U bent nu hier:
M45

NHG-Standaard TIA (Eerste herziening )

Van Binsbergen JJ, Verhoeven S, Van Bentum STB, Schuling J, Beusmans GHMI, Pleumeekers HJCM, Wiersma Tj. Huisarts Wet 2004;47(10):458-67.

De tekst van deze standaard vervangt de eerdere versie van de NHG-Standaard TIA (Huisarts Wet 1995;38:15-25 en Thomas S, Geijer RMM, Van der Laan JR, Wiersma Tj, redactie. NHG-Standaarden voor de huisarts II. Utrecht: Bunge, 1996). Deze nieuwe standaard moet gelezen worden in nauwe samenhang met de NHG-Standaard CVA.

Kernpunten

  • De diagnose transient ischaemic attack (TIA) is een diagnose achteraf die doorgaans op basis van de anamnese gesteld moet worden.
  • De behandeling is gericht op minimalisering van de kans op een recidief TIA, een CVA en andere cardiovasculaire aandoeningen door inventarisatie en optimalisatie van risicofactoren voor hart- en vaatziekten.
  • Om dezelfde reden komen mensen met een TIA in de voorgeschiedenis in aanmerking voor behandeling met acetylsalicylzuur of, als er sprake is van atriumfibrilleren, een coumarinederivaat. De dosering van acetylsalicylzuur is daarbij verhoogd naar 80 mg per dag.
  • Patiënten met uitvalsverschijnselen die wijzen op een stoornis in het stroomgebied van de arteria carotis interna, worden verwezen naar de neuroloog om te beoordelen of er een indicatie bestaat voor carotis-chirurgie. Dit is de belangrijkste wijziging ten opzichte van het beleid van de vorige versie van deze standaard.

INLEIDINGNHG Samenvattingskaart

De NHG-Standaard TIA (transient ischaemic attack) geeft richtlijnen voor de diagnostiek en het beleid bij patiënten met klachten van neurologische uitval die plotseling ontstaan is, maar die op het moment van presentatie – telefonisch of op het spreekuur – aan de huisarts al weer verdwenen is. Het criterium dat in de vorige versies van deze standaard werd gehanteerd, namelijk dat de uitvalsverschijnselen maximaal 24 uur mochten aanhouden om van een TIA te mogen spreken, komt daarmee te vervallen.1) TIA’s komen bij mannen en vrouwen ongeveer even vaak voor. De incidentie voor TIA gemeten aan de hand van de oude definitie in de Nederlandse huisartsenpraktijk is 2 per 1000 patiënten per jaar, incidentiecijfers op basis van de nieuwe definitie zijn er nog niet. De incidentie neemt sterk toe met de leeftijd: van vrijwel 0 per 1000 patiënten per jaar vóór het vijfenveertigste levensjaar tot 24 per 1000 patiënten per jaar in de leeftijdsgroep van 75 jaar en ouder.2) Driekwart van de patiënten met een TIA is ouder dan 70 jaar.3) De patiënten die het betreft zijn vaak al bij de huisarts bekend met hypertensie, diabetes mellitus, dementie of een eerder doorgemaakte TIA.4)

Voorbijgaande verlammingsverschijnselen en spraakstoornissen zijn de meest voorkomende redenen om de hulp van de huisarts in te roepen.5) Vaak duurt de uitval maar kort: bij een kwart van de patiënten verdwijnen de uitvalsverschijnselen binnen 5 minuten, bij de helft binnen een half uur. In 40% van de gevallen is de uitvalsduur langer dan een uur.6)

Patiënten die een TIA of een CVA met beperkte restverschijnselen hebben doorgemaakt, hebben onbehandeld een kans van 12% op een CVA met blijvende uitval in het eerste jaar, gevolgd door 7% in latere jaren. Dat is ongeveer zevenmaal het risico van mensen van dezelfde leeftijd zonder een dergelijke voorgeschiedenis. De kans op een hartinfarct is na een TIA ongeveer even groot als die op een CVA met blijvende uitval. Patiënten die een TIA hebben doorgemaakt, hebben een driemaal grotere kans om te overlijden aan een hartziekte dan aan een CVA met blijvende uitval.7),8)

Omdat de uitval op het moment dat de huisarts de patiënt ziet al weer voorbij is, is de anamnese voor het stellen van de diagnose TIA het belangrijkste instrument. Vanzelfsprekend behoeven verschijnselen die niet meer aanwezig zijn als zodanig geen behandeling. Een TIA is echter een belangrijke aanwijzing dat het hartvaatstelsel van de betrokken patiënt in slechte conditie verkeert.9) Vanwege de vergrote kans op het krijgen van een CVA met blijvende uitval of een hartinfarct wordt, behalve de beïnvloeding van eventueel aanwezige risicofactoren op hart- en vaatziekten, de dagelijkse inname van een lage dosis acetylsalicylzuur aanbevolen.10) Bij patiënten met voorbijgaande uitvalsverschijnselen die wijzen op een stoornis in het stroomgebied van de arteria carotis interna – en dat betreft het merendeel van de TIA-patiënten – kan stenosering van de arteria carotis interna de oorzaak zijn van de TIA. Om de doorgankelijkheid van deze arterie te beoordelen is een duplexscan, een combinatie van echografie en doppleronderzoek noodzakelijk. De desbetreffende patiënten worden daartoe verwezen naar de neuroloog.

Omdat bij patiënten die verwezen worden, de kans bestaat dat de neuroloog ook andere delen van de diagnostiek die in deze standaard wordt aanbevolen, voor zijn rekening zal willen nemen, wordt geadviseerd over de taakverdeling tussen huisartsen en specialisten op regionaal niveau een taakverdeling af te spreken (zie ook het addendum over de TIA-service alsmede de Landelijke Transmurale Afspraak TIA/CVA die in het volgende nummer van H&W zal verschijnen).

ACHTERGRONDENNHG Samenvattingskaart

TIA’s berusten op lokale hypoxemie in de hersenen, vrijwel zeker ten gevolge van embolieën afkomstig uit de aanvoerende arteriën of het hart. Hartritmestoornissen zoals atriumfibrilleren, klepafwijkingen, een recent hartinfarct en atherosclerose van de carotiden of de intracerebrale arteriën doen de kans op de vorming van stolsels aanzienlijk toenemen.11) Of vaatspasmen eveneens TIA’s kunnen veroorzaken is onduidelijk.12) De etiologie van TIA’s komt overeen met die van ischemische CVA’s die leiden tot blijvende uitval.13) Hoe het spontane herstel bij een TIA tot stand komt, is niet bekend.

De uitvalsverschijnselen bij een TIA zijn afhankelijk van de lokalisatie van de hypoxemie. De bloedvoorziening van de hersenen heeft drie stroomgebieden: het stroomgebied van de linker en rechter arteria carotis interna en het stroomgebied van de arteria basilaris. TIA’s in het stroomgebied van de carotiden komen naar schatting viermaal zo vaak voor als TIA’s in het stroomgebied van de arteria basilaris.14) Indeling van TIA’s naar stroomgebied is van belang om te bepalen wanneer verwijzing voor een duplexscan van de arteria carotis interna moet worden overwogen. In de praktijk blijkt het herkennen van vooral de basilaris-TIA’s dikwijls lastig, zodat deze patiënten vaak vanwege diagnostische onzekerheid bij de huisarts voor verwijzing in aanmerking zullen komen.

Naast de zo-even genoemde factoren die de kans op embolieën doen toenemen, draagt vooral hypertensie, maar ook roken, bij aan de kans op een TIA of CVA met blijvende uitval. Dit geldt in mindere mate voor hypercholesterolemie, overmatig alcoholgebruik, diabetes mellitus en obesitas. Beïnvloeding van hypertensie, roken en hypercholesterolemie is bovendien van belang ter reductie van het risico op cardiale sterfte.

RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEKNHG Samenvattingskaart

Omdat de uitvalsverschijnselen al verdwenen zijn als de hulp van de huisarts wordt ingeroepen, is de anamnese voor het stellen van de diagnose het belangrijkste instrument.15) Het is belangrijk dat de huisarts de patiënt de verschijnselen zo nauwkeurig mogelijk in eigen woorden laat omschrijven. In de tabellen 1 en 2 is voor een aantal neurologische begrippen een bijpassende omschrijving gegeven.

Omdat de patiënt zich niet altijd van restafwijkingen bewust is, is toch lichamelijk onderzoek noodzakelijk.16) De huisarts besteedt bij anamnese en lichamelijk onderzoek tevens aandacht aan risicofactoren voor hart- en vaatziekten.

Bij een recidief worden de risicofactoren opnieuw geïnventariseerd.

Tabel 1 Uitvalsverschijnselen die passen bij verstoring van de bloedvoorziening door de arteria carotis interna sinistra*


Neurologisch begrip Verschijnselen
Hemiparesetotale of gedeeltelijke verlamming of vaardigheidsstoornis van de rechter bovenste extremiteit, rechter onderste extremiteit en het rechter aangezicht
Sensibiliteitsstoornisdoof, verminderd of tintelend gevoel van de rechter arm, het rechter been of het rechter aangezicht
Homonyme hemianopsiezwart of niets zien met beide ogen in de rechter helft van het gezichtsveld
Afasieniet op de goede woorden komen, gesproken taal niet begrijpen, de woorden wel weten, maar deze niet kunnen uitspreken of vreemde woorden zeggen
Dysartrieonduidelijke spraak
Amaurosis fugaxzwart of niets zien met het linker oog. Soms betreft de uitval alleen het onderste of bovenste deel van het gezichtsveld. Er zijn gewoonlijk geen andere uitvalsverschijnselen.
* Een stoornis in de bloedvoorziening door de arteria carotis interna dextra gaat gepaard met dezelfde uitvalsverschijnselen, maar dan aan de andere kant. Afasie treedt dan echter alleen op als het spraakcentrum in de rechter hersenhelft is gelokaliseerd, hetgeen doorgaans het geval is bij linkshandigen.
† Indien deze verschijnselen geïsoleerd voorkomen, mag de diagnose TIA niet gesteld worden.
‡ Op basis van een hemianopsie of dysartrie zonder andere uitvalsverschijnselen valt niet uit te maken of de stoornis in de cerebrale bloedvoorziening in de arteria basilaris of een van de carotiden gelokaliseerd is.

Tabel 2 Uitvalsverschijnselen passend bij verstoring van de bloedvoorziening door de arteria basilaris


Neurologisch begrip Verschijnselen
Paresetotale of gedeeltelijke verlamming of vaardigheidsstoornis die zich niet per se beperkt tot een lichaamshelft
Sensibiliteitsstoornisdoof, verminderd of tintelend gevoel in linker of rechter lichaamshelft of beiderzijds
Hemianopsie*zwart of niets zien met beide ogen in de linker of de rechter helft van het gezichtsveld
Combinaties van: 
  • vertigo
draaiduizeligheid
  • dysartrie*
onduidelijk spreken
  • diplopie
boven of naast elkaar zien van twee gelijke beelden, hetgeen verdwijnt als een van de ogen wordt gesloten
  • dysfagie
verslikken
  • ataxie
stuurloosheid of zwalken (dronkemansgang)
* Op basis van een hemianopsie of dysartrie zonder andere uitvalsverschijnselen valt niet uit te maken of de stoornis in de cerebrale bloedvoorziening in de artera basilaris of een van de carotiden gelokaliseerd is.
† Indien deze verschijnselen geïsoleerd voorkomen, mag de diagnose TIA niet gesteld worden.

AnamneseNHG Samenvattingskaart

De huisarts stelt de patiënt met voorbijgaande verschijnselen die mogelijk berustten op een TIA de volgende vragen:

  • Waaruit bestonden de verschijnselen?17)
  • Wanneer zijn ze begonnen?
  • Zijn ze acuut of geleidelijk ontstaan, waren er voortekenen?
  • Hoe was het beloop?
  • Is er nog resterende uitval?
  • Zijn er eerder gelijksoortige verschijnselen opgetreden?
  • Wordt er medicatie gebruikt?

Tevens gaat de huisarts de aanwezigheid van risicofactoren na:

  • hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, suikerziekte en overmatig alcoholgebruik;
  • recente pijn op de borst of onregelmatige hartslag;
  • roken.

Lichamelijk onderzoekNHG Samenvattingskaart

Het lichamelijk onderzoek is gericht op het traceren van eventuele resterende neurologische uitval.

Daarvoor onderzoekt de huisarts:

Het gezichtsveld (met de confrontatiemethode van Donders).

De spraak. Spraakstoornissen worden onderscheiden in dysartrie (articulatiestoornis, blijkend uit onduidelijk spreken) en afasie (taalstoornis blijkend uit woordvindingsproblemen).

De kracht van de gelaatsmusculatuur. Laat de patiënt de ogen dicht knijpen, de wangen opblazen en de tanden laten zien. Bij het aantreffen van uitvalsverschijnselen wordt zo mogelijk gedifferentieerd tussen een centrale- en een perifere parese van de nervus facialis.18)

De kracht van de bovenste extremiteiten. Laat de patiënt met gesloten ogen de armen gestrekt houden met de handen in supinatie, de vingers gestrekt en de duimen naar buiten. Reeds bij een geringe parese wordt de supinatie niet volgehouden en zakt de arm langzaam omlaag.

De kracht van de onderste extremiteiten. In buikligging zakt een paretisch onderbeen dat zich onder een hoek van 45 graden van de onderlaag bevindt, langzaam uit.

Onderzoek van de coördinatie en de sensibiliteit vindt alleen plaats op indicatie.

Voorts onderzoekt de huisarts de toestand van het hart- en vaatstelsel: hij palpeert de pols, ausculteert hart en meet de bloeddruk. Auscultatie van de carotiden is niet noodzakelijk.19)

OverwegingenNHG Samenvattingskaart

Indien er bij lichamelijk onderzoek nog (resterende) uitvalsverschijnselen aanwezig zijn, kan er niet gesproken worden van een TIA. Het verdere beleid is afhankelijk van de duur en ernst van de uitval en het beloop tot dan toe. Zie daarvoor de NHG-Standaard CVA.

Indien bij lichamelijk onderzoek geen uitvalsverschijnselen meer aanwezig zijn, stelt de huisarts de diagnose TIA als:20)

  • de uitvalsverschijnselen acuut en zonder voortekenen zijn begonnen en zich binnen vijf minuten volledig ontwikkeld hebben;
  • alle verschijnselen tegelijk ontstonden;
  • de uitval langer dan één minuut duurde;
  • de uitvalsverschijnselen te verklaren zijn vanuit een stoornis in de bloedvoorziening van de hersenen door de linker of rechter arteria carotis interna of de arteria basilaris (zie de tabellen 1 en 2).

Tegen de diagnose TIA pleiten:

  • uitvalsverschijnselen die gepaard gaan met bewustzijnsverlies of trekkingen;
  • een licht of zweverig gevoel in het hoofd;
  • pijn in de buurt van een oog;
  • het zien van lichtflitsen (flikkerscotomen);
  • wazig zien;
  • beweging van het beeld;
  • globusgevoelens;
  • het aanvalsgewijs optreden van atonie, waardoor de patiënt valt (drop attacks);
  • voorbijgaande stoornissen in het kortetermijngeheugen (transient global amnesia).21)

In de differentiële diagnose verdient met name het onderscheid met epilepsie, migraine en arteriïtis temporalis de aandacht. Kenmerkend voor een epileptisch insult zijn trekkingen, paresthesieën en een snelle uitbreiding van de verschijnselen, gewoonlijk van distaal naar proximaal tot de hele extremiteit of lichaamshelft erbij betrokken is. Verwarring van een TIA met een epileptisch insult is met name mogelijk als de patiënt niet de trekkingen, maar de postictale zwakte benadrukt.

Bij ouderen kunnen migraineuze verschijnselen optreden die sterke gelijkenis vertonen met de aura die vooraf kan gaan aan migraine, maar waarbij de hoofdpijn niet volgt.22) De verschijnselen ontwikkelen zich geleidelijk, bereiken een maximum in 5 tot 20 minuten en duren hoogstens 60 minuten. Nogal eens treden ze herhaaldelijk op. Een geleidelijke ontwikkeling en herhaaldelijk optreden pleiten voor het bestaan van een migraine. Ook het optreden van focale, meestal visuele prikkelingsverschijnselen wijst in die richting. Indien het echter gaat om uitvalsverschijnselen zoals een tijdelijke parese of dysartrie, kan het onderscheid tussen migraine en een TIA moeilijk zijn. Voor meer details zie de NHG-Standaard Migraine.23)

Voorts kunnen plotselinge kortdurende eenzijdige visusstoornissen (amaurosis fugax) veroorzaakt worden door arteriïtis temporalis. Deze aandoening komt met name voor bij mensen boven de 70 jaar en wordt gekenmerkt door hoofdpijn en malaise. De aandoening gaat gepaard met een sterk verhoogde BSE. Patiënten met eenzijdige visusstoornissen die langer dan 15 minuten duren en die niet worden begeleid door (andere) neurologische uitvalsverschijnselen worden voor nader onderzoek verwezen naar de oogarts.24)

Ook aandoeningen als hyperventilatie, vasovagale collaps, conversie, hypoglykemie, de ziekte van Ménière, multiple sclerose, een intracraniële tumor, een chronisch subduraal hematoom, een vasculaire malformatie en angina pectoris kunnen verschijnselen veroorzaken die anamnestisch niet of nauwelijks van een TIA zijn te onderscheiden. Met name bij patiënten jonger dan 60 jaar, bij wie atherosclerotische afwijkingen nog minder op de voorgrond staan, is het aandeel van genoemde oorzaken relatief groot.25) In voorkomende gevallen verdient consultatie van de neuroloog overweging.

In eenderde deel van de gevallen kan de diagnose TIA vanwege anamnestische onduidelijkheid over de daadwerkelijke aanwezigheid van uitvalsverschijnselen niet gesteld worden.26) In het bijzonder uitval in het stroomgebied van de arteria basilaris blijkt vaak een moeilijke diagnose. Evenmin zijn er altijd voldoende aanknopingspunten voor het stellen van één van de besproken alternatieve diagnosen. In deze gevallen wordt overlegd met de neuroloog.27)

LaboratoriumonderzoekNHG Samenvattingskaart

Bij patiënten bij wie de diagnose TIA gesteld is, worden de glucosespiegel, het totaalcholesterol en de totaalcholesterol/HDL-cholesterolratio bepaald.28) Bij kortdurende eenzijdige visusstoornissen wordt tevens een BSE-bepaling verricht.

EvaluatieNHG Samenvattingskaart

Op basis van de bevindingen bij anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek beoordeelt de huisarts of er bij de patiënt (risico)factoren aanwezig zijn die nadere diagnostiek dan wel behandeling behoeven.

  • Bij patiënten met voorbijgaande uitvalsverschijnselen die wijzen op een stoornis in het stroomgebied van de arteria carotis interna en zonder comorbiditeit die een eventuele operatie op voorhand in de weg staat, is beoordeling van de doorgankelijkheid van halsvaten aangewezen door middel van een duplexscan, een combinatie van echografie en doppleronderzoek.29) Gevorderde leeftijd is geen contra-indicatie. Voor de duplexscan wordt verwezen naar de neuroloog die de patiënt bij voorkeur binnen één werkdag en uiterlijk binnen 3 werkdagen ziet.
  • Een stenose van ten minste 70% die bij circa 10% van de patiënten met een carotis-TIA wordt aangetroffen, vormt een indicatie voor endarteriëctomie van de arteria carotis interna. Uit onderzoek blijkt dat deze ingreep bij patiënten met dergelijke vernauwingen de kans op een toekomstig CVA (of recidief TIA) belangrijk reduceert. Men hoeft slechts 5 tot 6 patiënten te opereren om in een periode van 5 jaar één CVA te voorkomen.30) Bij vernauwingen van 80 en 90% nemen de baten nog verder toe, mits er geen sprake is van een (sub)totale afsluiting van 99% of meer.31) Voorwaarde is wel dat de operatie binnen zes maanden en bij voorkeur binnen 14 dagen plaatsvindt, omdat zonder operatie de kans op een CVA – en dus de met de endarteriëctomie te boeken winst – in de eerste periode na het optreden van de voorbijgaande uitvalsverschijnselen het grootst is.32) Tegenover de baten staat een peri-operatief risico op overlijden of het krijgen van een CVA van enkele procenten.33)De indicatiestelling voor operatie wordt overgelaten aan de neuroloog. Patiënten die niet in aanmerking blijken te komen voor carotis-chirurgie kunnen verder worden behandeld door de huisarts.
  • Een volstrekt irregulair polsritme wijst op atriumfibrilleren. Deze aandoening vervijfvoudigt de kans op het krijgen van een CVA met blijvende uitval.34) Voor de verdere diagnostiek en de behandeling van atriumfibrilleren wordt verwezen naar de NHG-Standaard Atriumfibrilleren. Patiënten met een TIA bij wie sprake is van atriumfibrilleren komen in aanmerking voor antistolling met coumarinen. Voorafgaand aan het instellen dient een CT-scan van de hersenen te worden vervaardigd om een bloedige genese definitief uit te sluiten. In afwachting van de CT-scan kan eerst acetylsalicylzuur worden voorgeschreven (voor dosering: zie Richtlijnen beleid).
  • Een souffle van het hart wijst op kleplijden hetgeen eveneens een indicatie kan zijn voor antistolling met coumarinen. Patiënten met een cardiale souffle worden voor nadere evaluatie verwezen naar de neuroloog om een bloedige genese van de neurologische uitval uit te sluiten.
  • Voor de interpretatie van de bloeddrukmeting en de uitslagen van de glucosebepaling en de cholesterolbepaling wordt verwezen naar de NHG-Standaarden Hypertensie, Diabetes mellitus type 2 en Cholesterol.
  • Een normale BSE sluit een arteriïtis temporalis uit.

RICHTLIJNEN BELEIDNHG Samenvattingskaart

Het beleid bij TIA-patiënten is gericht op het verminderen van de kans op een recidief. Ook bij patiënten die een carotis-TIA hebben gehad en verwezen worden voor onderzoek naar de doorgankelijkheid van de arteria carotis interna, blijft op dit terrein voor de huisarts een belangrijke taak weggelegd. Wel is het verstandig over de taakverdeling bij verwezen patiënten afspraken te maken met de neuroloog (zie ook de Landelijke Transmurale Afspraak CVA/TIA in H&W 2004(11)).

VoorlichtingNHG Samenvattingskaart

De huisarts legt de patiënt uit dat de uitvalsverschijnselen naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt worden doordat een stukje hersenweefsel tijdelijk minder goed van bloed werd voorzien. Dat komt door veroudering van de bloedvaten waardoor gemakkelijk kleine stolseltjes ontstaan die de bloedvaten verstoppen. Vaak zijn ook op andere plaatsen in het lichaam de vaten in verminderde conditie. De kans dat de uitval zich herhaalt en dan blijvend is, is het eerste jaar 1 op 8 en 1 op 14 in de jaren erna. Deze kans kan met een kwart worden verkleind door dagelijks een geringe hoeveelheid acetylsalicylzuur in te nemen.35) Verdere verkleining van de kans op het ontstaan van blijvende uitval is mogelijk door eventueel aanwezige risicofactoren voor hart- en vaatziekten, zoals roken, overmatig alcoholgebruik, hoge bloeddruk en een verhoogd cholesterolgehalte in het bloed, gunstig te beïnvloeden.36) Ook de kans op een hartinfarct wordt door deze maatregelen kleiner.

De huisarts overlegt met de patiënt of deze bereid is ter verkleining van het herhalingsrisico veranderingen in zijn leefwijze aan te brengen en medicatie in te nemen. Als ondersteuning bij zijn uitleg kan de huisarts de NHG-Patiëntenbrief TIA meegeven.

Beïnvloeding risicofactorenNHG Samenvattingskaart

Stoppen met roken reduceert in 2 jaar het risico op hart- en vaatziekten naar het niveau van de niet-rokers. De opbrengst neemt af met het stijgen van de leeftijd. Het advies te stoppen kan minder stringent zijn naarmate de patiënt ouder is.37)

Voor de behandeling van hypertensie, hypercholesterolemie en diabetes mellitus type 2 wordt verwezen naar de desbetreffende NHG-Standaarden.38)

Medicamenteuze preventie van nieuwe CVA’sNHG Samenvattingskaart

Zodra de diagnose TIA gesteld is en er geen cardiale afwijkingen zoals hartritmestoornissen of kleplijden aanwezig zijn, wordt gestart met de inname van acetylsalicylzuur, desgewenst in de vorm van het calciumzout carbasalaatcalcium.39) Het middel dient te worden ingenomen op de nuchtere maag. Begonnen wordt met 160 mg acetylsalicylzuur (of 200 mg carbasalaatcalcium) ineens, zodat de plaatjesaggregatieremming direct maximaal is.40) Daarna bedraagt de dosering eenmaal daags 80 mg acetylsalicylzuur (of 100 mg carbasalaatcalcium) waarvan de inname levenslang wordt voortgezet.24 Endarteriëctomie van de arteria carotis interna vormt geen reden om het gebruik van acetylsalicylzuur te beëindigen. Bij contra-indicaties voor acetylsalicylzuur is clopidogrel een goed alternatief.41)

Indien een TIA optreedt bij een patiënt die tevens lijdt aan atriumfibrilleren, heeft het gebruik van een coumarinederivaat de voorkeur. Inname van dit middel reduceert het herhalingsrisico bij patiënten met atriumfibrilleren van 12% per jaar tot 4% per jaar en is daarmee aanzienlijk effectiever dan de inname van acetylsalicylzuur.42)

Van toevoeging van dipyridamol aan acetylsalicylzuur is de meerwaarde niet overtuigend aangetoond.43) Voorschrijven van het eerstgenoemde middel door de huisarts wordt dan ook niet aanbevolen.

ControlesNHG Samenvattingskaart

Enkele dagen tot een week na de TIA wordt de patiënt opnieuw gezien, teneinde te beoordelen hoe de patiënt en diens omgeving het gebeuren verwerkt hebben. Een patiënt die alleen acetylsalicylzuur gebruikt, hoeft daarna niet gecontroleerd te worden. Het controlebeleid wordt verder bepaald door de aanwezigheid van risicofactoren op hart- en vaatziekten en de aanpak daarvan. Aanwijzingen daarvoor zijn te vinden in de desbetreffende NHG-Standaarden.

Herhaling van eventueel onderzoek naar de doorgankelijkheid van de carotiden na verloop van tijd is niet geïndiceerd.

Een recidief TIA is in beginsel geen reden om het beleid te wijzigen. In het bijzonder bij het optreden van meerdere recidieven in korte tijd en bij het optreden van uitvalsverschijnselen aan de contralaterale zijde moet de diagnose worden heroverwogen.44) Ook moet worden nagegaan of de risicofactoren voor hart- en vaatziekten adequaat gecontroleerd zijn.

Verwijzing/consultatieNHG Samenvattingskaart

Verwijzing of consultatie van de neuroloog vindt plaats indien:

  • de patiënt een TIA in het carotisgebied heeft en onderzocht moet worden of er een indicatie bestaat voor carotis-chirurgie;
  • de patiënt met een TIA tevens lijdt aan atriumfibrilleren of een cardiale souffle heeft, om door middel van een CT-scan een bloeding definitief uit te sluiten;
  • de huisarts onzeker is of de uitvalsverschijnselen daadwerkelijk als een TIA kunnen worden geduid.

ADDENDUM: TIA-SERVICENHG Samenvattingskaart

De TIA-service is een recente ontwikkeling in de tweede lijn. Het betreft een poliklinische dienstverlening waar patiënten die een klein CVA of een TIA hebben (gehad) of bij wie zulks vermoed wordt, binnen enkele werkdagen door een neuroloog worden gezien, onderzocht en behandeld. Het doel ervan is, naast eventueel het bevestigen van de diagnose, vast te stellen of de patiënt risicofactoren heeft voor een recidief infarct die door behandeling gunstig beïnvloed kunnen worden. Het bezoek aan de neuroloog, het aanvullende diagnostische onderzoek – doorgaans uitgebreider, daar naast de duplexscan en bloedonderzoek ook een CT-scan en een ECG worden gemaakt –, het opstellen van een behandelplan en de bespreking met de patiënt vinden bij voorkeur plaats op één dag, zodat er snel met een eventuele behandeling kan worden begonnen.45)

TIA-services zijn nog niet in alle Nederlandse ziekenhuizen voorhanden, maar de verwachting is dat hun aantal zich de komende jaren aanmerkelijk zal uitbreiden. De indicaties voor verwijzing van patiënten met (een vermoeden van) een TIA naar een TIA-service zijn niet anders dan de indicaties voor verwijzing of consultatie van de neuroloog die in deze standaard genoemd zijn. Indien voorhanden heeft verwijzing naar de TIA-service vanwege de snelheid die geboden wordt, de voorkeur. Voor routinematige verwijzing van patiënten met een TIA die hier en daar wel bepleit wordt, ontbreekt goede grond.46)

Ook patiënten met een gering CVA of een CVA waarbij de uitvalsverschijnselen spontaan als sterk in omvang afnemen – zodat opname op een stroke-unit niet zinvol is – komen in aanmerking voor verwijzing naar een TIA-service (zie de NHG-Standaard CVA).

Totstandkoming

Nadat werd besloten te beginnen met de ontwikkeling van een NHG-Standaard TIA startte in 2001 een werkgroep. De werkgroep bestond uit de volgende leden: prof.dr. J.J. van Binsbergen, dr. S.Verhoeven, S.T.B. van Bentum, dr. J. Schuling, dr. G.H.M.I. Beusmans en H.J.C.M. Pleumeekers, allen huisarts. Deze werkgroep heeft een conceptversie gemaakt. Begin 2004 werd dit concept voor commentaar naar vijftig aselect gekozen huisartsen uit het NHG-ledenbestand gestuurd. Er werden 17 commentaarformulieren retour ontvangen. Als referenten bij deze standaard traden op: dr. C.L. Franke, dr. J. Boiten, dr. R.A. van der Kruijk, dr. G.J.R. Luijckx en dr. D.W.J. Dippel, neurologen alsmede prof.dr. H. van Urk, vaatchirurg. Vermelding als referent betekent overigens niet dat iedere referent de standaard inhoudelijk op elk detail onderschrijft. In mei 2004 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie.

De begeleiding van de werkgroep en de redactie van de tekst van de standaard was in handen van dr. Tj. Wiersma, huisarts-filosoof en senior wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschapsbeleid.

© 2004 Nederlands Huisartsen Genootschap


Noot 1 Terug 

Het onderscheid tussen een TIA en een beperkt CVA heeft geen wezenlijke pathogenetische grondslag en is evenmin van duidelijke prognostische betekenis. Ook uitvalsverschijnselen die spontaan verdwijnen, kunnen een gevolg zijn van infarcering, terwijl de prognose van een patiënt met een TIA in de anamnese niet verschilt van die van een patiënt die geheel of met beperkte restverschijnselen van een cerebraal infarct geneest [Dennis 1989a, 1990b].

Op grond van de overeenkomstige pathogenese tussen TIA’s en CVA’s bepleit de CBO-richtlijn Beroerte afschaffing van het TIA-begrip. In het bijzonder het feit dat men volgens de formele definities 24 uur moet wachten alvorens een TIA van een CVA te kunnen onderscheiden, speelt in de argumentatie een belangrijke rol. Vooral omdat men nu patiënten met ischemische cerebrale uitval met trombolyse kan behandelen wat volgens de huidige inzichten binnen 3 uur moet plaatsvinden, werd het hanteren van het 24-uurscriterium onwenselijk geacht [CBO 2000]. Een dergelijk criterium zou de arts slechts verleiden tot afwachten.

Bij de herziening van deze standaard is er echter voor gekozen het begrip TIA te handhaven en de grens tussen TIA en CVA te laten bepalen door de vraag of de uitvalsverschijnselen nog aanwezig zijn op het moment dat de huisarts de patiënt ziet. Reden daarvoor is dat de taak van de huisarts bij patiënten met uitval die al spontaan verdwenen is, belangrijk verschilt van die bij mensen met actuele uitvalsverschijnselen. In het eerste geval staat de huisarts allereerst voor de taak de vraag te beantwoorden of het al dan niet om een TIA ging en staan diagnostische problemen op de voorgrond die vooral anamnestisch moeten worden opgelost. Nadat de diagnose TIA gesteld is, ligt het accent op maatregelen ter voorkoming van een recidief. In het tweede geval is de diagnose relatief eenvoudig en gaat het er vooral om spoedig met behandeling en revalidatie te beginnen. Een poging de taak van de huisarts bij dergelijke toch belangrijk van elkaar verschillende patiëntencategorieën in één standaard onder te brengen, zou vooral leiden tot een complex en onleesbaar document.

Ook elders wordt inmiddels onderkend dat er goede redenen zijn voor handhaving van het TIA-begrip, op voorwaarde dat het 24-uurscriterium komt te vervallen [Franke 2001; Albers 2002].

Noot 2 Terug 

De Nationale Studie en het Transitieproject geven beide een incidentie van 2 per 1000 patiënten per jaar [Van der Linden 2004; Okkes 1998].

Noot 3 Terug 

In 1986 en 1987 registreerden de huisartsen van de peilstations van het NIVEL alle nieuwe gevallen van TIA. De praktijken van deze huisartsen omvatten samen 1% van de Nederlandse bevolking. Zij registreerden 132 patiënten met een TIA. Driekwart was ouder dan 70 jaar [Van der Meer 1990].

Noot 4 Terug 

In het peilstationproject bleek 39% van de TIA-patiënten al hypertensie in de voorgeschiedenis te hebben, 10% diabetes mellitus, 20% adipositas en 7% dementie. Drieëntwintig procent van de patiënten had al eerder een TIA doorgemaakt [Van der Meer 1990]. Hoewel gegevens uit een controlegroep die geheel vergelijkbaar is met die van de TIA-patiënten ontbreken, lijkt vergelijkbare morbiditeit bij 65-plussers in het algemeen aanzienlijk minder vaak voor te komen. Blijkens huisartsenregistraties worden episodes van hypertensie, diabetes mellitus en dementie gemeld bij respectievelijk 17, 5 en 1,4% van de 65-plussers [Meyboom-de Jong 1989].

Ook elders bleek dat risicofactoren voor hart- en vaataandoeningen bij TIA-patiënten veelvuldig voorkomen: hypertensie en een serumcholesterolspiegel >7,0 mmol/l bij 30%; roken, atriumfibrilleren en diabetes mellitus bij respectievelijk 15, 8 en 4% [Warlow 1992]. Het is opvallend dat bij de zeer kleine groep patiënten met een TIA voor het vijftigste jaar vrijwel nooit onderliggende pathologie gevonden wordt [Koudstaal 1992; Larsen 1990].

Noot 5 Terug 

Bij de contactreden verlamming/krachtsverlies wordt in circa 30% van de episoden de diagnose TIA gesteld; bij een kwart van de episoden is dit de diagnose CVA en bij ruim 10% wordt een ‘overige neurologische aandoening’ vastgesteld. In 4% van de episoden wordt geen nadere diagnose gesteld [Okkes 1998].

Noot 6 Terug 

Onderzoek naar het beloop van de uitval onder 1343 in een ziekenhuis in New York opgenomen patiënten met neurologische uitval liet zien dat bij 382 patiënten de uitval binnen 24 uur weer verdwenen was. De percentages in de standaard berusten op het beloop bij deze TIA-patiënten [Levy 1988].

Noot 7 Terug 

De vermelde gegevens zijn afkomstig uit de onderzoeken van Warlow en Adams [Warlow 1992; Adams 1984]. Anderen menen dat de kans op een CVA, hartinfarct of overlijden door vasculaire ziekten ongeveer de helft lager ligt [Frencken 1992].

Noot 8 Terug 

In een overzichtsartikel werd beschreven dat de kans op herhaling per tijdseenheid afneemt naarmate de tijd verstrijkt [Van Gijn 1991]. Bij patiënten die vanwege een TIA waren opgenomen in de Mayoclinic bleek de kans op een recidief-CVA of overlijden aan cerebro- of cardiovasculaire aandoeningen binnen 1 week 5%, binnen 1 maand 10%, binnen 1 jaar 20% en binnen 5 jaar 35% te bedragen [Keith 1987]. Ook meer recente berichten geven aan dat de kans op een CVA of recidief TIA vooral de eerste weken groot is [Claiborne Johnston 2000; Lovett 2003]. Dat geldt bij uitstek voor mensen met een ernstige stenose van de arteria carotis interna aan de ipsilaterale zijde [Blaser 2002].

Noot 9 Terug 

Een TIA is zelf geen risicofactor, maar een risico-indicator voor het optreden van een myocard- of herseninfarct [Hankey 1992; Dennis 1990a; Howard 1991]. De kans om te overlijden aan een cardiale oorzaak wordt uitsluitend bepaald door cardiale risicofactoren; neurologische parameters hebben geen voorspellende waarde [Bellersen 1995].

Noot 10 Terug 

[Dunbabin 1990; Tuomilehto 1991; Marmot 1992].

Noot 11 Terug 

Alleen de belangrijkste factoren die de kans op de vorming van stolsels doen toenemen zijn in de standaard vermeld [Scheinberg 1991; Howard 1991]. Sommigen menen dat abnormale bloeddrukfluctuaties die ontstaan ten gevolge van stenose van de arteria carotis interna ook kunnen leiden tot het optreden van TIA’s. Andere, meer zeldzame risicofactoren voor TIA zijn ernstige anemie, polycytemie, trombocytemie en (congestieve) cardiomyopathie [Autret 1987; Behar 1991].

Noot 12 Terug 

Vaatwandbeschadiging, hypertensie en verstoring van de natrium-, kalium-, calcium- en magnesiumhuishouding zouden aan vaatspasmen ten grondslag kunnen liggen [Pulsinelli 1992; Anonymus 1991; Wise 1983; Buikema 1992].

Noot 13 Terug 

In een Engels eerstelijnsonderzoek onder 184 patiënten met een TIA en 213 met een gering CVA bleken leeftijd, geslacht, aanwezigheid van andere vasculaire aandoeningen en de risicofactoren in beide groepen in verregaande mate overeen te komen. De kans op het nieuw CVA of overlijden was iets groter in de groep met een gering CVA, wat kan worden verklaard door de betere prognose van de patiënten met amaurosis fugax die deel van de TIA-groep uitmaakten. De auteurs concluderen dat het onderscheid tussen TIA’s en CVA’s in veel situaties, waaronder clinical trials waarmee de waarde van secundaire preventie van CVA’s moet worden vastgesteld, van ondergeschikt belang is [Dennis 1989a].

Noot 14 Terug 

In prospectief onderzoek in een populatie van 105.000 mensen in Oxfordshire, Engeland, worden in de jaren 1981 tot 1986 184 patiënten met een TIA gevonden. Van deze 184 heeft circa 80% een carotis-TIA; bij de resterende 20% betreft het een TIA in het stroomgebied van de arteria vertebralis of is de lokalisatie onzeker [Dennis 1989b].

Noot 15 Terug 

Desondanks zijn ervaren neurologen het in een derde deel van de gevallen niet met elkaar eens over de diagnose wanneer ze onafhankelijk van elkaar de anamnese van een patiënt met een mogelijke TIA opnemen. De oorzaak van de onenigheid is gelegen in de uiteenlopende interpretatie van de anamnestische gegevens.

De overeenstemming tussen neurologen is groter als gebruikgemaakt wordt van een vragenlijst waarop de klachten van de patiënt in diens eigen bewoordingen genoteerd worden en als na afname van de anamnese overlegd wordt. Voorts bleek dat zelfs ervaren neurologen de diagnostische criteria niet altijd strikt hanteren, met name bij de klacht wazig of mistig zien. De diagnostische criteria werden veel vaker genegeerd om de diagnose TIA te kunnen bevestigen, dan om deze uit te sluiten [Koudstaal 1986].

Noot 16 Terug 

Anosognosie waarbij de patiënt meent de getroffen lichaamshelft normaal te kunnen gebruiken, kan optreden bij laesies in de pariëtale schors van de niet-dominante hemisfeer [Oosterhuis 2000]. Driekwart van de TIA-patiënten met gezichtsvelduitval bleek zich hiervan niet bewust te zijn [Price 1977].

Noot 17 Terug 

In een Nederlandse huisartsenpopulatie werden als meest voorkomende verschijnselen opgegeven: spraakstoornissen 48%, motorische uitval van de linker arm 32%, van het linker been 21%, van de rechter arm 23% en van het rechter been 19%, bewustzijnsstoornissen 14%, facialisstoornissen 8% en visusklachten 8%.

Paresthesieën gaan meestal niet gepaard met objectieve afwijkingen bij sensibiliteitsonderzoek en reflexveranderingen worden weinig gezien [Van der Meer 1990].

Noot 18 Terug 

Wanneer het bovenste deel van de aangezichtsspieren evenzeer is aangedaan als het onderste deel, is er een perifere parese en dus geen TIA. Door de dubbele innervatie van de bovenste aangezichtsspieren is de oogsluiting bij eenzijdige centrale laesies altijd intact. Differentiatie tussen een centrale en een perifere facialisparese is in de lichtere gevallen klinisch niet altijd mogelijk [Oosterhuis 2000].

Noot 19 Terug 

Sauvé et al. [1993] beschreven drie onderzoeken naar de relatie tussen carotissouffles bij TIA’s en status bij angiografie. De bevindingen van deze onderzoeken zijn samengevat in tabel 3.

Tabel 3 Testeigenschappen van auscultatie van de carotiden ten opzichte van angiografie


Ingangsklacht Voorspelde stenose (%) Sensitiviteit Specitiviteit LR+ Voorafkans Achterafkans
TIA50-1000,290,882,40,080,17
carotis-TIA75-1000,760,763,20,160,37
carotis-TIA70-990,620,611,60,520,63

Uit de tabel blijkt dat de sensitiviteit van auscultatie van de carotiden te wensen overlaat: eenderde deel van de TIA-patiënten met een stenose van meer dan 70% heeft geen carotissouffle. Aan de andere kant wijst een souffle lang niet altijd op de aanwezigheid van een ernstige stenose. Auscultatie van de carotiden is dus niet van belang voor het beleid.

Noot 20 Terug 

De diagnostische criteria voor de diagnose TIA zijn ontleend aan de Classification and Outline of Cerebrovascular Diseases III en worden ook nu nog gebruikt [Dutch TIA Trial Study Group 1990; Warlow 2001].

Noot 21 Terug 

Drop attacks en transient global amnesia gaan in tegenstelling tot TIA’s niet gepaard met een verhoogde kans op CVA of andere hart- en vaatziekten. De oorzaak is onbekend [Hodges 1990; Meissner 1986].

Noot 22 Terug 

Zestig procent van deze migraineuze verschijnselen zou zonder hoofdpijn verlopen. Ook een voorgeschiedenis van recidiverende hoofdpijn ontbreekt bij een groot deel van deze patiënten [Fisher 1986; Peatfield 1987].

Noot 23 Terug 

Ook de NHG-Standaard Migraine maakt melding van migraine zonder hoofdpijn en de differentieel-diagnostische problemen die dat op kan leveren [Bartelink 1999]. In zijn opvolger, de NHG-Standaard Hoofdpijn, wordt deze problematiek niet meer besproken [Knuistingh Neven 2004].

Noot 24 Terug 

Monoculaire (voorbijgaande) visusstoornissen kunnen behalve door arteriïtis temporalis veroorzaakt worden door orthostatische hypotensie, hartritmestoornissen, verhoogde intracraniële druk, glaucoom, maligne hypertensie, migraine, ablatio retinae, neuritis optica en tumoren [Sandercock 1991].

Noot 25 Terug 

Zo hebben patiënten jonger dan 45 jaar met een TIA of een cerebraal infarct in slechts 16% van de gevallen een carotisstenose van meer dan 50%, terwijl dit bij 30 tot 50% van de ouderen het geval is [Carolei 1995]. Onbekend is hoe vaak verwarring van een TIA optreedt met de aandoeningen die in de tekst van de standaard worden genoemd [Landi 1992].

Noot 26 Terug 

Blijkens het Transitieproject zijn huisartsen bij drie van de tien TIA-episoden onzeker over de diagnose [Okkes 1998]. Ook ervaren neurologen zijn in eenderde deel van de gevallen onzeker over de diagnose [Calanchini 1977; Kraaijeveld 1984].

Noot 27 Terug 

In buitenlands onderzoek is gerapporteerd dat niet-specialisten de diagnose TIA te lichtvaardig stellen. Portugees onderzoek op basis van enkele tientallen patiënten meldde dat de diagnose vooral ten onrechte gesteld werd bij patiënten die voorbijgaande bewustzijns- of evenwichtsstoornissen aangaven [Ferro 1996]. Uit Amerikaans onderzoek onder 508 patiënten die met de diagnose TIA waren ingestuurd bleek dat de neuroloog bij niet meer dan 373 de diagnose kon bevestigen. Een deel van de anderen had migraine, epilepsie, hyperventilatie, multiple sclerose of de ziekte van Parkinson; bij 8% kon geen diagnose worden gesteld. De auteurs merken op dat hun onderzoek geen definitief uitsluitsel geeft over de diagnostische accuratesse in de eerste lijn omdat de niet-verwezen patiënten niet zijn meegenomen [Martin 1997].

De diagnose TIA met niet voortijdig, op grond van onvoldoende evidentie gesteld worden. Daarom is het vooral van belang een zorgvuldige anamnese af te nemen en de diagnostische criteria nauwgezet te hanteren. Nader onderzoek in de vorm van een CT- of MRI-scan levert doorgaans geen aanvullende informatie op en geeft bij een onduidelijke anamnese in de regel geen uitsluitsel.

Noot 28 Terug 

Zowel diabetes mellitus als hypercholesterolemie gaan gepaard met een belangrijke verhoging van de kans op hart- en vaatziekten, waaronder het CVA [Rutten 1999; Thomas 1999].

Noot 29 Terug 

Onderzoek van de doorgankelijkheid van de halsvaten kan zowel invasief als non-invasief plaatsvinden. Het non-invasieve duplexonderzoek (een combinatie van echografie en doppleronderzoek) heeft vanwege het ontbreken van risico’s voor de patiënt in eerste instantie de voorkeur. Tot voor kort was voor de definitieve vaststelling van de operatie-indicatie aanvullend invasief onderzoek door middel van arteriografie volgens Seldinger of digitale subtractieangiografie (DSA) noodzakelijk, waarbij in het bijzonder de eerste methode een gering risico (0,2-5%) met zich meebracht op het veroorzaken van blijvende neurologische uitval [Hankey 1990]. Inmiddels worden deze invasieve onderzoeksmethoden meer en meer vervangen door de non-invasieve magnetische-resonantieangiografie (MRA).

Noot 30 Terug 

Over de baten van carotis-chirurgie bij patiënten met een symptomatische stenose van meer dan 70% zijn al geruime tijd geleden de resultaten van twee gerandomiseerde trials gepubliceerd: een Europese (ECST) en een Noord-Amerikaanse (NASCET) [European Carotid Surgery Trialists’ Collaborative Group 1991; North American Symptomatic Carotid Endarterectomy Trial Collaborators 1991].

Toegelaten werden patiënten die hooguit 4 maanden voor opname in de trial een TIA of een niet-invaliderend CVA hadden doorgemaakt. Het Europese onderzoek hanteerde geen leeftijdsgrens, het Amerikaanse onderzoek accepteerde alleen patiënten jonger dan 80 jaar. In Europa bedroeg de duur van de follow-up 3 jaar, in Amerika 2 jaar.

De belangrijkste resultaten van deze onderzoeken onder patiënten met een angiografisch vastgestelde carotisstenose van meer dan 70% zijn in tabel 4 samengevat.

Tabel 4 Belangrijkste resultaten van de ECST en NASCET bij patiënten met een stenose > 70%


  ECST (n=778) NASCET (n=659)
Conservatieve behandeling:   
  • aantal patiënten
323331
  • ernstige ipsilaterale CVA’s aan eind onderzoek (%)
8,413,1
  • alle CVA’s aan eind onderzoek (%)
21,927,6
   
Chirurgische therapie:   
  • aantal patiënten
455328
  • perioperatieve sterfte + ernstige CVA’s (%)
3,72,1
  • ernstige ipsilaterale CVA’s aan eind onderzoek (%)
1,12,5
  • alle CVA’s aan eind onderzoek (%)
12,312,6
  • CVA’s voorkomen door chirurgie (%)
9,615,0

Tegenover een (peri)operatief risico op sterfte of een ernstig CVA van enkele procenten, wordt de kans op het krijgen van een ernstig CVA bij patiënten met een carotisstenose van meer dan 70% gedurende de eerste jaren na de operatie met meer dan 75% teruggebracht, terwijl de kans op het krijgen van een willekeurig CVA wordt gehalveerd van ruim 20 naar iets meer dan 10%.

De enigszins grotere effectiviteit van carotis-chirurgie in de NASCET in vergelijking met de ECST kan worden verklaard doordat de onderzoeken verschillende methoden ter bepaling van de ernst van de stenose gebruikten.

Patiënten met een carotisstenose van minder dan 30% hebben zeker geen baat bij de ingreep. Bij patiënten met een stenose tussen 30 en 70% waren de resultaten minder duidelijk en was voortzetting van het onderzoek noodzakelijk. De resultaten van carotis-chirurgie bij deze patiënten kwamen later beschikbaar [Barnett 1998; MRC European Carotid Surgery Trial (ECST) 1998]. Na een follow-up van 5 jaar bedroeg in de NASCET het aantal ipsilaterale CVA’s bij patiënten met een stenose van 50 tot 69% in de chirurgisch behandelde groep 15,7% en in de conventioneel behandelde groep 22,2% (p= 0,045). In de groep met een stenose van 30 tot 49% was dit respectievelijk 14,9 en 18,7% (p= 0,16). Perioperatieve sterfte of een invaliderend CVA kwam voor bij 2,8% van de geopereerde patiënten. De auteurs pleitten op grond van deze gegevens voor een terughoudend beleid met betrekking tot endarteriëctomie bij stenosen van minder dan 70%. In hetzelfde artikel wordt gemeld dat het aantal invaliderende ipsilaterale CVA’s in de groep die voorheen geopereerd was aan een stenose van meer dan 70% ook na een follow-up van 8 jaar laag bleef (6,7%), zodat de gunstige resultaten voor die groep ook in de tijd standhielden.5 De onderzoekers van de ECST rapporteerden vergelijkbare bevindingen en concludeerden eveneens dat carotis-chirurgie bij stenosen van minder dan 80% (corresponderend met 70% in de NASCET) weinig zinvol is [MRC European Carotid Surgery Trial (ECST) 1998].

Onlangs zijn de resultaten van de ECST opnieuw geanalyseerd, waarbij de ernst van de stenose op de preoperatief gemaakte angiogrammen werd bepaald volgens de NASCET en de duur van de follow-up was verlengd naar gemiddeld 73 maanden. De resultaten van de ECST en de NASCET blijken dan in grote lijnen met elkaar overeen te komen [Rothwell 2003b].

In een analyse van de gepoolde data van NASCET, ECST en de veel kleinere Veterans Affairs Trial 309 – waarbij het in totaal gaat om 6092 patiënten en 35.000 patiëntjaren follow-up – komt men tot de volgende conclusies over de baten van carotis-chirurgie in vergelijking met conservatieve behandeling: het vijfjaarsrisico op een ipsilateraal ischemisch CVA neemt toe met 2,2% (p=0,05) bij patiënten met een stenose van minder dan 30% (wederom gemeten volgens de NASCET-methode); er is geen effect bij patiënten met een stenose van 30 tot 49% (absolute vijfjaarsrisicoreductie 3,2%; p=0,6) en een gering voordeel bij een stenose van 50 tot 69% (absolute vijfjaarsrisicoreductie 4,6%; p=0,04). Bij een stenose van 70% of meer is er een belangrijk voordeel mits er geen (sub)totale afsluiting is (absolute vijfjaarsrisicoreductie 16,0%; p<0,001). Bij (sub)totale afsluiting blijkt carotis-chirurgie geen voordelen op te leveren. [Rothwell 2003a; Rothwell 2004a]. Gevorderde leeftijd is geen contra-indicatie voor de ingreep. Blijkens latere rapportages werden vanaf 1991 ook patiënten van 80 jaar en ouder in de NASCET geïncludeerd. In een secundaire analyse van de onderzoeksgegevens blijkt endarteriëctomie in de leeftijdsgroep van 75 jaar en ouder met een stenose van de arteria carotis interna zeer effectief, vooral omdat de kans op een CVA bij conservatieve behandeling belangrijk toeneemt met de leeftijd [Alamowitch 2001].

Er is dan ook geen reden om een leeftijdsgrens voor carotis-chirurgie te hanteren [Rothwell 2001]. Het gebruik van stents en ballonangioplastiek ter preventie van CVA’s bij patiënten met ernstige carotisstenosen is nog experimenteel [CAVATAS investigators 2001].

Noot 31 Terug 

Inmiddels is op basis van de data die voornamelijk afkomstig zijn uit het ECST-onderzoek een predictief model ontwikkeld dat tot doel heeft de baten van carotis-chirurgie bij individuele patiënten met een stenose van ten minste 70% beter te voorspellen [Rothwell 1999]. Uit gegevens over de niet-geopereerde patiënten wordt berekend dat de kans op het krijgen van een CVA toeneemt als het een cerebraal (en geen oculair) infarct betreft, de plaque in de arteria carotis interna een irregulair oppervlak heeft, de ischemische gebeurtenis korter dan twee maanden geleden is en de mate van stenose ernstiger is. Uit gegevens over geopereerde patiënten wordt berekend dat de kans op een CVA of overlijden binnen een maand na een endarteriëctomie groter is als de patiënt van het vrouwelijk geslacht is, er sprake is van een perifere vaatziekte en als de systolische bloeddruk meer dan 180 mmHg bedraagt.

Indien aan de aanwezigheid van een cerebraal infarct, een irregulaire plaque en een recente ischemische gebeurtenis steeds één punt wordt toegekend en een carotisstenose van 70-79%, 80-89% en 90-99% goed zijn voor respectievelijk 0, 1 en 2 punten, is de maximale score 5 punten, wat wijst op een groot risico om een CVA te krijgen. Om de baten van een eventuele operatie te berekenen, wordt voor ieder van de zo-even genoemde 3 factoren die het operatieresultaat negatief beïnvloeden 0,5 punt van het maximum van 5 afgetrokken.

Met dit risicovoorspellingsmodel wordt berekend dat carotis-chirurgie vooral en mogelijk uitsluitend effectief is bij patiënten met een stenose van minstens 70% die ten minste 4 punten scoren en dat een operatie bij patiënten met een lage score vermoedelijk schadelijk is. De auteurs berekenen voor de groep met ten minste 4 punten een absolute risicoreductie op een CVA of overlijden door operatief ingrijpen van 33%. Door alleen de subgroep patiënten met een grote kans op het krijgen van een CVA en een laag operatierisico te opereren, kan met veel minder operaties een vergelijkbaar aantal CVA’s worden voorkomen.

Bovenstaand model dat ook in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde is besproken [Hoefnagels 2001], suggereert dat een verdere restrictie van de indicatiestelling voor carotis-chirurgie de baten aanmerkelijk zou kunnen opschroeven, maar moet idealiter nog door middel van prospectief onderzoek gevalideerd worden. Dat de opbrengst van carotis-chirurgie toeneemt met de ernst van de stenose, blijkt ook uit de analyse van de gepoolde NASCET- en ECST-data, waarbij een uitzondering dient te worden gemaakt voor patiënten met een (sub)totale afsluiting [Rothwell 2003a].

Noot 32 Terug 

Dat de baten het grootst zijn als de ingreep op korte termijn na een TIA of een beperkt CVA plaatsvindt, blijkt ook uit een secundaire analyse van de NASCET, ECST en de (veel kleinere) Veterans Affairs trial. Is bij operatief ingrijpen binnen 14 dagen de absolute-risicoreductie op een CVA of overlijden in de komende 5 jaar nog bijna 20%, na meer dan 4 weken is de winst gezakt naar minder dan 10% [Rothwell 2004b].

Het is onzeker of een operatie na meer dan 6 maanden na de neurologische uitval nog zin heeft. Mogelijk dat de Asymptomatic Carotid Surgery Trial waarover binnenkort gepubliceerd wordt, hier meer duidelijkheid over verschaft.

Noot 33 Terug 

Zowel de NASCET als de ECST zijn verricht in centra met relatief veel ervaring met carotis-chirurgie en om die reden zijn de resultaten wellicht enigszins geflatteerd. Ook zijn de risico’s van arteriografie niet in de resultaten verdisconteerd.

Er zijn aanwijzingen dat de resultaten van carotis-chirurgiecentra die daar weinig ervaring mee hebben, slechter zijn dan die in de trials gevonden werden. Voor Amerika is inmiddels beschreven dat in centra met minder ervaring met carotis-chirurgie de perioperatieve sterfte hoger is. Deze bedroeg in de centra die patiënten includeerden voor de trials 1,4% versus 2,5% in de centra met een gering aantal verrichtingen [Wennberg 1998]. Ook elders werd gesignaleerd dat de perioperatieve sterfte in sommige centra hoger ligt [Tu 1998]. Spence et al. [2001] noemden in een commentaar een hoger percentage perioperatieve complicaties dan in de trials representatief voor de klinische praktijk. Ook anderen wezen erop dat de resultaten van de trials niet gemakkelijk in de klinische praktijk gereproduceerd kunnen worden [Chassin 1998], terwijl er tevens ingrepen worden verricht bij patiënten bij wie dat niet geïndiceerd is [Cebul 1998]. Betrouwbare Nederlandse gegevens zijn niet voorhanden.

Noot 34 Terug 

Bij reumatisch atriumfibrilleren is de kans zelfs zeventienmaal verhoogd [Wolf 1978]. Tevens neemt de procentuele bijdrage van atriumfibrilleren – in tegenstelling tot die van hypertensie, hartfalen en coronaire hartziekten – aan het optreden van CVA’s toe met de leeftijd tot meer dan een derde bij de groep van 80 jaar en ouder [Wolf 1987].

Noot 35 Terug 

De baten van gebruik van acetylsalicylzuur door patiënten met een TIA of een CVA zijn in vele trials aangetoond. In een recente meta-analyse is berekend dat dit middel zowel de kans op het doormaken van een niet-dodelijk herseninfarct als een niet-dodelijk myocardinfarct met circa 25% vermindert. De relatieve reductie van de kans op sterfte is geringer en bedraagt circa 10%. De absolute reductie van de kans op cardiovasculaire morbiditeit of mortaliteit bedraagt in de trials ruim 1% per jaar. Er is geen duidelijke dosis-effectrelatie [Antithrombotic Trialists’ Collaboration 2002]. Ook in een ander overzichtsartikel wordt geconcludeerd dat alle doseringen van 50 tot 1500 mg daags even effectief zijn en wordt het niet uitgesloten dat de ondergrens verder verlaagd kan worden [Johnson 1999]. Het enige onderzoek waarin werd gewerkt met een dosering van minder dan 50 mg per dag, is de Dutch TIA Trial. Hieruit blijkt dat 30 mg een even goed resultaat geeft als een dosering van 283 mg en met minder gastro-intestinale bijwerkingen gepaard gaat [Dutch TIA Trial Study Group 1991; Algra 1991]. Op theoretische gronden is zelfs wel gesuggereerd dat 30 mg effectiever is dan hogere doseringen, omdat de remming van de plaatjesaggregatie door vermindering van de productie van tromboxaan A2 in de bloedplaatjes bij deze lage dosering al volledig is, terwijl de productie van het aggregatieremmende prostaglandine in de endotheelcellen nog nauwelijks is verlaagd [Kalmann 1987; Algra 1998].

Omdat de hoeveelheid bewijs voor de effectiviteit van een dosering van meer dan 50 mg acetylsalicylzuur per dag veel groter is dan die voor de effectiviteit van lagere doseringen en gebruik van 80 mg per dag ook voor andere indicaties (waaronder het ischemisch CVA) wordt aanbevolen, is anders dan in de eerste versie van deze standaard besloten voortaan het gebruik van 80 mg acetylsalicylzuur per dag te adviseren.

Noot 36 Terug 

Door de risicofactoren na een TIA te beïnvloeden kan de kans op het krijgen van een recidief TIA of een CVA met 25% gereduceerd worden. Over de mate waarin CVA’s voorafgegaan worden door een TIA lopen de cijfers uiteen van 10 tot 26% [Mohr 1978; Dennis 1989b; Van der Meer 1990]. Omdat ongeveer de helft van de TIA’s niet aan de dokter wordt gemeld, kan op grond van deze gegevens worden berekend dat met beïnvloeding van risicofactoren circa 2% van de CVA’s kan worden voorkomen.

Noot 37 Terug 

Rokers hebben na correctie voor leeftijd en hypertensie een 1,9 maal verhoogde kans op een CVA, waarbij een relatie bestaat tussen de dagelijks gerookte hoeveelheid sigaretten en de ernst van het CVA. Op jongere leeftijd is het relatieve risico groter. Boven de 75 jaar is de kans slechts 1,1 maal verhoogd [Wolf 1988; Shinton 1989].

Noot 38 Terug 

Op grond van de resultaten van de Perindopril protection against recurrent stroke study (PROGRESS) is gesteld dat zowel patiënten met als zonder hypertensie na een doorgemaakt CVA of TIA baat hebben bij bloeddrukverlagende medicatie [Lenders 2002; PROGRESS Collaborative Group 2001]. De interpretatie van dit onderzoek wordt echter bemoeilijkt doordat hypertensie in het onderzoek gedefinieerd is als een bloeddruk van ten minste 160 mmHg systolisch of 90 mmHg diastolisch. Deze definitie wijkt af van de grenswaarden van 140/90 mmHg die tegenwoordig in vrijwel alle richtlijnen – inclusief de derde herziening van de NHG-Standaard Hypertensie – gehanteerd worden. Hoewel gegevens over de gemiddelde initiële bloeddrukwaarden in de non-hypertensieve groep (136/79 mmHg) in PROGRESS min of meer bewijzen dat een substantieel deel van deze patiënten ook met de huidige definitie wel normotensief zal zijn geweest, staat dit een directe vertaling van de resultaten van PROGRESS in richtlijnen voor het beleid bij patiënten na een CVA of een TIA in de weg. De winst kan immers heel goed primair afkomstig zijn uit de categorie patiënten met initiële bloeddrukwaarden van 150 mmHg systolisch of meer. Een eenduidige interpretatie is bovendien niet goed mogelijk omdat er in PROGRESS geen streefwaarden voor de bloeddruk gehanteerd worden en de absolute gezondheidswinst van gebruik van medicatie lager is in de non-hypertensieve groep en zelfs ontbreekt als niet tegelijkertijd met het diureticum indapamide behandeld wordt. Ook in het begeleidend commentaar bij het onderzoek wordt hierop gewezen en wordt gesuggereerd bij de secundaire preventie van CVA’s de streefwaarden 130/85 mmHg te hanteren [Staessen 2001]. Gezien al deze onduidelijkheid is er de voorkeur aan gegeven vooralsnog de streefwaarden van 140/90 mmHg die gehanteerd worden in de derde herziening van de NHG-Standaard Hypertensie aan te houden.

Noot 39 Terug 

Als gestart wordt met behandeling met acetylsalicylzuur wanneer de symptomen verdwenen zijn, valt er geen schade in de zin van (toename van) cerebrovasculaire bloedingen te verwachten. Het verdwijnen van focale symptomen binnen 24 uur maakt een bloedige genese onwaarschijnlijk.

Noot 40 Terug 

Omdat de kans op herhaling van een cerebrovasculaire aandoening in de eerste week 3 tot 5% bedraagt [Keith 1987], is het van belang een oplaaddosis te gebruiken [Van Gijn 1991].

Noot 41 Terug 

Indien gebruik van acetylsalicylzuur door allergie gecontraïndiceerd is, kan clopidogrel worden voorgeschreven. Het middel heeft hetzelfde werkingsmechanisme als het al langer bekende ticlopidine, maar heeft minder bijwerkingen. Zo blijkt gebruik ervan niet gepaard te gaan met een verhoogde kans op leukopenie [Sharis 1998]. In een grote trial met meer dan 19.000 patiënten bleek clopidogrel in een dosering van 75 mg per dag nauwelijks effectiever dan 325 mg acetylsalicylzuur per dag voor de secundaire preventie van hart- en vaatziekten, waaronder CVA’s [CAPRIE Steering Committee 1996]. Bovendien is het veel duurder, zodat het alom ook uit kosteneffectiviteitsoverwegingen als middel van tweede keus wordt gezien [Sharis 1998; Anonymus 1999; Niessen 2000].

Noot 42 Terug 

Het nut van behandeling van patiënten met atriumfibrilleren en TIA met coumarinederivaten is onderzocht in de European Atrial Fibrillation Trial. Coumarinen blijken in deze situatie effectiever dan acetylsalicylzuur: ze reduceren het herhalingsrisico met naar schatting 65% [European Atrial Fibrillation Trial Study Group 1993; Hart 1999; European Atrial Fibrillation Trial Study Group 1995]. Voor een optimaal resultaat dient volgens de laatste inzichten de internationaal gestandaardiseerde protrombinetijdratio (international normalized ratio, INR) tussen de 2,0 en 3,0 te worden gehouden. Ook voor TIA’s die berusten op een recent myocardinfarct is de opbrengst van coumarinen aangetoond [Smith 1990].

Behandeling met coumarinederivaten van patiënten met een TIA of niet-invaliderend herseninfarct maar zonder cardiale comorbiditeit is tot dusverre onvoldoende veilig gebleken. De Stroke prevention in reversible ischemia trial (SPIRIT) waarin de effectiviteit en veiligheid van behandeling met orale antistollingstherapie met INR streefwaarden van 3,0 tot 4,5 werd vergeleken met die van 30 mg carbasalaatcalcium daags moest voortijdig worden stopgezet vanwege een surplus aan ernstige bloedingscomplicaties in de antistollingsgroep. De incidentie hiervan nam toe met de bereikte INR-waarde. [Stroke Prevention in Reversible Ischemia Trial (SPIRIT) Study Group 1997; Gorter 1998]. Het is niet uitgesloten dat behandeling met orale antistolling als gestreefd wordt naar INR-waarden van 2,0 tot 3,0 wel gunstige resultaten oplevert. Een nieuwe trial moet hierover uitsluitsel geven [Algra 1998].

Noot 43 Terug 

In de European Stroke Prevention Study 2 (ESPS 2) werden acetylsalicylzuur (tweemaal daags 25 mg) en dipyridamol (tweemaal daags 200 mg) vergeleken met elkaar, met placebo en met de combinatie. Gedurende 2 jaar werden 6602 patiënten vervolgd na een CVA (76,3%) of een TIA (23,7%). Primaire eindpunten waren: CVA, overlijden, en CVA en overlijden samen. Bij vergelijking van de resultaten in de groep die zowel acetylsalicylzuur als dipyridamol kreeg, met die in de acetylsalicylzuurgroep blijkt dat met de gecombineerde behandeling het relatieve risico op een CVA 0,76 (95%-BI 0,63-0,93), op CVA en sterfte 0,87 (95%-BI 0,75-1,00) en op totale sterfte 1,02 (95%-BI 0,84-1,23) bedraagt. Deze getallen komen overeen met een absoluut-risicoreductie van 15 per 1000 patiëntjaren voor CVA’s en 13 per 1000 patiëntjaren voor CVA’s en sterfte en een risicotoename op sterfte van 1,5 per 1000 patiëntjaren [Diener 1996].

Deze resultaten voor de gecombineerde behandeling zijn gunstiger dan bevindingen uit een eerdere meta-analyse van vier onderzoeken. Hierin werd het effect van acetylsalicylzuurbehandeling met dat van de gecombineerde behandeling vergeleken. Deze meta-analyse liet geen voordeel van de gecombineerde behandeling zien [Antiplatelet Trialists’ Collaboration 1994].

In de literatuur is men overwegend van mening dat de resultaten van de ESPS 2 eerst bevestiging behoeven, voordat toevoeging van dipyridamol aan de standaardbehandeling van patiënten zonder atriumfibrilleren met acetylsalicylzuur kan worden aanbevolen [Algra 1998; Redman 2001; Antithrombotic Trialists’ Collaboration 2002]. Deze zienswijze heeft ook in deze standaard de doorslag gegeven.

Noot 44 Terug 

Bij herhaling van een TIA dient allereerst getwijfeld te worden aan de diagnose. Bij recidieven blijkt er relatief vaak een andere oorzaak in het spel [Warlow 2001].

Noot 45 Terug 

Adviezen over de kenmerken waaraan de TIA-service idealiter zou moeten voldoen, zijn opgesteld door een werkgroep van de Nederlandse Hartstichting [Commissie Ontwikkeling Richtlijnen TIA-Poli (CORTIP) 2001].

Noot 46 Terug 

Van routinematige verwijzing van iedere patiënt met (een vermoeden van) een TIA, wat wel is bepleit [Van Gijn 1995], is de opbrengst vooralsnog niet duidelijk aangetoond [Vogelenzang 1996; Lindenhovius 1996; Wiersma 1996; Stam 1996].

In Nederland heeft met name Dippel [1998] getracht de opbrengst van routinematige verwijzing naar de TIA-service getalsmatig te onderbouwen. Hij berekende dat door verwijzing naar de neuroloog van 1000 patiënten netto 12 ischemische vasculaire gebeurtenissen (7 meer dan de huisarts) en 7 á 8 bloedingen kunnen worden voorkomen. Deze berekening berust echter op onzekere aannames.

Zo berusten de extra bloedingen die volgens de auteur onder de regie van de huisarts op zouden treden op de veronderstelling dat de huisarts in 30% van de gevallen de klachten ten onrechte aan een TIA wijt en de betrokkenen vervolgens ten onrechte acetylsalicylzuur voorschrijft. Het getal van 30% lijkt ontleend te zijn aan onderzoek over de prestaties van Portugese huisartsen. Er is weinig reden te veronderstellen dat er bij Nederlandse huisartsen die zich aan de duidelijk omschreven criteria voor de diagnose TIA in deze standaard houden, sprake zal zijn van zo’n hoog percentage overdiagnostiek. Bovendien is in de standaard aangegeven dat bij twijfel de neuroloog – wiens diagnostiek overigens, anders dan Dippel veronderstelt, evenmin vlekkeloos is – dient te worden geraadpleegd.

Ook op het aantal ischemische gebeurtenissen dat volgens Dippel door verwijzing naar de neuroloog zou kunnen worden voorkomen, valt veel af te dingen. Hij nam aan dat de huisarts niemand voor onderzoek naar de aanwezigheid van een operabele carotisstenose verwijst, hetgeen zelfs niet in overeenstemming is met de eerste versie van deze standaard, waarin weliswaar enige terughoudendheid ten aanzien van carotis-chirurgie werd bepleit, maar tevens werd gesteld dat de beslissing tot verwijzing in overleg met de patiënt dient te worden genomen. Wat resteert is de opbrengst van 1 tot 2 ischemische gebeurtenissen per 1000 verwezen patiënten te boeken bij een kleine minderheid van patiënten met vermoedelijk een andere cardiale emboliebron (zoals een akinetisch wandsegment of paroxismaal atriumfibrilleren) die alleen te ontdekken valt met echocardiografie of een 24-uurs ECG. Deze beide onderzoeken vinden echter momenteel, zoals de auteur zelf ook aangaf, alleen plaats op indicatie, zodat moet worden aangenomen dat ook op de TIA-service een deel van de patiënten door de mazen van het net glipt. De winst van routinematige verwijzing van TIA-patiënten is dus hooguit marginaal.


Adams HP Jr, Kassell NF, Mazuz H. The patient with transient ischemic attacks. Is this the time for a new therapeutic approach? Stroke 1984;15:371-5.

Ad hoc committee on cerebrovascular diseases.Special report from the National Institute of Neurological Disorders and Stroke. Classification of cerebrovascular diseases III. Stroke 1990;21:637-6.

Alamowitch S, Eliasziw M, Algra A, Meldrum H, Barnett HJ for the North American Symptomatic Carotid Endarterectomy Trial (NASCET) Group. Risk, causes, and prevention of ischaemic stroke in elderly patients with symptomatic internal-carotid-artery stenosis. Lancet 2001;357:1154-60.

Albers GW, Caplan LR, Easton JD, Fayad PB, Mohr JP, Saver JL, et al. Transient ischemic attack. Proposal for a new definition. N Engl J Med 2002;347:1713-6.

Algra A. 30 mg acetylsalicylzuur per dag even effectief als 283 mg bij patiënten na een ‘transient ischaemic attack’ of een niet-invaliderend herseninfarct, en met minder bijwerkingen. Ned Tijdschr Geneeskd 1991;135:2273-80.

Algra A, Koudstaal PJ, Van Gijn J. Secundaire preventie na cerebrale ischemie: monotherapie met acetylsalicylzuur nog steeds de eerste keus? Ned Tijdschr Geneeskd 1998;142:277.

Anonymus. Treatment for stroke? Lancet 1991;337:1129-31.

Anonymus. Clopidogrel and ticlopidine: improvements on aspirin? Drug Ther Bull 1999;37:59-61.

Antiplatelet Trialists’ Collaboration. Collaborative overview of randomised trials of antiplatelet therapy. I: Prevention of death, myocardial infarction, and stroke by prolonged antiplatelet therapy in various categories of patients. Antiplatelet Trialists' Collaboration. BMJ 1994;308:81-106.

Antithrombotic Trialists’ Collaboration. Collaborative meta-analysis of randomised trials of antiplatelet therapy for prevention of death, myocardial infarction, and stroke in high risk patients. BMJ 2002;324:71-86.

Autret A, Pourcelot L, Saudeau D, Marchal C, Bertrand P, De Boisvilliers S. Stroke risk in patients with carotid stenosis. Lancet 1987;1:888-90.

Barnett HJ, Taylor DW, Eliasziw M, Fox AJ, Ferguson GG, Haynes RB. Benefit of carotid endarterectomy in patients with symptomatic moderate or severe stenosis. North American Symptomatic Carotid Endarterectomy Trial Collaborators. N Engl J Med 1998;339:1415.

Bartelink MEL, Van Duijn NP, Knuistingh Neven A. NHG-Standaard Migraine. In: Geijer RMM, Burgers JS, Van der Laan JR, Wiersma Tj, Rosmalen CFH, Thomas S, redactie. NHG-Standaarden voor de huisarts I. Maarssen: Elsevier/Bunge, 1999.

Behar S, Tanne D, Abinader E, Agmon J, Barzilai J, Friedman Y, et al. Cerebrovascular accident complicating acute myocardial infarction: incidence, clinical significance and short- and long-term mortality rates. The SPRINT Study Group. Am J Med 1991;91:45-50.

Bellersen L, Koudstaal PJ, Algra A, Tijssen JGP, Roelandt JRTC. Risicofactoren voor het overlijden door een cardiale oorzaak bij patiënten met een TIA of herseninfarct. Hart Bulletin 1995;26:68-71.

Blaser T, Hofmann K, Buerger T, Effenberger O, Wallesch CW, Goertler M. Risk of stroke, transient ischemic attack, and vessel occlusion before endarterectomy in patients with symptomatic severe carotid stenosis. Stroke 2002;33:1057-62.

Buikema H, Van Gilst WH. Fysiologische rol van endotheel. Hart Bulletin 1992;23:215-20.

Calanchini PR, Swanson PD, Gotshall RA, Haerer AF, Poskanzer DC, Price TR, et al. Cooperative study of hospital frequency and character of transient ischemic attacks. IV. The reliability of diagnosis. JAMA 1977;238:2029-33.

CAPRIE Steering Committee. A randomised, blinded, trial of clopidogrel versus aspirin in patients at risk of ischaemic events (CAPRIE). Lancet 1996;348:1329-39.

Carolei A, Marini C, Nencini P, Gandolfo C, Motto C, Zanette E, et al. Prevalence and outcome of symptomatic carotid lesions in young adults. BMJ 1995;310:1363-6.

CAVATAS investigators. Endovascular versus surgical treatment in patients with carotid stenosis in the carotid and vertebral artery transluminal angioplasty study (CAVATAS): a randomised trial. Lancet 2001;357:1729-37.

CBO. Richtlijn Beroerte. Utrecht: CBO, 2000.

Cebul RD, Snow RJ, Pine R, Hertzer NR, Norris DG. Indications, outcomes, and provider volumes for carotid endarterectomy. JAMA 1998;279:1282.

Chassin MR. Appropriate use of carotid endarterectomy. N Engl J Med 1998;339:1468.

Claiborne Johnston S, Gress MR, Browner WS, Sidney S. Short term prognosis after emergency department diagnosis of TIA. JAMA 2000;284:2901-6.

Commissie Ontwikkeling Richtlijnen TIA-Poli (CORTIP). Advies opzet TIA-poli. ’s-Gravenhage: Nederlandse Hartstichting, 2001.

Dennis MS, Bamford JM, Sandercock PA, Warlow CP. A comparison of risk factors and prognosis for transient ischemic attacks and minor ischemic strokes. The Oxfordshire Community Stroke Project. Stroke 1989a;20:1494-9.

Dennis MS, Bamford JM, Sandercock PA, Warlow CP. Incidence of transient ischemic attacks in Oxfordshire, England. Stroke 1989b;20:333-9.

Dennis MS, Bamford JM, Sandercock PA, Warlow CP. Prognosis of transient ischemic attacks in the Oxfordshire Community Stroke Project. Stroke 1990a;21:848-53.

Dennis MS, Bamford JM, Sandercock PA, Molyneux A, Warlow CP. Computed tomography in patients with transient ischaemic attacks: when is a transient ischaemic attack not a transient ischaemic attack but a stroke? J Neurol 1990b;237:257-61.

Diener HC, Cunha L, Forbes C, Sivenius J, Smets P, Lowenthal A. European stroke prevention study 2. Dipyridamole and acetylsalicyclic acid in the secondary prevntion of stroke. J Neurol Sci 1996;143:1-13.

Dippel DWJ. Het nut van aanvullende specialistisch onderzoek. Hart Bulletin 1998;29:53-8.

Dunbabin DW, Sandercock PA. Preventing stroke by the modification of risk factors. Stroke 1990;21(Suppl):IV36-IV39.

Dutch TIA Trial Study Group. A comparison of two doses of aspirin (30 mg vs. 283 mg a day) in patients after a transient ischemic attack or minor ischemic stroke. N Engl J Med 1991;325:1261-6.

European Atrial Fibrillation Trial Study Group. Secondary prevention in non-rheumatic atrial fibrillation after transient ischaemic attack or minor stroke. Lancet 1993;342:1255-62.

European Atrial Fibrillation Trial Study Group. Optimal oral anticoagulant therapy in patients with nonrheumatic atrial fibrillation and recent cerebral ischemia. N Engl J Med 1995;333:5-10.

European Carotid Surgery Trialists’ Collaborative Group. MRC European Carotid Surgery Trial: interim results for symptomatic patients with severe (70-99%) or with mild (0-29%) carotid stenosis. Lancet 1991;337:1235-43.

European Carotid Surgery Trialists’ Collaborative Group. Randomised trial of endarterectomy for recently symptomatic carotid stenosis: final results of the MRC European Carotid Surgery Trial (ECST). Lancet 1998;351:1379-87.

Ferro JM, Falcao I, Rodrigues G, Canhao P, Melo TP, Oliveira V, et al. Diagnosis of transient ischemic attack by the nonneurologist. A validation study. Stroke 1996;27:2225-9.

Fisher CM. Late-life migraine accompaniments--further experience. Stroke 1986;17:1033-42.

Franke CL. Weg met de TIA? The Stroke Express 2001;3:1-3.

Frencken CW, Algra A. Enkele resultaten van het Nederlandse TIA-onderzoek. TGO 1992;16:171-6.

Gorter JW. Preventieve behandeling van patiënten na niet-invaliderende cerebrale ischemie door vermoedelijk arteriële oorzaak: vergelijkend, gerandomiseerd onderzoek met intensieve antistollingstherapie of behandeling met acetylsalicylzuur. Ned Tijdschr Geneeskd 1998;142:306.

Hankey GJ, Warlow CP, Sellar RJ. Cerebral angiographic risk in mild cerebrovascular disease. Stroke 1990;21:209-22.

Hankey GJ, Slattery JM, Warlow CP. Transient ischaemic attacks: which patients are at high (and low) risk of serious vascular events? J Neurol Neurosurg Psychiatry 1992;55:640-52.

Hart RG, Benavente O, McBride R, Pearce LA. Antithrombotic therapy to prevent stroke in patients with atrial fibrillation: a meta-analysis. Ann Intern Med 1999;131:492-501.

Hodges JR, Warlow CP. The aetiology of transient global amnesia. A case-control study of 114 cases with prospective follow-up. Brain 1990;113( Pt 3):639-57.

Hoefnagels WA, Algra A. Operatie van een recentelijk symptomatisch geworden ernstige carotisstenose of niet? Evidence-based geneeskunde in de praktijk. Ned Tijdschr Geneeskd 2001;145:337-40.

Howard G, Evans GW, Thomas JL, Ryu JE, Kahl FR, Crouse JR. Reevaluation of transient ischemic attacks as a risk factor for early mortality. Stroke 1991;22:582-5.

Johnson ES, Lanes SF, Wentworth CE, Satterfield MH, Abebe BL, Dicker LW. A metaregression analysis of the dose-response effect of aspirin on stroke. Arch Intern Med 1999;159:1248-53.

Johnston SC, Gress DR, Browner WS, Sidney S. Short-term prognosis after emergency department diagnosis of TIA. JAMA 2000;284:2901-6.

Kalmann R, Nieuwenhuis HK, De Groot P, Van Gijn J. Effects of low dosis of aspirin, 10 mg and 30 mg daily, on bleeding time, tomboxane production and 6-keto-PGF1[alpha]-excretion in healthy subjects. Tromb Res 1987;45:355-61.

Keith DS, Phillips SJ, Whisnant JP, Nishimaru K, O’Fallon WM. Heparin therapy for recent transient focal cerebral ischemia. Mayo Clin Proc 1987;62:1101-6.

Knuistingh Neven A, Bartelink MEL, De Jong TOH, Ongering JEP, Oosterhuis WW, Van der Weerd PCM. NHG-Standaard Hoofdpijn. Huisarts Wet 2004;47:411-22.

Koudstaal PJ, Van Gijn J, Staal A, Duivenvoorden HJ, Gerritsma JG, Kraaijeveld CL. Diagnosis of transient ischemic attacks: improvement of interobserver agreement by a check-list in ordinary language. Stroke 1986;17:723-8.

Koudstaal PJ. Nieuwe inzichten in behandeling van patiënten met TIA of kleine beroerte. Hart Bulletin 1992;23:86-9.

Kraaijeveld CL, Van Gijn J, Schouten HJ, Staal A. Interobserver agreement for the diagnosis of transient ischemic attacks. Stroke 1984;15:723-5.

Landi G. Clinical diagnosis of transient ischaemic attacks. Lancet 1992;339:402-5.

Larsen BH, Sorensen PS, Marquardsen J. Transient ischaemic attacks in young patients: a thromboembolic or migrainous manifestation? A 10 year follow up study of 46 patients. J Neurol Neurosurg Psychiatry 1990;53:1029-33.

Lenders JW, Thien T. Minder kans op een recidief beroerte door bloeddrukverlagende medicatie, ongeacht de uitgangsdruk. Ned Tijdschr Geneeskd 2002;146:398-9.

Levy DE. How transient are transient ischemic attacks? Neurology 1988;38:674-7.

Lindenhovius J. TIA’tje ... Aspirientje? [Ingezonden] Ned Tijdschr Geneeskd 1996;140:450-2.

Lovett JK, Dennis MS, Sandercock PA, Bamford J, Warlow CP, Rothwell PM. Very early risk of stroke after a first transient ischemic attack. Stroke 2003;34:e138-40.

Marmot MG, Poulter NR. Primary prevention of stroke. Lancet 1992;339:344-7.

Martin PJ, Young G, Enevoldson TP, Humphrey PR. Overdiagnosis of TIA and minor stroke: experience at a regional neurovascular clinic. QJM 1997;90:759-63.

Meissner I, Wiebers DO, Swanson JW, O’Fallon WM. The natural history of drop attacks. Neurology 1986;36:1029-34.

Meyboom-de Jong B. Bejaarde patiënten [Proefschrift]. Lelystad: Meditekst, 1989.

Mohr JP, Caplan LR, Melski JW, Goldstein RJ, Duncan GW, Kistler JP et al. The Harvard Cooperative Stroke Registry: a prospective registry. Neurology 1978;28:754-62.

Niessen LW, Dippel DWJ, Limburg M. Berekening van kosten na een beroerte en kosteneffectiviteit van ‘stroke units’ en van secundaire preventie, zoals aanbevolen in de herziene CBO-richtlijn ‘Beroerte’. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:1959-64.

North American Symptomatic Carotid Endarterectomy Trial Collaborators. Beneficial effect of carotid endarterectomy in symptomatic patients with high-grade carotid stenosis. North American Symptomatic Carotid Endarterectomy Trial Collaborators. N Engl J Med 1991;325:445-53.

Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose. Bussum: Coutinho, 1998.

Oosterhuis HJGH. Klinische Neurologie. Houten/Zaventem: Bohn Stafleu Van Loghum, 2000.

Peatfield RC. Can transient ischaemic attacks and classical migraine always be distinguished? Headache 1987;27:240-3.

Price TR, Gotshall RA, Poskanzer DC, Haerer AF, Swanson PD, Calanchini PR, et al. Cooperative study of hospital frequency and character of transient ischemic attacks. VI. Patients examined during an attack. JAMA 1977;238:2512-5.

PROGRESS Collaborative Group. Randomised trial of a perindopril-based blood-pressure-lowering regimen among 6105 individuals with previous stroke or transient ischaemic attack. Lancet 2001;358:1033-41.

Pulsinelli W. Pathophysiology of acute ischaemic stroke. Lancet 1992;339:533-6.

Redman AR, Ryan GJ. Analysis of trials evaluating combinations of acetylsalicylic acid and dipyridamole in the secondary prevention of stroke. Clin Ther 2001;23:1391-1408.

Rothwell PM, Warlow CP. Prediction of benefit from carotid endarterectomy in individual patients: a risk-modelling study. European Carotid Surgery Trialists’ Collaborative Group. Lancet 1999;353:2105-10.

Rothwell PM. Carotid endarterectomy and prevention of stroke in the very elderly. Lancet 2001;357:1142-3.

Rothwell PM, Eliasziw M, Gutnikov SA, Fox AJ, Taylor DW, Mayberg MR, et al. Analysis of pooled data from the randomised controlled trials of endarterectomy for symptomatic carotid stenosis. Lancet 2003a;361:107-16.

Rothwell PM, Gutnikov SA, Warlow CP. Reanalysis of the final results of the European Carotid Surgery Trial. Stroke 2003b;34:514-23.

Rothwell PM. Effective stroke prevention in patients with symptomatic carotid stenosis. Cerebrovasc Dis 2004a;17 Suppl 1:89-104.

Rothwell PM, Eliasziw M, Gutnikov SA, Warlow CP, Barnett HJ. Endarterectomy for symptomatic carotid stenosis in relation to clinical subgroups and timing of surgery. Lancet 2004b;363:915-24.

Rutten GEHM, Verhoeven S, Heine RJ. NHG-Standaard Diabetes Mellitus type 2. In: Geijer RMM, Burgers JS, Van der Laan JR, Wiersma Tj, Rosmalen CFH, Thomas S, redactie. NHG-Standaarden voor de huisarts I. Maarssen: Elsevier/Bunge, 1999.

Sandercock P. Recent developments in the diagnosis and management of patients with transient ischaemic attacks and minor ischaemic strokes. Q J Med 1991;78:101-12.

Sauve JS, Laupacis A, Ostbye T, Feagan B, Sackett DL. The rational clinical examination. Does this patient have a clinically important carotid bruit? JAMA 1993;270:2843-5.

Scheinberg P. Transient ischemic attacks: an update. J Neurol Sci 1991;101:133-40.

Sharis PJ, Cannon CP, Loscalzo J. The antiplatelet effects of ticlopidine and clopidogrel. Ann Intern Med 1998;129:394-405.

Shinton R, Beevers G. Meta-analysis of relation between cigarette smoking and stroke. BMJ 1989;298:789-94.

Smith P, Arnesen H, Holme I. The effect of warfarin on mortality and reinfarction after myocardial infarction. N Engl J Med 1990;323:147-52.

Spence D, Eliasziw M. Endarterectomy or angioplasty for treatment of carotid stenosis? Lancet 2001;357:1722-3.

Staessen JA, Wang J. Blood-pressure lowering for the secondary prevention of stroke. Lancet 2001;358:1026-7.

Stam PG. TIA’tje ... Aspirientje? [Ingezonden] Ned Tijdschr Geneeskd 1996;140:451-2.

Stroke Prevention in Reversible Ischemia Trial (SPIRIT) Study Group. A randomized trial of anticoagulants versus aspirin after cerebral ischemia of presumed arterial origin. Ann Neurol 1997;42:857-65.

Thomas S, Van der Weijden T, Van Drenth BB, Haverkort AFM, Hooi JD, Van der Laan JR. NHG-Standaard Cholesterol. In: Geijer RMM, Burgers JS, Van der Laan JR, Wiersma Tj, Rosmalen CFH, Thomas S, redactie. NHG-Standaarden voor de huisarts I. Maarssen: Elsevier/Bunge, 1999.

Tu JV, Hannan EL, Anderson GM, Iron K, Wu K, Vranizan K. The fall and rise of carotid endarterectomy in the United States and Canada. N Engl J Med 1998;339:1441-7.

Tuomilehto J, Bonita R, Stewart A, Nissinen A, Salonen JT. Hypertension, cigarette smoking, and the decline in stroke incidence in eastern Finland. Stroke 1991;22:7-11.

Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Kernrapport I: klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk. Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM, 2004.

Van der Meer K, Smith RJA. TIA-patiënten in de huisartspraktijk: een onderzoek onder 1 procent van de Nederlandse bevolking. Huisarts Wet 1990;33:184-8.

Van Gijn J, Kappelle LJ. TIA’tje ... Aspirientje? Ned Tijdschr Geneeskd 1995;139:2708-11.

Van Gijn J, Koudstaal PJ, Vermeulen M, Lodder J, Van Urk H. ‘Transient ischemic attacks’, niet-invaliderende herseninfarcten en het voorkómen van erger: nieuwe gegevens over de behandeling. Ned Tijdschr Geneeskd 1991;135:2259-62.

Vogelenzang R. TIA’tje ... Aspirientje? [Ingezonden] Ned Tijdschr Geneeskd 1996;140:449-50.

Warlow C, Dennis MS, Van Gijn J. Stroke, a practical guide to management. Oxford: Blackwell, 2001.

Warlow C. Secondary prevention of stroke. Lancet 1992;339:724-7.

Wennberg DE, Lucas FL, Birkmeyer JD, Bredenberg CE, Fisher ES. Variation in carotid endarterectomy mortality in the medicare population. JAMA 1998;279:1278-81.

Wiersma TJ, Van Binsbergen JJ, Thomas S. TIA’tje ... Aspirientje? [Ingezonden] Ned Tijdschr Geneeskd 1996;140:450-1.

Wise RJ, Bernardi S, Frackowiak RS, Legg NJ, Jones T. Serial observations on the pathophysiology of acute stroke. The transition from ischaemia to infarction as reflected in regional oxygen extraction. Brain 1983;106 (Pt 1):197-222.

Wolf PA, Abbott RD, Kannel WB. Atrial fibrillation: a major contributor to stroke in the elderly. The Framingham Study. Arch Intern Med 1987;147:1561-4.

Wolf PA, D’Agostino RB, Kannel WB, Bonita R, Belanger AJ. Cigarette smoking as a risk factor for stroke. The Framingham Study. JAMA 1988;259:1025-9.

Wolf PA, Dawber TR, Thomas HE Jr, Kannel WB. Epidemiologic assessment of chronic atrial fibrillation and risk of stroke: the Framingham study. Neurology 1978;28:973-7.