
Bij mild eczeem (licht erytheem, weinig tot geen oedeem, geen tot geringe krabeffecten) begint de huisarts met indifferente therapie. Verbetert een mild eczeem hiermee na twee weken onvoldoende, dan gaat de huisarts over naar de behandeling zoals bij matig eczeem.
-
Bij matig eczeem (matig erytheem, licht oedeem en krabeffecten) wordt begonnen met een klasse-1-corticosteroïd, tweemaal daags. Bij onvoldoende resultaat na één tot twee weken is een klasse-2-corticosteroïd geïndiceerd. De huisarts geeft het advies de dosering te verlagen naar gebruik éénmaal daags zodra verbetering optreedt, waarbij gewezen wordt op het belang van indifferente therapie. De behandeling met corticosteroïden wordt voortgezet tot de afwijkingen zijn verdwenen, terwijl de indifferente therapie ook daarna wordt voortgezet.
-
Bij ernstig eczeem (fors erytheem, oedeem/papels, duidelijke krabeffecten) begint de huisarts met een klasse-3-corticosteroïd, één- tot tweemaal daags (eenmaal daags is vaak voldoende), bij voorkeur niet langer dan twee tot drie weken, gecombineerd met indifferente therapie. De huisarts evalueert de behandeling wekelijks aan de hand van de drie bovengenoemde kenmerken. Geef zodra verbetering optreedt het advies de behandeling geleidelijk af te bouwen. Bij tweemaal daags gebruik wordt de dosering eerst verminderd naar eenmaal daags en vervolgens krijgt de patiënt het advies het corticosteroïd gedurende een toenemend aantal opeenvolgende dagen per week te staken, waarbij de huisarts opnieuw wijst op het belang van indifferente therapie. Een tweede mogelijkheid is het overstappen op een preparaat uit een lagere klasse en vervolgens de aanwijzingen te volgen voor mild/matig eczeem.
-
Bij een recidief van het eczeem wordt het dagelijks gebruik van corticosteroïden tijdelijk hervat. Bij frequente recidieven is behandeling op twee tot vier achtereenvolgende dagen van de week aangewezen, met op de andere dagen uitsluitend indifferente therapie (‘pulse’-therapie). Indien dit niet voldoet, kan men op de corticosteroïdvrije dagen ’s avonds eventueel een koolteerpreparaat gebruiken (solutio carbonis detergens 10% in vaselinelanettecrème).
Veilig gebruik van corticosteroïden25)
Indien de huisarts bovenstaande aanwijzingen aanhoudt en men de middelen spaarzaam toepast in het gelaat (vooral oogleden) en in huidplooien, zijn bijwerkingen van klasse-1- of klasse-2-corticosteroïden zeldzaam.
Zolang de dagelijkse behandeling met klasse-3-corticosteroïden niet langer dan twee tot drie weken achtereen duurt, is er weinig kans op lokale bijwerkingen, zoals atrofie, teleangiëctasieën, hypopigmentatie en striae. Striae zijn niet reversibel en komen vooral voor bij gebruik in de liezen en op de binnenzijde van de bovenbenen en -armen. Wanneer de corticosteroïden slechts enkele dagen per week worden gebruikt, hoeft men niet bang te zijn voor deze bijwerkingen.
Vervolgens gelden enkele adviezen voor de maximaal te gebruiken hoeveelheden per week bij langdurig gebruik, zodat de veiligheid wat betreft systemische bijwerkingen voldoende gewaarborgd is (zie tabel 4).
Tabel 4 Maximaal toe te passen hoeveelheid corticosteroïden per week bij langdurig gebruik
| Leeftijdsgroep | Klasse 1 | Klasse 2 | Klasse 3 |
| Kinderen <2 jaar | 30 g | 30 g | uitsluitend als crisismanagement |
| Kinderen ≥2 jaar | 60 g | 60 g | 50 g |
| Volwassenen | geen beperking | 100 g | 100 g |
Antihistaminica26)
Uitsluitend bij verstoring van de nachtrust door hevige jeuk, ondanks adequate lokale behandeling, kan de huisarts een sederend antihistaminicum voorschrijven, bij voorkeur alleen voor de nacht. Vermijd het gebruik van sederende antihistaminica bij kinderen jonger dan 1 jaar: er zijn aanwijzingen dat deze middelen kunnen leiden tot periodes met ademstilstand tijdens de slaap. In tabel 5 zijn voorbeelden genoemd van middelen die kunnen worden gebruikt.
Tabel 5 Voorbeelden sederende antihistaminica
| Dimetindeen, druppelvloeistof 1 mg/ml | 1-3 jaar: 10-15 druppels; 3-12 jaar: 15-20 druppels; >12 jaar: 1-2 ml |
| Hydroxyzine, siroop 2 mg/ml, tablet 10/25 mg | 2 jaar: 6 mg; 6 jaar: 10 mg; >12 jaar: 25 mg |
| Promethazine, siroop 1 mg/ml, tablet 25 mg | >1 jaar: 0,2 mg/kg lichaamsgewicht; >12 jaar: 25-50 mg |
Antibiotica27)
Bij de aanwezigheid van pustels, purulent exsudaat en crustae is er sprake van geïnfecteerd eczeem, ook wel geïmpetiginiseerd eczeem genoemd. De verwekker is doorgaans Staphylococcus aureus. De infectie kan het eczeem verergeren, maar is op zichzelf onschuldig. Door het eczeem goed te behandelen kan de infectie overgaan; antimicrobiële behandeling is zelden nodig.
Bij lokaal beperkte impetiginisatie van een eczeem geeft de huisarts het advies de anti-eczeembehandeling gedurende een week te intensiveren. Bij onvoldoende effect schrijft de huisarts naast de anti-eczeembehandeling fusidinezuurcrème driemaal daags gedurende een week voor.
Bij uitgebreide impetiginisatie of persisterende afwijkingen ondanks lokale behandeling28) schrijft de huisarts orale antibiotica voor:
-
volwassen en kinderen van 12 jaar en ouder: flucloxacilline driemaal daags 500 mg gedurende zeven dagen;
-
kinderen van 2-12 jaar: azitromycine eenmaal daags 10 mg/kg lichaamsgewicht gedurende drie dagen of flucloxacilline driemaal daags 250 mg gedurende zeven dagen;
-
kinderen jonger dan 2 jaar: azitromycine eenmaal daags 10 mg/kg lichaamsgewicht gedurende drie dagen.
Daarnaast wordt de lokale behandeling van het eczeem zorgvuldig voortgezet.
Controle en verwijzing
Bij een eerste manifestatie en bij elke volgende stap wordt na één of twee weken het effect van de behandeling geëvalueerd, afhankelijk van de ernst van het eczeem.
Patiënten met constitutioneel eczeem die onvoldoende reageren op bovengenoemde maatregelen, kunnen naar een dermatoloog of ter zake kundige kinderarts worden verwezen.
Totstandkoming
In juni 2005 begon een werkgroep van huisartsen met de herziening van de NHG-Standaard Constitutioneel eczeem. De werkgroep bestond uit de volgende leden: J.P. Cleveringa, huisarts in Oosterhesselen, P.C. Dirven-Meijer, huisarts in Renswoude, G. Hartvelt-Faber, huisarts in Ede, M.M.G. Nonneman, huisarts in Roosendaal en P. Weisscher, huisarts in Nieuwegein.
In maart 2006 werd de conceptstandaard voor commentaar gestuurd naar vijftig aselect gekozen huisartsen uit het NHG-ledenbestand. Er werden 20 commentaarformulieren retour ontvangen. Tevens werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten: dr. W.P. Arnold, dermatoloog, prof.dr. C.A.F.M. Bruijnzeel-Koomen, dermatoloog, prof.dr. P.J.Coenraads, dermatoloog, dr. M.O. Hoekstra, kinderarts, A.A.M. Joosten, namens het Wetenschappelijk Instituut Nederlandse Apothekers, A.C. van Loenen, klinisch farmacoloog en hoofdredacteur van het Farmacotherapeutisch Kompas, prof.dr. P. van Royen, namens de Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen, dr. J.H. Sillevis Smitt, dermatoloog en Y. de Vries, namens de Vereniging van Mensen met Constitutioneel Eczeem. Vermelding als referent betekent overigens niet dat de referent de standaard inhoudelijk op elk detail onderschrijft.
In mei 2006 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie.
F.S. Boukes, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG, begeleidde de werkgroep en voerde de redactie van de standaard.
Een CBO-Richtlijn Constitutioneel eczeem is in de afrondende fase. Van de bovengenoemde personen hebben Boukes, Dirven-Meijer, Bruijnzeel-Koomen, Hoekstra en Sillevis Smitt zitting in de CBO-werkgroep. De CBO-richtlijn en de NHG-standaard stemmen goed overeen.
© 2006 Nederlands Huisartsen Genootschap
In de Angelsaksische literatuur spreekt men doorgaans van ‘atopic eczema’ of ‘atopic dermatitis’. De World Allergy Organization heeft voorgesteld deze term te vervangen door ‘eczema’, waarbij vervolgens een onderverdeling kan worden gemaakt in ‘atopic’ en ‘non-atopic eczema’ [Johansson 2004]. In Nederland is de term ‘constitutioneel eczeem’ de meest gebruikte. In de recente richtlijn van het CBO kiest men ook voor deze laatste term [CBO 2006].
In het Transitieproject zijn gegevens over verrichtingen en verwijzingen vastgelegd. Bij 2% van de patiënten met een episode van eczeem werd bloedonderzoek verricht. In 87% van de gevallen werd bij het eerste consult een medicament voorgeschreven. Bij een eerste consult werd slechts 1% verwezen naar een specialist, bij herhalingscontacten ruim 7% [Okkes 2005].
Bij de diagnostiek van constitutioneel eczeem gebruikt men klinische criteria. Het meest bekend en geciteerd zijn de criteria van Hanifin en Rajka, die bestaan uit 4 hoofd- en 23 nevencriteria [Hanifin 1980]. Williams et al. stelden een alternatieve, veel handzamer set criteria op, die ook in de standaard wordt aanbevolen. Daartoe werd met behulp van 16 experts, het onderscheidend vermogen van 31 anamnestische en klinische kenmerken beoordeeld in een onderzoekspopulatie van 120 patiënten met constitutioneel eczeem en 102 controles met een andere huidaandoening [Williams 1994a]. Vervolgens werd de gekozen set criteria gevalideerd bij polikliniekpatiënten en bij 695 schoolkinderen [Williams 1994b, Gu 2001, Williams 1996]. De criteria bleken goed te voldoen en waren eenvoudig te gebruiken.
De werkgroep kiest ervoor de criteria van Williams te gebruiken voor de diagnose constitutioneel eczeem. Ze komen nagenoeg overeen met de inclusiecriteria van de klasse ‘Atopic Dermatitis/Eczema’ (code S87) van de International Classification of Primary Care (ICPC).
Volgens de Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartsenpraktijk is de totale prevalentie van constitutioneel eczeem 15,8 per 1000 patiënten. In de leeftijd <1 jaar is de prevalentie verreweg het hoogst: 226,7 bij jongens en 141,2 bij meisjes. De prevalentie daalt geleidelijk en is in de leeftijdsgroep 15-24 jaar 9,7 bij jongens en 20,7 bij meisjes, om daarna verder te dalen naar ongeveer 8 voor beide geslachten. Bij niet-westerse allochtonen lijkt eczeem vaker voor te komen. Bij hen is de totale prevalentie (alle leeftijdscategorieën en beide geslachten) 23,6 per 1000 [Van der Linden 2004]. Illi et al. onderzochten het natuurlijk beloop van constitutioneel eczeem in een cohort van 1314 kinderen uit de algemene populatie in Duitsland. Zij werden vervolgd tot leeftijd van 7 jaar. In het eerste levensjaar werd bij 13,4% constitutioneel eczeem vastgesteld; de prevalentie steeg tot 21,5% op tweejarige leeftijd. Daarna verdween het eczeem bij 43,2% volledig. De belangrijkste voorspellers voor het persisteren van de aandoening waren: de ernst van het eczeem, de aanwezigheid van verhoogd specifiek IgE, het gelijktijdig voorkomen van piepende ademhaling en familiaire belasting [Illi 2004].
Inmiddels is aangetoond dat diverse genetische loci samenhangen met constitutioneel eczeem, met astma, met een hoge totaal-IgE-concentratie en met atopie [Cookson 2002, Gerth van Wijk 2002, Novak 2003, Novak 2005].
Flohr et al. onderzochten in een systematisch review de rol van atopie (gedefinieerd als een positieve huidpriktest of verhoogd specifiek IgE in het serum) bij constitutioneel eczeem. In dertien cross-sectionele onderzoeken in de algemene populatie liep de prevalentie van atopie bij patiënten met constitutioneel eczeem uiteen van 7 tot 78%. In de twaalf cross-sectionele onderzoeken in ziekenhuispopulaties varieerde de prevalentie van atopie van 47 tot 75%. Dit verschil werd deels verklaard door het verschil in de ernst van het eczeem (ernstiger eczeem blijkt vaker met atopie gepaard te gaan). Tevens bleek dat kwalitatief betere onderzoeken een sterkere associatie tussen atopie en constitutioneel eczeem laten zien. Verder werd in deze review geconcludeerd dat bepaling van specifiek IgE geen toegevoegde waarde heeft bij de diagnostiek van constitutioneel eczeem. Er zijn geen onderzoeken gevonden waarin de relatie tussen atopie en de effectiviteit van diverse behandelmethoden is onderzocht [Flohr 2004].
Bij patiënten met constitutioneel eczeem komt voedselallergie frequent voor, vooral bij kinderen jonger dan 2 jaar. Geschat wordt dat 30% van hen allergisch is voor voedingsmiddelen, waarbij eiwitten in melk, kippenei, vis, pinda, soja of tarwe in 90% van de gevallen de oorzaak zijn. Een allergische reactie op voeding kan zich op drie manieren uiten:
-
een acute allergische reactie met urticaria, angio-oedeem en erytheem;
-
jeuk, die snel ontstaat, met als gevolg krabben en verergering van eczeem;
-
verergering van constitutioneel eczeem 6-48 uur na ingestie [Werfel 2004].
In de systematisch review van Hoare et al. is onder andere het effect van dieetmaatregelen onderzocht. De beschikbare trials zijn van matige kwaliteit en geven inconsistente uitkomsten. Eén trial liet een gunstig effect zien van eliminatie van kippeneiwit bij kinderen die hiervoor gesensibiliseerd zijn, gemeten via het specifiek IgE, maar had slechts een follow-up van vier weken [Hoare 2000].
Het toepassen van eliminatiediëten heeft nadelen: er is een risico op deficiënte voeding en er kan sociale stigmatisatie ontstaan [CBO 2006, Williams 2005].
De werkgroep is van mening dat het adviseren van eliminatiediëten moet worden beperkt tot de groep jonge kinderen met eczeem die ook andere aan voedsel gerelateerde allergische klachten hebben, zoals acute allergische reacties, maag-darmklachten of klachten van de luchtwegen (zie NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid bij Zuigelingen (M47)).
Er zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar het effect van huisstofmijtreducerende maatregelen op constitutioneel eczeem. In de systematisch review van Hoare et al. includeerde men vijf gerandomiseerde, gecontroleerde onderzoeken, alle met tekortkomingen (kleine onderzoeken, randomisatiemethode slecht beschreven, geen ‘intention-to-treat’-analyse, twijfels over blindering, wisselende methoden en maten voor huisstofmijtreductie). Een klinisch relevante verbetering op het eczeem werd niet aangetoond [Hoare 2000]. Later werden nog vier placebogecontroleerde onderzoeken uitgevoerd, met dezelfde tekortkomingen en wisselende resultaten [Ricci 2000, Holm 2001, Gutgesell 2001, Oosting 2002]. In de onderzoeken waarin verbetering van het eczeem werd aangetoond, is niet duidelijk of dit een klinisch relevant effect betrof [Ricci 2000, Holm 2001].
De werkgroep concludeert dat niet is aangetoond dat huisstofmijtwerende maatregelen zinvol zijn en raadt deze maatregelen niet aan bij de behandeling van constitutioneel eczeem.
Uit een meta-analyse van achttien prospectieve onderzoeken bleek dat volledige borstvoeding gedurende de eerste drie levensmaanden de kans op het ontstaan van constitutioneel eczeem vermindert bij kinderen met een eerstegraads familielid met atopie. De oddsratio (OR) was 0,58 (95%-BI 0,52-0,88) [Gdalevich 2001]. In een prospectief cohortonderzoek in de algemene populatie in Denemarken (15.430 kinderen) vonden Benn et al. bij de kinderen van wie beide ouders én een broertje of zusje allergische klachten hadden een relatief risico van 0,69 (95%-BI 0,47-1,00) op het ontstaan van constitutioneel eczeem wanneer borstvoeding langer dan vier maanden werd gegeven vergeleken met een kortere periode [Benn 2004]. In een Cochrane-review werd van dieetmaatregelen (geen melk en geen eieren) door de moeder tijdens de zwangerschap geen beschermende werking aangetoond. Een dieet tijdens de lactatieperiode bleek in enkele onderzoeken wel effectief, maar door methodologische tekortkomingen kunnen hierop geen aanbevelingen worden gebaseerd. Meer en beter onderzoek is nodig [Kramer 2003].
In de literatuur wordt meestal onderscheid gemaakt tussen een ‘infantile phase’, ‘childhood phase’ en ‘adolescent and adult phase’ [Friedmann 2004]. De grens tussen de eerste twee fases ligt ongeveer bij 18 maanden en wordt gekenmerkt door een geleidelijke verschuiving van de lokalisatie van de eruptie. Dit fenomeen is karakteristiek voor constitutioneel eczeem. Indien andere kenmerken van constitutioneel eczeem ontbreken, in het bijzonder jeuk jeuk, pleit de aanwezigheid van huidafwijkingen in het luiergebied eerder voor seborroïsch eczeem.
Bij patiënten met constitutioneel eczeem komt voedselallergie frequent voor, vooral bij kinderen jonger dan 2 jaar. Geschat wordt dat 30% van hen allergisch is voor voedingsmiddelen, waarbij eiwitten in melk, kippenei, vis, pinda, soja of tarwe in 90% van de gevallen de oorzaak zijn. Een allergische reactie op voeding kan zich op drie manieren uiten:
-
een acute allergische reactie met urticaria, angio-oedeem en erytheem;
-
jeuk, die snel ontstaat, met als gevolg krabben en verergering van eczeem;
-
verergering van constitutioneel eczeem 6-48 uur na ingestie [Werfel 2004].
In de systematisch review van Hoare et al. is onder andere het effect van dieetmaatregelen onderzocht. De beschikbare trials zijn van matige kwaliteit en geven inconsistente uitkomsten. Eén trial liet een gunstig effect zien van eliminatie van kippeneiwit bij kinderen die hiervoor gesensibiliseerd zijn, gemeten via het specifiek IgE, maar had slechts een follow-up van vier weken [Hoare 2000].
Het toepassen van eliminatiediëten heeft nadelen: er is een risico op deficiënte voeding en er kan sociale stigmatisatie ontstaan [CBO 2006, Williams 2005].
De werkgroep is van mening dat het adviseren van eliminatiediëten moet worden beperkt tot de groep jonge kinderen met eczeem die ook andere aan voedsel gerelateerde allergische klachten hebben, zoals acute allergische reacties, maag-darmklachten of klachten van de luchtwegen (zie NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid bij Zuigelingen (M47)).
Voor het bepalen van de ernst van eczeem zijn diverse scoresystemen in gebruik. Hiervan zijn de zogenoemde SCORAD en de EASI het best gevalideerd. Ze worden doorgaans gebruikt in het kader van wetenschappelijk onderzoek, maar zijn omslachtig. Wolkenstorfer et al. ontwikkelden een scoresysteem genaamd ‘Three Item Severity’- (TIS-)score, bedoeld om in de dagelijkse praktijk te gebruiken. De TIS-score wordt bepaald door een representatieve eczemateuze laesie op een schaal van 0 tot 3 te scoren op de drie items erytheem, oedeem/papels en excoriaties, en deze getallen op te tellen. Het resultaat is een getal tussen 0 en 9. De TIS-score werd gevalideerd in een prospectief onderzoek onder 126 kinderen in een dermatologische polikliniek. Mild eczeem (SCORAD <15) kwam globaal overeen met een TIS-score 1-2, matig eczeem (SCORAD 15-40) met een TIS-score 3-4, en ernstig eczeem (SCORAD >40) met een TIS-score >4. Van twintig kinderen werd de inter-observervariatie van de SCORAD en TIS-score gemeten. Van de SCORAD was deze goed (kappa: 0,82), van de TIS-score redelijk (kappa: 0,58) [Wolkenstorfer 1999].
Charman et al. onderzochten bij 180 patiënten met constitutioneel eczeem (110 van een dermatologiepolikliniek, 70 uit de huisartsenpraktijk) de betekenis van zeven symptomen die ook voor de SCORAD worden gebruikt voor de bepaling van de door de patiënt beoordeelde ernst van het eczeem. De ernst van excoriaties, oedeem/papels en erytheem bleek het duidelijkst geassocieerd te zijn met de door de patiënt beoordeelde ernst. Als men de uitgebreidheid van het eczeem bij de beoordeling betrok, gaf dit geen extra informatie [Charman 2005].
De werkgroep concludeert dat men de ernst van het eczeem het best kan afmeten aan de mate van erytheem, de ernst van oedeem/papels en van excoriaties. Het getalsmatig scoren hiervan, zoals bij de TIS-score, kan wellicht nuttig zijn voor de individuele huisarts als houvast bij de beoordeling van het resultaat van een behandeling. Er is echter nog onvoldoende onderzoek naar de waarde van de TIS-score in de huisartsenpopulatie om het gebruik in de huisartsenpraktijk aan te raden. Vooral over de verschillen tussen beoordelaars is onzekerheid. Onderzoek hiernaar is gaande.
In een longitudinaal onderzoek onder 137 kinderen met constitutioneel eczeem uit de huisartsenpraktijk werd de ernst van het eczeem met tussenpozen van zes maanden gescoord met behulp van de SCORAD, een instrument waarbij erytheem één van de te scoren variabelen is. Bij het gebruik van de SCORAD bij patiënten met een donkere huid adviseert men in plaats van naar erytheem, te kijken naar een donkere verkleuring. Donkere kinderen leken minder vaak ernstig eczeem te hebben, maar als men het criterium erytheem (dus donkerder huid) bij de bepaling van de ernst van het eczeem buiten beschouwing liet, bleek ernstig eczeem bij donkere kinderen zesmaal zo vaak voor te komen (OR 5,93; 95%-BI 1,94-18,12) [Ben-Gashir 2002].
De werkgroep wil erop wijzen dat de ernst van eczeem bij patiënten met een donkere huid kan worden onderschat omdat men bij de vaststelling van de ernst de mate van erytheem niet kan gebruiken.
Volgens de Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartsenpraktijk is de totale prevalentie van constitutioneel eczeem 15,8 per 1000 patiënten. In de leeftijd <1 jaar is de prevalentie verreweg het hoogst: 226,7 bij jongens en 141,2 bij meisjes. De prevalentie daalt geleidelijk en is in de leeftijdsgroep 15-24 jaar 9,7 bij jongens en 20,7 bij meisjes, om daarna verder te dalen naar ongeveer 8 voor beide geslachten. Bij niet-westerse allochtonen lijkt eczeem vaker voor te komen. Bij hen is de totale prevalentie (alle leeftijdscategorieën en beide geslachten) is bij hen 23,6 per 1000 [Van der Linden 2004]. Illi et al. onderzochten het natuurlijk beloop van constitutioneel eczeem in een cohort van 1314 kinderen uit de algemene populatie in Duitsland. Zij werden vervolgd tot leeftijd van 7 jaar. In het eerste levensjaar werd bij 13,4% constitutioneel eczeem vastgesteld; de prevalentie steeg tot 21,5% op tweejarige leeftijd. Daarna verdween het eczeem bij 43,2% volledig. De belangrijkste voorspellers voor het persisteren van de aandoening waren: de ernst van het eczeem, de aanwezigheid van verhoogd specifiek IgE, het gelijktijdig voorkomen van piepende ademhaling en familiaire belasting [Illi 2004].
Volgens de Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartsenpraktijk is de totale prevalentie van constitutioneel eczeem 15,8 per 1000 patiënten. In de leeftijd <1 jaar is de prevalentie verreweg het hoogst: 226,7 bij jongens en 141,2 bij meisjes. De prevalentie daalt geleidelijk en is in de leeftijdsgroep 15-24 jaar 9,7 bij jongens en 20,7 bij meisjes, om daarna verder te dalen naar ongeveer 8 voor beide geslachten. Bij niet-westerse allochtonen lijkt eczeem vaker voor te komen. Bij hen is de totale prevalentie (alle leeftijdscategorieën en beide geslachten) is bij hen 23,6 per 1000 [Van der Linden 2004]. Illi et al. onderzochten het natuurlijk beloop van constitutioneel eczeem in een cohort van 1314 kinderen uit de algemene populatie in Duitsland. Zij werden vervolgd tot leeftijd van 7 jaar. In het eerste levensjaar werd bij 13,4% constitutioneel eczeem vastgesteld; de prevalentie steeg tot 21,5% op tweejarige leeftijd. Daarna verdween het eczeem bij 43,2% volledig. De belangrijkste voorspellers voor het persisteren van de aandoening waren: de ernst van het eczeem, de aanwezigheid van verhoogd specifiek IgE, het gelijktijdig voorkomen van piepende ademhaling en familiaire belasting [Illi 2004].
Tariq et al. vervolgden een ongeselecteerd geboortecohort van 1536 kinderen. Van de kinderen met constitutioneel eczeem had 32% op vierjarige leeftijd astma ontwikkeld en 15,6% allergische rhinitis [Tariq 1998]. In een tweetal kleinere follow-uponderzoeken (100 poliklinische patiënten en 40 patiënten opgenomen vanwege ernstig eczeem), bleek 43 respectievelijk 53% astma te ontwikkelen in het verloop van zeven tot elf jaar [Gustafsson 2000, Linna 1992].
Williams et al. verrichtten een enquêteonderzoek onder 250 schoolkinderen uit de algemene populatie naar de invloed van negentien factoren op de ernst van constitutioneel eczeem. Als meest voorkomende verergerende factoren werden genoemd: zweten (42%), warm weer (40%) en textiel (39%, meestal wol). Ziekzijn werd door 36% als verergerende factor genoemd en stress door 28%. Schoonmaakmiddelen, zeep en shampoo werd door 40% van de ondervraagden als verergerende factor aangemerkt. Daarentegen gaf 6% aan dat deze middelen juist verbetering gaven [Williams 2004].
Uit een enquêteonderzoek in Japan onder 950 patiënten uit de tweede lijn bleek dat bij 59% het eczeem in de winter verslechterde (in de leeftijdsgroep tot 5 jaar: 68%). Als waarschijnlijke verklaring wijst men op de lagere luchtvochtigheid in verwarmde ruimten [Imai 1987]. Krämer et al. verrichtten een onderzoek naar seizoensinvloeden op constitutioneel eczeem bij 39 kinderen van 9 jaar, geselecteerd uit de algemene populatie. Er leken twee patronen te bestaan: 21 kinderen hadden meer symptomen in de winter, terwijl 18 kinderen juist in de zomer meer klachten hadden, vooral in de periode dat de graspollenconcentratie hoog was [Krämer 2005].
In vergelijkend onderzoek naar textielsoorten bleken katoenen shirts beter te worden verdragen (minder jeuk/irritatie) dan shirts van kunststof met een ruwe vezel. Kledingstukken van grove en fijne wol veroorzaakten bij 16 respectievelijk 9 van 24 meisjes met constitutioneel eczeem jeukklachten, terwijl zij aangaven geen klachten te hebben bij het dragen van katoenen kleding [Diepgen 1990, Bendsöe 1987].
Naar de invloed van wasmiddelen of wasverzachters is onvoldoende onderzoek verricht om conclusies te kunnen trekken. Voor de aanbevelingen voor douchen en baden is geen wetenschappelijke onderbouwing gevonden. Ze berusten op praktijkervaring en consensus binnen de werkgroep.
De Vereniging voor Mensen met Constitutioneel Eczeem (VMCE): www.vmce.nl.
De systematische review van Hoare et al. beschrijft dat de behandeling met indifferente middelen (emollientia) algemeen aanvaard is als basisbehandeling van constitutioneel eczeem, hoewel er nauwelijks onderzoek naar is gedaan. De ervaring wijst uit dat door emollientia het gevoel van droogheid, de jeuk en de irritatie verminderen. Emollientia verhogen het vochtgehalte van de huid via een aantal mechanismen: vermindering van vochtverlies door occlusie (bijvoorbeeld paraffine, vaseline), binding van water (ureum) en toevoeging van water (waterhoudende crèmes). Men vond twee kleine trials die suggereren dat de combinatie van lokale corticosteroïden en emollientia beter werkt dan alleen lokale corticosteroïden. Verder ontbrak gerandomiseerd onderzoek met klinisch relevante eindpunten, zodat niet duidelijk is of een bepaald emolliens beter werkt dan het andere [Hoare 2000]. In een onderzoek van Lucky et al. onder 25 kinderen met eczeem werd geen verschil gevonden tussen een behandeling met hydrocortison 2,5% tweemaal daags en een behandeling met hydrocortison 2,5% en een emolliens, beide eenmaal daags. Dit suggereert dat een behandeling met een emolliens corticosteroïdsparend kan werken [Lucky 1997].
Het gebruik van teer bij de behandeling van huidaandoeningen heeft een lange traditie. Er is echter nauwelijks vergelijkend onderzoek naar het effect van teerpreparaten bij de behandeling van constitutioneel eczeem. In een open vergelijkend onderzoek bestudeerden Munkvad et al. bij dertig patiënten met mild of matig constitutioneel eczeem behandeling met Clinitar (een koolteerpreparaat) en hydrocortisoncrème 1%. Zij vonden geen verschil in effectiviteit [Munkvad 1989]. In Nederland is solutio carbonis detergens het meest gebruikte teerproduct.
Er zijn publicaties verschenen over carcinomen bij mensen die beroepsmatig met teer in contact komen (in 1775 werd al gepubliceerd over carcinoom van de scrotumhuid bij schoorsteenvegers!). In follow-uponderzoek gedurende enkele decennia bij ruim 1500 patiënten (follow-up 10-25 jaar) die voor huidaandoeningen werden behandeld, bleken er niet meer basaliomen en spinaalcelcarcinomen voor te komen dan in de algemene bevolking. Ook in onderzoek onder 358 dermatologen (135.000 patiënten) werd geen melding gemaakt van een verhoogde incidentie bij hun patiënten. Uit een soortgelijk onderzoek onder 1075 dermatologen kwamen vier meldingen van huidcarcinoom bij met teer behandelde patiënten. Hieruit concludeert Van de Kerkhof dat het gebruik van teer voldoende veilig is gebleken [Van de Kerkhof 1989]. Het gebruik van koolteer wordt afgeraden tijdens zwangerschap en lactatie [Commissie Farmaceutische Hulp van het College voor zorgverzekeringen 2006].
Pimecrolimus en tacrolimus zijn lokaal toegepaste immunosuppressieve middelen (TIM’s). Pimecrolimus 1% en tacrolimus 0,03% zijn geregistreerd voor gebruik bij kinderen vanaf 2 jaar en tacrolimus 0,1% vanaf 16 jaar. In een meta-analyse onderzochten Ashcroft et al. of deze middelen voordelen hebben in vergelijking met de gebruikelijke behandeling wat betreft werkzaamheid, tolerantie en bijwerkingen op korte en lange termijn. In de meta-analyse werden 25 gerandomiseerde en gecontroleerde onderzoeken betrokken, met in totaal 6897 patiënten. Tacrolimus 0,1% bleek een vergelijkbare werking te hebben als klasse-2-3-corticosteroïden. Pimecrolimus werkt duidelijk minder sterk, maar een vergelijking met klasse-1-corticosteroïden is niet gemaakt. TIM’s worden wel aanbevolen bij patiënten die niet goed op corticosteroïden reageren, maar onderzoek in deze patiëntengroep is niet voorhanden. De belangrijkste bijwerking in het begin van het gebruik is huidirritatie en een branderig gevoel. Dunner worden van de huid is bij het gebruik van TIM’s niet aangetoond [Ashcroft 2005]. Over de veiligheid bij langdurig gebruik is nog weinig bekend. Theoretisch is er een verhoogd risico op huidmaligniteiten, vooral onder invloed van ultraviolet licht [De Bruin 2005]. De US Food en Drugs Administration (FDA) liet in 2005 een waarschuwing uitgaan, omdat er meldingen waren van lymfomen en huidkanker bij volwassenen en kinderen [US Food and Drug Administration 2005]. De European Medicines Agency (EMEA) plaatste in 2006 een persbericht op haar website, waarin ze aanbeveelt voorzichtigheid te betrachten bij het gebruik van tacrolimus en pimecrolimus zolang er onduidelijkheid is over een mogelijk verhoogd risico op huidkanker en lymfomen [EMEA 2006]. In de CBO-Richtlijn Constitutioneel eczeem wordt gesteld dat TIM’s tweedelijnsmiddelen zijn voor de behandeling van constitutioneel eczeem, in het bijzonder voor patiënten vanaf 2 jaar die onvoldoende reageren op andere lokale behandelingen en voor patiënten die bijwerkingen hebben van dermatocorticosteroïden. De CBO-richtlijn waarschuwt voor de blootstelling aan zonlicht bij het gebruik van deze middelen [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2006].
De werkgroep concludeert dat het voorschrijven van TIM’s in de huisartsenpraktijk vooralsnog ongewenst is vanwege de onduidelijkheid over hun plaats bij de behandeling van eczeem en vanwege onzekerheid over de veiligheid op lange termijn.
De aanbevolen preparaten zijn een praktische keuze, gebaseerd op algemeen aanvaarde dermatologische principes. Tabel 2 is het voor constitutioneel eczeem relevante gedeelte van de overeenkomstige tabel uit het Farmacotherapeutisch Kompas [Commissie Farmaceutische Hulp van het College voor zorgverzekeringen 2006]. Omdat er op theoretische gronden meer kans is op overgevoeligheid voor lanette en omdat de geur wat minder aangenaam is, is er een lichte voorkeur voor cetomacrogol. Verder verdient het de voorkeur crèmes en zalven in tubes voor te schrijven in plaats van in potten, omdat ze dan aanmerkelijk langer houdbaar zijn.
De preparaten die als voorbeeld zijn genoemd, zijn de goedkoopste middelen uit elke klasse. Er is slechts één klasse-1-corticosteroïd beschikbaar. De overige klasse-2-middelen zijn hydrocortisonbutyraat, clobetason en flumetason. De overige klasse-3-middelen zijn betamethasonpropionaat, desoximetason, diflucortolon, fluticason en mometason [Commissie Farmaceutische Hulp van het College voor zorgverzekeringen 2006]. Er zijn geen aanwijzingen dat er tussen de corticosteroïden uit vergelijkbare klassen therapeutische verschillen zijn of verschillen in lokale of systemische bijwerkingen.
Uitgangspunt bij de toepassing van lokale corticosteroïden is het voorschrijven van een preparaat uit een zo laag mogelijke klasse, zodat bijwerkingen worden voorkomen, maar voldoende om het eczeem te behandelen. Bij ernstig eczeem kan echter beter met een hogere klasse worden begonnen, omdat de aandoening dan sneller verdwijnt en er uiteindelijk op termijn waarschijnlijk minder steroïden nodig zijn [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2006]. De adviezen over applicatiefrequentie in de beginfase en in de onderhoudsfase van de behandeling komen globaal overeen met de adviezen uit de Richtlijn Dermatocorticosteroïden van de Nederlandse Vereniging van Dermatologie en Venerologie. Deze richtlijn bevat ook adviezen over de toe te passen corticosteroïden op diverse lokalisaties, afhankelijk van de leeftijd van de patiënt (zie tabel 6) [Anon. 2000].
Tabel 6 Corticosteroïden en lokalisatie
| Lokalisatie | Klasse corticosteroïd |
| romp, armen, benen, handen, voeten | 1, 2, 3 |
| gelaat, oksels, liezen, genitaliën | 1, 2 |
| schedel | 2, 3 |
| hals, oren | 1, 2, 3 |
| oogleden | 1, 2 |
In een systematische review vond men overigens geen duidelijk verschil in effect tussen eenmaal daags of tweemaal daags gebruik van een aantal klasse-2- en klasse-3-corticosteroïden [Green 2005]. Over klasse-1-corticosteroïden zijn geen onderzoeksgegevens bekend [CBO 2006]. Als onderhoudsbehandeling nodig is, gaat de voorkeur uit naar behandeling op enkele aaneengesloten dagen per week ter voorkoming van bijwerkingen [Anon. 2000]. Thomas et al. deden onderzoek onder 207 kinderen met mild tot matig eczeem, grotendeels afkomstig uit de huisartsenpraktijk. Het onderzoek was dubbelblind en duurde achttien weken. De helft van de kinderen gebruikte continu tweemaal daags hydrocortisonzalf 1%, de helft tweemaal daags betamethasonvaleraatzalf 0,1% (klasse 3), drie dagen per week, gevolgd door de zalfbasis zonder werkzame stof gedurende vier dagen (‘pulse’-therapie). De onderzoekers vonden geen verschil in behandeleffect en het optreden van lokale bijwerkingen [Thomas 2002]. Over ‘pulse’-therapie met corticosteroïden van lagere klassen is helaas geen onderzoek beschikbaar.
Het gebruik van corticosteroïden op de huid kan gepaard gaan met lokale en systemische bijwerkingen. Lokale bijwerkingen (atrofie, teleangiëctasieën, striae en papulopustels) komen vooral voor bij gebruik op huiddelen die gevoelig zijn voor steroïden, zoals het gelaat en de huidplooien, en ontstaan na langer durend gebruik. Onderzoeken met een langere follow-up dan enkele weken zijn echter schaars [Hoare 2000]. In twee dubbelblind, placebogecontroleerde trials (112 en 295 patiënten uit de tweede lijn) waarin het gebruik van fluticason op twee dagen per week gedurende zestien weken werd onderzocht, werden geen verschijnselen van huidatrofie waargenomen [Van der Meer 1999, Berth-Jones 2003]. Ook Thomas et al. vonden in hun onderzoek (zie noot 23) dat achttien weken duurde, geen zichtbare atrofie van de huid [Thomas 2002]. In een retrospectief Japans multicentrisch onderzoek werden 1271 patiënten ingesloten, die gedurende de voorafgaande zes maanden op een dermatologische polikliniek waren vervolgd. De duur van het eczeem varieerde van 1 maand tot 79 jaar (gemiddeld 3 jaar). De incidentie van teleangiëctasieën op de wangen en die van huidatrofie in elleboogplooien/knieholten steeg met de leeftijd (en dus naarmate de corticosteroïden langer werden gebruikt) en met de hoeveelheid en de sterkte van de gebruikte preparaten (gezicht: bij meer dan 20 g per zes maanden; elleboogplooien/knieholten: bij meer dan 500 g per zes maanden van de sterkere (niet precies gedefinieerd) preparaten) [Furue 2003].
Systemische bijwerkingen zijn zeldzaam. Ter vergelijking: bij het gebruik van meer dan 25 mg cortisol (oraal) per dag kan bijnierschorsinsufficiëntie optreden en bij kinderen groeivertraging. Bij lokale applicatie wordt echter globaal slechts 1% van de steroïden opgenomen, zodat de maximumdosis meestal niet wordt bereikt [Polano 1977]. Een degelijke wetenschappelijke onderbouwing van maximaal te gebruiken hoeveelheden die veilig zijn wat betreft systemische bijwerkingen is niet voorhanden. De adviezen in tabel 4 zijn deels overgenomen uit het Farmacotherapeutisch Kompas, deels afgeleid uit de Richtlijn Dermatocorticosteroïden [Commissie Farmaceutische Hulp van het College voor zorgverzekeringen 2006, Anon. 2000]. Men kan ervan uitgaan dat de in tabel 4 genoemde hoeveelheden met zekerheid veilig zijn wat betreft klinisch relevante systemische bijwerkingen. De ervaring van de werkgroepleden is dat deze hoeveelheden in de huisartsenpraktijk bijna nooit nodig zijn. In de tweede lijn moet bij ernstig en uitgebreid eczeem soms (tijdelijk) meer worden gebruikt.
In de systematische review van Hoare et al. wordt geconcludeerd dat er van orale antihistaminica geen duidelijke effecten zijn aangetoond wat betreft vermindering van jeuk en verbetering van constitutioneel eczeem. Onderzoeken met sederende antihistaminica bevatten relatief weinig patiënten, zodat de groepen mogelijk te klein zijn geweest om verschillen aan te tonen. Met niet-sederende antihistaminica zijn grotere onderzoeken gedaan, met wisselende, niet overtuigende resultaten [Hoare 2000]. In de CBO-Richtlijn Constitutioneel eczeem laat men op grond van praktijkervaring ruimte voor het voorschrijven van sederende antihistaminica bij nachtelijke slapeloosheid door jeuk. Men waarschuwt voor gebruik bij kinderen jonger dan 1 jaar in verband met een gering risico op wiegendood [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2006]. Om die reden acht men in het Farmacotherapeutisch Kompas promethazine gecontra-indiceerd bij kinderen jonger dan 1 jaar. Tevens is bij het gebruik van sederende antihistaminica paradoxale stimulering van het centrale zenuwstelsel en reversibele dyskinesie mogelijk, vooral bij kinderen en ouderen.[Commissie Farmaceutische Hulp van het College voor zorgverzekeringen 2006]
Ook bij het gebruik tijdens zwangerschap en lactatie gelden beperkingen. Antihistaminica zijn in dierproeven in zeer hoge doses teratogeen gebleken. Bij zwangere vrouwen is een aantal oudere antihistaminica veel gebruikt: bij dimetindeen (en ook bij clemastine, mebhydroline en dexchloorfeniramine) is géén verhoogd risico op aangeboren afwijkingen waargenomen. Overweeg dimetindeen in een zo laag mogelijke dosering als gebruik door een borstvoedende moeder noodzakelijk is. Bij langdurig gebruik kunnen sedatie, paradoxale onrust of anticholinerge effecten bij de zuigeling optreden [De Gier 2005].
De middelen die in tabel 5 zijn genoemd, zijn voor de diverse leeftijdsgroepen een praktische keuze uit de beschikbare sederende antihistaminica, waarbij rekening wordt gehouden met beperkingen bij gebruik door zwangere en borstvoedende vrouwen.
Bij constitutioneel eczeem is de huid meestal gekoloniseerd met bacteriën, voornamelijk met Staphylococcus aureus. Bij 90% van de mensen met constitutioneel eczeem vindt men deze bacterie op de aangedane huid. Er is echter niet aangetoond dat behandeling met antibiotica meerwaarde heeft bij een klinisch niet-geïnfecteerd eczeem. Ook door behandeling met corticosteroïden vermindert de mate van kolonisatie doordat de conditie van de huid verbetert [Hoare 2000].
Over het gebruik van antibiotica bij geïmpetiginiseerd eczeem, te herkennen aan pustels, (purulent) exsudaat en crustae, bestaat consensus, hoewel ook hierover vrijwel geen onderzoeken beschikbaar zijn [Hoare 2000, Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2006]. Men moet dan de antibiotica gebruiken die ook bij de behandeling van impetigo worden toegepast en in het algemeen wordt orale therapie geadviseerd [Hoare 2000, Friedmann 2004, Williams 2005, Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2006]. De werkgroep kiest dan voor flucloxacilline of azitromycine. Bij kinderen kan het gebruik van flucloxacilline worden bemoeilijkt doordat capsules moeten worden gebruikt (bij kinderen van 2-12 jaar). Voor kinderen jonger dan 2 jaar is alleen azitromycine vermeld. De reden is hiervan is dat de flucloxacillinesuspensie tot nu toe lastig verkrijgbaar is en de vieze smaak ervan.
De werkgroep is daarnaast van mening dat bij lokaal beperkte impetiginisatie in de huisartsenpraktijk niet direct met orale antibiotica hoeft te worden begonnen. De onderzoeken waarop het advies om met orale middelen te behandelen gebaseerd is, zijn voornamelijk afkomstig uit de tweede lijn. Men kan eerst het eczeem intensiever behandelen, zo nodig in combinatie met de gebruikelijke lokale antibiotische therapie voor beperkte impetigo. In een Cochrane-review beschrijven Koning et al. dat fusidinezuur en mupirocine in dat geval even effectief zijn [Koning 2003]. Fusidinezuur is eerste keus, gezien de rol van mupirocine bij de bestrijding van de meticillineresistente S. aureus. De behandelduur dient kort te zijn om resistentievorming tegen fusidinezuur te voorkomen. Peeters et al. maken melding van een toename van fusidinezuurresistentie van opgenomen patiënten met constitutioneel eczeem in een derdelijnssetting. In de huisartsenpraktijk is fusidinezuurresistentie vooralsnog geen probleem [Peeters 2002, Koning 2002].
Bij patiënten met constitutioneel eczeem kan ook een uitgebreide infectie met het herpessimplexvirus ontstaan, het zogenoemde eczema herpeticum. Aanvankelijk is er een lokale papulovesiculaire eruptie, maar deze kan zich snel uitbreiden over het lichaam en gepaard gaan met een uitgebreid purulent exsudaat. Patiënten zijn ziek, met malaise en hoge koorts [Friedmann 2004]. Verwijzing en behandeling met antivirale middelen is aangewezen [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2006].
Anonymus. Richtlijn Dermatocorticosteroïden. Utrecht: Nederlandse Vereniging van Dermatologie en Venerologie, 2000.
Ashcroft DM, Dimmock P, Garside R, Stein K, Williams HC. Efficacy and tolerability of topical pimecrolimus and tacrolimus in the treatment of atopic dermatitis: meta-analysis of randomised controlled trials. BMJ 2005;330:516-22.
Ben-Gashir MA, Hay RJ. Reliance on erythema scores may mask severe atopic dermatitis in black children compared with their white counterparts. Br J Dermatol 2002;147:920-5.
Bendsöe N, Bjornberg A, Asnes H. Itching from wool fibres in atopic dermatitis. Contact Dermatitis 1987;17:21-2.
Benn CS, Wohlfahrt J, Aaby P, Westergaard T, Benfeldt E, Michaelsen KF, et al. Breastfeeding and risk of atopic dermatitis, by parental history of allergy, during the first 18 months of life. Am J Epidemiol 2004;160:217-23.
Berth-Jones J, Damstra RJ, Golsch S, Livden JK, Van Hooteghem O, Allegra F, et al. Twice weekly fluticasone propionate added to emollient maintenance treatment to reduce risk of relapse in atopic dermatitis: randomised, double blind, parallel group study. BMJ 2003;326:1367-70.
Charman CR, Venn AJ, Williams H, Bigby M. Measuring atopic eczema severity visually: which variables are most important to patients? Arch Dermatol 2005;141:1146-51.
Commissie Farmaceutische Hulp van het College voor zorgverzekeringen. Farmacotherapeutisch Kompas: medisch farmaceutische voorlichting. Amstelveen: CVZ, 2006.
Cookson WO, Moffatt MF. The genetics of atopic dermatitis. Curr Opin Allergy Clin Immunol 2002;2:383-7.
De Bruin-Weller MS, Bruijnzeel-Koomen CAFM. Topicale immunosuppressiva zoals tacrolimus en pimecrolimus bij de behandeling van constitutioneel eczeem. Ned Tijdschr Geneeskd 2005;149:1096-100.
De Gier JJ. Commentaren medicatiebewaking 2005/2006. Houten: Stichting Health Base, 2005.
Diepgen TL, Stabler A, Hornstein OP. Textilunverträglichkeit beim atopischen Ekzem – Eine kontrollierte klinische Studie. Z Hautkr 1990;65:907-10.
EMEA. European medicines agency recommends cautious use of Protopic/Protopy and Elidel. http://www.emea.eu.int/pdfs/general/direct/pr/9888206en.pdf; geraadpleegd op 27 april 2006.
Flohr C, Johansson SG, Wahlgren CF, Williams H. How atopic is atopic dermatitis? J Allergy Clin Immunol 2004;114:150-8.
Friedmann PS, Holden CA. Atopic dermatitis. In: Burns T, Breathnach S, Cox N, Griffiths C, editors. Rook’s textbook of dermatology. Oxford: Blackwell, 2004: 18.1-18.31.
Furue M, Terao H, Rikihisa W, Urabe K, Kinukawa N, Nose Y, et al. Clinical dose and adverse effects of topical steroids in daily management of atopic dermatitis. Br J Dermatol 2003;148:128-33.
Gdalevich M, Mimouni D, David M, Mimouni M. Breast-feeding and the onset of atopic dermatitis in childhood: a systematic review and meta-analysis of prospective studies. J Am Acad Dermatol 2001;45:520-7.
Gerth van Wijk R, Van Cauwenberge PB, Johansson SG. Herziene terminologie voor allergie en verwante aandoeningen. Ned Tijdschr Geneeskd 2002;146:2289-93.
Green C, Colquitt JL, Kirby J, Davidson P. Topical corticosteroids for atopic eczema: clinical and cost effectiveness of once-daily vs. more frequent use. Br J Dermatol 2005;152:130-41.
Gu H, Chen XS, Chen K, Yan Y, Jing H, Chen XQ, et al. Evaluation of diagnostic criteria for atopic dermatitis: validity of the criteria of Williams et al. in a hospital-based setting. Br J Dermatol 2001;145:428-33.
Gustafsson D, Sjoberg O, Foucard T. Development of allergies and asthma in infants and young children with atopic dermatitis – a prospective follow-up to 7 years of age. Allergy 2000;55:240-5.
Gutgesell C, Heise S, Seubert S, Seubert A, Domhof S, Brunner E, et al. Double-blind placebo-controlled house dust mite control measures in adult patients with atopic dermatitis. Br J Dermatol 2001;145:70-4.
Hanifin JM, Raijka G. Diagnostic features of atopic dermatitis. Acta Dermatovener 1980;92:44-7.
Hoare C, Li Wan PA, Williams H. Systematic review of treatments for atopic eczema. Health Technol Assess 2000;4:1-191.
Holm L, Bengtsson A, Van Hage-Hamsten M, Ohman S, Scheynius A. Effectiveness of occlusive bedding in the treatment of atopic dermatitis – a placebo-controlled trial of 12 months’ duration. Allergy 2001;56:152-8.
Illi S, Von Mutius E, Lau S, Nickel R, Gruber C, Niggemann B, et al. The natural course of atopic dermatitis from birth to age 7 years and the association with asthma. J Allergy Clin Immunol 2004;113:925-31.
Imai S, Takeuchi S, Mashiko T. Jahreszeitliche Änderungen im Verlauf des atopischen Ekzems. Hautarzt 1987;38:599-602.
Johansson SG, Bieber T, Dahl R, Friedmann PS, Lanier BQ, Lockey RF, et al. Revised nomenclature for allergy for global use: Report of the Nomenclature Review Committee of the World Allergy Organization, October 2003. J Allergy Clin Immunol 2004;113:832-6.
Koning S, Suijlekom-Smit LW, Nouwen JL, Verduin CM, Bernsen RM, Oranje AP, et al. Fusidic acid cream in the treatment of impetigo in general practice: double blind randomised placebo controlled trial. BMJ 2002;324:203-6.
Koning S, Verhagen AP, Suijlekom-Smit LW, Morris A, Butler CC, Van der Wouden JC. Interventions for impetigo. Cochrane Database Syst Rev 2003;2:CD003261.
Kramer MS, Kakuma R. Maternal dietary antigen avoidance during pregnancy and/or lactation for preventing or treating atopic disease in the child. Cochrane Database Syst Rev 2003;4:CD000133.
Krämer U, Weidinger S, Darsow U, Mohrenschlager M, Ring J, Behrendt H. Seasonality in symptom severity influenced by temperature or grass pollen: results of a panel study in children with eczema. J Invest Dermatol 2005;124:514-23.
Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO. Richtlijn Constitutioneel eczeem (in concept). http://www.cbo.nl
Linna O, Kokkonen J, Lahtela P, Tammela O. Ten-year prognosis for generalized infantile eczema. Acta Paediatr 1992;81:1013-6.
Lucky AW, Leach AD, Laskarzewski P, Wenck H. Use of an emollient as a steroid-sparing agent in the treatment of mild to moderate atopic dermatitis in children. Pediatr Dermatol 1997;14:321-4.
Munkvad M. A comparative trial of Clinitar versus hydrocortisone cream in the treatment of atopic eczema. Br J Dermatol 1989;121:763-6.
Novak N, Bieber T, Leung DY. Immune mechanisms leading to atopic dermatitis. J Allergy Clin Immunol 2003;112:S128-39.
Novak N, Kruse S, Potreck J, Maintz L, Jenneck C, Weidinger S, et al. Single nucleotide polymorphisms of the IL18 gene are associated with atopic eczema. J Allergy Clin Immunol 2005;115:828-33.
Okkes IM, Oskam SK, Van Boven K, Lamberts H. Episodes of care in Dutch family practice. Epidemiological data based on the routine use of the International Classification of Primary Care (ICPC) in the Transition Project of the Academic Medical Center/University of Amsterdam (1985-2003). In: Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. ICPC in the Amsterdam Transition Project. (CD-Rom). Amsterdam: Academic Medical Center/University of Amsterdam, Department of Family Medicine, 2005.
Oosting AJ, De Bruin-Weller MS, Terreehorst I, Tempels-Pavlica Z, Aalberse RC, De Monchy JG, et al. Effect of mattress encasings on atopic dermatitis outcome measures in a double-blind, placebo-controlled study: the Dutch mite avoidance study. J Allergy Clin Immunol 2002;110:500-6.
Peeters KABM, Mascini EM, Blok HEM, Sanders CJG. Toename van resistentie tegen fusidinezuur van Staphlococcus aureus-isolaten bij opgenomen patiënten met constitutioneel eczeem. Ned Tijdschr Geneeskd 2002;146:2100-1.
Polano MK. Corticosteroïden in de dermatologie. Ned Tijdschr Geneeskd 1977;121:2083-8.
Ricci G, Patrizi A, Specchia F, Menna L, Bottau P, D’Angelo V, et al. Effect of house dust mite avoidance measures in children with atopic dermatitis. Br J Dermatol 2000;143:379-84.
Tariq SM, Matthews SM, Hakim EA, Stevens M, Arshad SH, Hide DW. The prevalence of and risk factors for atopy in early childhood: a whole population birth cohort study. J Allergy Clin Immunol 1998;101:587-93.
Thomas KS, Armstrong S, Avery A, Po AL, O’Neill C, Young S, et al. Randomised controlled trial of short bursts of a potent topical corticosteroid versus prolonged use of a mild preparation for children with mild or moderate atopic eczema. BMJ 2002;324:768.
US Food and Drug Administration. Elidel (pimectrolimus). http://www.fda.gov/medwatch/SAFETY/2005/safety05.htm#Elidel; geraadpleegd op 7 april 2005.
Van de Kerkhof PC. Teer in de dermatologie. Ned Tijdschr Geneeskd 1989;133:2067-70.
Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Utrecht: NIVEL, 2004.
Van der Meer JB, Glazenburg EJ, Mulder PG, Eggink HF, Coenraads PJ. The management of moderate to severe atopic dermatitis in adults with topical fluticasone propionate. The Netherlands Adult Atopic DermatitisStudy Group. Br J Dermatol 1999;140:1114-21.
Werfel T, Breuer K. Role of food allergy in atopic dermatitis. Curr Opin Allergy Clin Immunol 2004;4:379-85.
Williams HC, Burney PG, Hay RJ, Archer CB, Shipley MJ, Hunter JJ, et al. The UK working party’s diagnostic criteria for atopic dermatitis. I. Derivation of a minimum set of discriminators for atopic dermatitis. Br J Dermatol 1994a;131:383-96.
Williams HC, Burney PG, Pembroke AC, Hay RJ. The UK working party’s diagnostic criteria for atopic dermatitis. III. Independent hospital validation. Br J Dermatol 1994b;131:406-16.
Williams HC, Burney PG, Pembroke AC, Hay RJ. Validation of the UK diagnostic criteria for atopic dermatitis in a population setting. UK Diagnostic Criteria for Atopic Dermatitis Working Party. Br J Dermatol 1996;135:12-7.
Williams HC. Clinical practice. Atopic dermatitis. N Engl J Med 2005;352:2314-24.
Williams JR, Burr ML, Williams HC. Factors influencing atopic dermatitis – a questionnaire survey of schoolchildren’s perceptions. Br J Dermatol 2004;150:1154-61.
Wolkerstorfer A, De Waard van der Spek FB, Glazenburg EJ, Mulder PG, Oranje AP. Scoring the severity of atopic dermatitis: three item severity score as a rough system for daily practice and as a pre-screening tool for studies. Acta Derm Venereol 1999;79:356-9.
Zoek in standaarden
Â
