Inhoudsopgave
NHG-Standaard Allergische en niet-allergische rhinitis (Eerste herziening)
Sachs APE, Berger MY, Lucassen PLBJ, Van der Wal J, Van Balen JAM, Verduijn MM. Huisarts Wet 2006;49(5);254-65.
Deze standaard en de wetenschappelijke verantwoording vervangen de NHG-Standaard Allergische en hyperreactieve rhinitis (Huisarts en Wetenschap 1995;38:216-27 en Thomas S, Geijer RMM, Van der Laan JR, Wiersma Tj, redactie. NHG-Standaarden voor de huisarts II. Utrecht: Wetenschappelijke Uitgeverij Bunge, 1996).
Belangrijkste wijzigingen
-
De titel van de standaard is gewijzigd van ‘NHG-Standaard Allergische en hyperreactieve rhinitis’ in ‘NHG-Standaard Allergische en niet-allergische rhinitis’.
-
De indicatie voor gebruik van een corticosteroïdneusspray is verbreed.
-
Er is meer bewijs voor de werkzaamheid van een neusspray met een antihistaminicum.
-
De indicatie voor cromoglicaten is veel beperkter.
Kernboodschappen
-
Indien de anamnese wijst op een geïsoleerde graspollen- of boompollenallergie, kan de diagnose allergische rhinitis zonder aanvullend onderzoek worden gesteld.
-
Bij alle patiënten met een langdurige of een frequent recidiverende rhinitis zonder duidelijke oorzaak vraagt de huisarts een bloedonderzoek op inhalatieallergenen aan.
-
Bij intermitterende of milde klachten kan de patiënt bij een allergische rhinitis een oraal of lokaal antihistaminicum (‘zo nodig’) gebruiken.
-
Start bij een persisterende en bij een matige tot ernstige rhinitis, vooral bij klachten van een verstopte neus, met een corticosteroïdneusspray.
-
De plaats van immunotherapie in de eerste lijn is zeer beperkt.
INLEIDING
De NHG-Standaard Allergische en niet-allergische rhinitis geeft richtlijnen voor de diagnostiek, preventie en behandeling van langdurige (langer dan vier weken durende) of frequent recidiverende aandoeningen die gepaard gaan met een verstopte neus, een loopneus, niezen of jeuk in de neus.1) Bij een allergische rhinitis kunnen ook oog- of (zelden) huidklachten optreden. De genoemde symptomen kunnen alleen of in combinatie met elkaar voorkomen. Soms kan een combinatie van klachten richting geven aan de oorzaak (bijvoorbeeld bij een loopneus en niezen in combinatie met jeukende ogen bij een allergische rhinitis). De acute infectieuze rhinitis valt buiten het bestek van deze standaard. Een allergische rhinitis wordt veroorzaakt door een IgE-gemedieerde allergie voor inhalatieallergenen. Tot de niet-allergische rhinitis behoren onder andere rhinitis ten gevolge van neuspoliepen, neusseptumafwijkingen, conchahypertrofie, (rhino)sinusitis en rhinitis door geneesmiddelen. Bij een deel van de patiënten met een niet-allergische rhinitis is de oorzaak onbekend.
Bij de behandeling van een persisterende of matig tot ernstige rhinitis is een lokaal corticosteroïd aangewezen, vooral bij klachten van een verstopte neus. Gebleken is dat dit zowel bij volwassenen als bij kinderen de meest effectieve behandeling is.2) Een lokaal of oraal antihistaminicum is van waarde bij intermitterende klachten door een allergische rhinitis.
Allergeenwerende hoezen hebben, hoewel ze wel de aanwezigheid van huisstofmijt reduceren, onvoldoende effect op het totale klachtenpatroon wanneer ze bij patiënten met huisstofmijtallergie als enige huisstofmijtwerende maatregel worden gebruikt. Ze worden daarom alleen geadviseerd bij patiënten met ernstige klachten bij wie de overige huisstofmijtwerende maatregelen en het gebruik van medicatie onvoldoende effect hebben, of bij patiënten die ook astma hebben (zie in dit laatste geval de NHG-Standaarden Astma bij kinderen en Astma bij volwassenen).3)
ACHTERGRONDEN
Epidemiologie
De prevalentie van allergische en niet-allergische rhinitis in de bevolking is naar schatting 150 tot 200 per 1000 personen per jaar.4) In huisartsenregistraties is de prevalentie van allergische en niet-allergische rhinitis 25 per 1000 mannen en 31 per 1000 vrouwen per jaar.5) Allergische rhinitis komt voornamelijk voor tussen 5 en 45 jaar, met een piek tussen 15 en 24 jaar. Het is onduidelijk of de prevalentie van allergische rhinitis het laatste decennium nog is toegenomen.6) Bij volwassenen met een allergische rhinitis verminderen de klachten vaak in de loop der jaren.7) Over het natuurlijk beloop van de klachten bij patiënten met een niet-allergische rhinitis is weinig bekend.
Pathofysiologie
Allergische rhinitis
Bij een allergische rhinitis komt in de neus, onder invloed van binding van allergenen aan IgE-antilichamen op mestcellen, onder andere histamine vrij.8) De permeabiliteit van de bloedvaten in de neus neemt daardoor toe en de in de neus aanwezige zenuwuiteinden worden geprikkeld, met als gevolg hypersecretie, jeuk en niezen (vroegefasereactie).
De belangrijkste allergenen buitenshuis zijn pollen van bomen (vooral van de berk) en grassen. Deze allergenen veroorzaken ‘hooikoorts’. Berkenpollen zijn in de lucht aanwezig vanaf februari tot eind juli en veroorzaken de meeste klachten van februari tot en met mei. Graspollen zijn vanaf begin april tot en met november aantoonbaar en leiden tot de meeste klachten van mei tot en met augustus. Binnenshuis zijn vooral de huisstofmijt en huisdieren van belang. Klachten ten gevolge van huisstofmijt komen het hele jaar voor, vooral als men veel binnenshuis verblijft.9)
Bij allergie voor boompollen is een kruisovergevoeligheid voor appels en noten mogelijk; bij grassen is een kruisovergevoeligheid met plantaardige voedingsmiddelen zoals wortelen beschreven. Het eten van dergelijke voedingsmiddelen kan leiden tot het zogenoemde ‘orale allergiesyndroom’. Het ‘orale allergiesyndroom’ wordt gekenmerkt door een branderig, schrijnend gevoel aan het palatum en gaat soms gepaard met slijmvlieszwelling, angio-oedeem, misselijkheid, braken of rhinitis.
Bij de helft van de patiënten treedt zes tot twaalf uur na de vroegefasereactie een cellulaire infiltratie van het neusslijmvlies op (latefasereactie). Deze latefasereactie is mede verantwoordelijk voor het optreden van hyperreactiviteit en voor een verlaging van de prikkeldrempel (‘priming’). ‘Priming’ heeft tot gevolg dat een steeds kleinere hoeveelheid allergeen eenzelfde reactie van het neusslijmvlies veroorzaakt en dat allergenen die gewoonlijk niet tot problemen leiden, op dat moment wel symptomen geven.
Hyperreactiviteit kan zowel een rol spelen bij een allergische als bij een niet-allergische rhinitis. Hierbij treden symptomen op als gevolg van niet-immunologische aspecifieke prikkels die bij gezonde individuen geen of een veel geringere reactie opwekken. Niet-immunologische prikkels die een rol kunnen spelen zijn onder andere stof, (tabaks)rook, temperatuurveranderingen, bak- en verflucht, alcohol en lichamelijke inspanning.
Er bestaat een relatie tussen allergische rhinitis en astma: in epidemiologisch onderzoek is aangetoond dat astma en rhinitis vaak bij dezelfde personen voorkomen. Bij beide aandoeningen spelen dezelfde pathofysiologische mechanismen een rol.10)
Door zuigelingen gedurende de eerste vier tot zes levensmaanden uitsluitend borstvoeding te geven, zou de kans op het krijgen van een allergie mogelijk kleiner zijn.11)
Niet-allergische rhinitis
Langdurige of recidiverende neusklachten kunnen ook het gevolg zijn van langdurig gebruik van lokale decongestiva.12) Verder is van acetylsalicylzuur en van NSAID’s bekend dat ze een rhinitis kunnen geven.13) Ook bij gebruik van cholesterolsyntheseremmers en oogdruppels met een bètablokker kan als bijwerking een rhinitis voorkomen. Ten slotte kan gebruik van cocaïne leiden tot obstructieklachten van de neus. Er zijn aanwijzingen dat langdurige neusobstructieklachten tijdens de zwangerschap vaker voorkomen.14) Langdurige neusobstructieklachten kunnen verder worden veroorzaakt door neuspoliepen, septumafwijkingen en conchahypertrofie. Bij een deel van de patiënten blijft de oorzaak van de rhinitisklachten onbekend.
RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEK
Uitgangspunt is een patiënt met langdurige (meer dan vier weken aanhoudende) of frequent recidiverende neusklachten.
Anamnese
De huisarts informeert naar de aard van de klachten:
-
niezen;
-
loopneus;
-
jeuk in neus of ogen;
-
verstopte neus, continu of intermitterend, eenzijdig of beiderzijds;
-
kortademigheid of piepen.
Daarnaast gaat de huisarts de ernst van de klachten na en of ze intermitterend dan wel persisterend zijn.15)
Bij (jonge) kinderen kunnen de klachten van een allergische rhinitis bestaan uit hoesten en malaise. Neus- en oogklachten worden vaak niet spontaan, maar alleen bij specifiek navragen gemeld.16)
Vraag tevens naar omstandigheden waardoor de klachten ontstaan of verergeren, zoals:17)
-
stofzuigen of bed opmaken;
-
contact met dieren;
-
seizoen: in de lente of in de zomer;
-
droog, zonnig weer;
-
aspecifieke prikkels: stof, (tabaks)rook, temperatuurveranderingen, bak- en verflucht, alcohol en lichamelijke inspanning.
Ten slotte informeert de huisarts naar:
-
aanwezigheid van huisdieren;
-
gebruik van een lokaal decongestivum, acetylsalicylzuur, een NSAID, een cholesterolsyntheseremmer of oogdruppels met een bètablokker;
-
neustrauma in het verleden.
Lichamelijk onderzoek
Bij patiënten bij wie de anamnese wijst op een allergische rhinitis zal lichamelijk onderzoek over het algemeen weinig extra informatie opleveren en dat kan daarom eventueel achterwege worden gelaten. Bij éénzijdige neusklachten, bij ouderen (arbitrair: ouder dan 60 jaar) en bij patiënten bij wie de klachten onvoldoende verminderen na behandeling, is lichamelijk onderzoek wél aangewezen om andere oorzaken dan een allergische rhinitis uit te sluiten.18) Inspecteer hiertoe het inwendige van de neus, bij voorkeur met een neusspeculum en een goede lichtbron. Indien slijmvlieszwelling de inspectie belemmert, wordt aanbevolen het onderzoek te hervatten tien minuten na ontzwelling met bijvoorbeeld xylometazoline. Let op poliepen, standafwijkingen van het septum of conchahypertrofie. Onderzoek de longen bij klachten van kortademigheid of piepen (zie de NHG-Standaarden Astma bij kinderen en Astma bij volwassenen).
Aanvullend onderzoek
Bij patiënten bij wie de anamnese wijst op een geïsoleerde graspollen- of boompollenallergie kan de diagnose voldoende betrouwbaar worden gesteld op grond van alleen de anamnese (zie Evaluatie).
Vraag bij alle andere patiënten met een langdurige of frequent recidiverende rhinitis zonder duidelijke oorzaak een bloedonderzoek op inhalatieallergenen aan. Vraag in eerste instantie een inhalatieallergeenscreeningstest aan.19) Als deze test positief is, zal het laboratorium vaak direct het allergeenspecifieke IgE bepalen van de meest voorkomende inhalatieallergenen: huisstofmijt, graspollen, boompollen, kattenepitheel, hondenepitheel, schimmels en kruidpollen. Is dat niet het geval, dan vraagt de huisarts de volgende allergeenspecifieke IgE-bepalingen aan:
-
huisstofmijt;
-
kat of hond als een kat of hond in huis of in de omgeving aanwezig is (ook als een duidelijk verband met de klachten ontbreekt).
Een allergeenspecifieke IgE-bepaling op andere dierlijke allergenen, zoals cavia, konijn, paard of vogel, wordt vanwege de mogelijke consequenties aangevraagd indien er een duidelijk verband bestaat tussen de klachten en het contact met deze diersoorten. In uitzonderingsgevallen vraagt de huisarts een specifieke IgE-bepaling op gras- of boompollen aan, namelijk als het aantonen daarvan consequenties heeft voor het beleid, zoals bij het kiezen van een beroep. Het aanvragen van allergeenspecifiek IgE voor schimmels en kruidpollen wordt niet geadviseerd, omdat dit geen consequenties heeft voor het beleid.
Hoewel bloedonderzoek op inhalatieallergenen de voorkeur heeft (omdat dit minder belastend is voor de patiënt), kan de huisarts ook huidpriktests in eigen beheer uitvoeren, maar alleen wanneer hij voldoende ervaring heeft met deze tests.20)
Evaluatie
Stel de diagnose allergische rhinitis bij langdurige of frequent recidiverende rhinitis in combinatie met:
-
‘hooikoorts’-klachten: jeukende ogen, klachten bij droog, zonnig weer én klachten alleen in het gras- of boompollenseizoen. Bij deze combinatie van klachten is er voldoende zekerheid over de diagnose gras- of boompollenallergie om met een symptomatische behandeling te beginnen;
-
of een positieve test op inhalatieallergenen.
Allergische rhinitis is onwaarschijnlijk bij een negatieve test op inhalatieallergenen.
Er is sprake van een niet-allergische rhinitis als men de rhinitis niet door allergie kan verklaren. In dat geval worden de volgende aandoeningen onderscheiden:
-
rhinosinusitis: bij klachten of symptomen van de neus (zoals rinorroe, verstopte neus, hoesten of niezen) in combinatie met klachten of symptomen van de bijholten (zoals aangezichtspijn, frontale hoofdpijn, tandpijn of pijn bij kauwen in de bovenste tanden en/of kiezen, maxillaire of frontale pijn bij bukken) (zie NHG-Standaard Rhinosinusitis);
-
medicamenteuze rhinitis: bij frequent en langdurig gebruik van een decongestivum of als bijwerking van een cholesterolsyntheseremmer, acetylsalicylzuur, een NSAID of oogdruppels met een bètablokker;
-
obstructie van de neus door neuspoliepen (grijsbleke, gladde, beweeglijke en vrijwel gevoelloze gesteelde tumoren bij speculumonderzoek), een neusseptumafwijking (bij scheefstand of een benige, kam- of puntvormige verdikking van het neusseptum) of conchahypertrofie (bij persisterende zwelling van het neusslijmvlies na ontzwelling met xylometazoline). Of neusklachten daadwerkelijk verband houden met poliepen, een septumafwijking of conchahypertrofie is vaak niet duidelijk; deze afwijkingen zijn alleen in uitgesproken gevallen klinisch relevant.
Bij een deel van de patiënten met een niet-allergische rhinitis is de oorzaak onbekend.
RICHTLIJNEN BELEID
Voorlichting
De huisarts legt uit dat bij een allergische rhinitis het slijmvlies van de neus en de ogen door contact met allergenen zoals pollen, huisstofmijt of huisdieren reageert met zwelling en vochtafscheiding. Ook aspecifieke prikkels zoals (tabaks)rook, verf- of baklucht, temperatuurverandering of alcohol kunnen dergelijke klachten geven of bestaande klachten verergeren. In dit geval ontstaan neusverstopping, een loopneus en geïrriteerde ogen. Prikkeling van de zenuwuiteinden in de neus veroorzaakt veelvuldig niezen. Bij een allergische rhinitis kunnen de klachten tien tot dertig jaar aanhouden; ze duren zelden levenslang. Ook bij een niet-allergische rhinitis kunnen aspecifieke prikkels rhinitisklachten veroorzaken. Van een niet-allergische rhinitis is het natuurlijke beloop onbekend. In aansluiting aan de gegeven mondelinge voorlichting kan de huisarts de patiënt de NHG-Patiëntenbrieven ‘Chronische neusklachten algemeen’, ‘Chronische neusklachten en allergie’ en ‘Huisstofmijt’ meegeven. Deze brieven zijn gebaseerd op de NHG-Standaard en bevatten informatie over allergische en niet-allergische rhinitis en de behandeling ervan (zie voor een overzicht van alle NHG-Patiëntenbrieven de NHG-website: www.nhg.org, rubriek patiëntenvoorlichting).
Niet-medicamenteuze behandeling
De patiënt moet zo mogelijk prikkels die klachten veroorzaken vermijden en streven naar een rookvrije woonomgeving.21)
Bij een huisstofmijtallergie kan de patiënt streven naar een reductie van huisstofmijt, bijvoorbeeld door:22)
-
een goede vochtbestrijding in huis door regelmatige ventilatie van de woning;
-
beddengoed (inclusief dekbed en kussen) minstens eenmaal per twee weken wassen gedurende minimaal één uur bij 60 °C;
-
een glad slaapkamervloeroppervlak (gemakkelijk te reinigen);
-
aangepast schoonmaken (regelmatig vochtig afnemen en stofzuigen in afwezigheid van de patiënt);
-
allergeenwerende matrashoezen kan men overwegen als de patiënt ondanks de gangbare huisstofmijtwerende maatregelen en het gebruik van medicatie ernstige klachten houdt, of als er naast de allergische rhinitis ook sprake is van astma (zie in het laatste geval de NHG-Standaarden Astma bij kinderen en Astma bij volwassenen).
Bij een allergie voor huisdieren is afstand doen van het dier de meest effectieve maatregel. Dit werkt beter dan optimale farmacotherapie.23) Het dier op proef korte tijd uit huis doen is niet zinvol, omdat het enige maanden kan duren voordat de allergenen verdwenen zijn. Wanneer de patiënt geen afstand van het huisdier kan doen, bespreekt de huisarts het nut van een glad vloeroppervlak en een aangepast schoonmaakregime. De patiënt moet het huisdier vooral niet in de slaapkamer laten verblijven.
Bij een pollenallergie is het vermijden van pollen slechts beperkt mogelijk.24) Patiënten met een pollenallergie kunnen bij buitenactiviteiten rekening houden met de weersomstandigheden (hooikoortsweerbericht). Andere maatregelen zijn (auto)ramen gesloten houden, een (zonne)bril gebruiken, niet zelf grasmaaien, wasgoed van de patiënt in het pollenseizoen niet buiten drogen (waar de pollen in het wasgoed waaien) maar zo veel mogelijk in een wasdroger, niet omkleden in de slaapkamer, vakantie op een plek (in de bergen of aan zee) of in een seizoen (nazomer, herfst, winter) met weinig pollen.
Bij een allergie die kan samenhangen met het werk (bijvoorbeeld allergie voor proefdieren, latex, enzymen of verfbestanddelen, meel) kan het noodzakelijk zijn maatregelen op het werk te bespreken (en de bedrijfsarts in te schakelen) of adviezen voor school- en beroepskeuze te geven.
Medicamenteuze behandeling
Bij de medicamenteuze behandeling van rhinitis kiest men op grond van werkzaamheid, aard en ernst van de klachten en gebruiksgemak tussen corticosteroïden, antihistaminica en cromoglicinezuur (voor voorbeelden van geadviseerde geneesmiddelengroepen, zie tabel). Gebruik van montelukast (alleen geregistreerd voor rhinitisklachten bij astmapatiënten) wordt in verband met de zeer beperkte therapeutische meerwaarde niet geadviseerd.25) De plaats van immunotherapie in de eerste lijn is zeer beperkt. Behandeling met sublinguale immunotherapie wordt niet aanbevolen omdat de werkzaamheid nog onvoldoende is aangetoond.26) Subcutane immunotherapie kan alleen worden overwogen bij patiënten met ernstige klachten die onvoldoende reageren op medicamenteuze behandeling, bij wie de diagnose geobjectiveerd is met bloedonderzoek of huidtests en bij wie geen sprake is van meerdere allergieën. In verband met het risico op een anafylactische reactie, moet de behandeling bij voorkeur in een ziekenhuissetting worden gestart. Behandeling in eigen beheer is alleen mogelijk bij specifieke deskundigheid en wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan (zoals de aanwezigheid van een uitgebreide noodset en voldoende toezicht na injecties; zie Immunotherapie).
In beginsel heeft lokale toediening van de medicatie de voorkeur. Neusdruppels of -spray verminderen ook de oogklachten. De voorkeur van de patiënt bepaalt mede de uiteindelijke keuze.
Tabel Voorbeelden* van geneesmiddelen in de verschillende geneesmiddelengroepen
| Stofnaam | Toedieningsvorm | Dosering |
| Corticosteroïden | ||
| Beclometason | neusspray 50 microg/dosis | 2 dd 1-2 verstuiving per neusgat |
| Budesonide | neusspray 32, 50, 64 of 100 microg/dosis, nasale turbuhaler 100 microg/dosis | ≥6 jaar 1 dd 1-2 verstuiving per neusgat |
| Fluticason | neusspray 50 microg/dosis | 4-12 jaar: 1-2 dd 1 verstuiving per neusgat≥12 jaar: 1-2 dd 1-2 verstuiving per neusgat |
| Mometason | neusspray 50 microg/dosis | 6-11 jaar: 1 dd 1 verstuiving per neusgat≥11 jaar: 1 dd 1-2 verstuiving per neusgat |
| Antihistaminica | ||
| Azelastine | neusspray 0,1% | ≥6 jaar: 2 dd 1 verstuiving per neusgat |
| Levocabastine | neusspray 0,05% | ≥6 jaar 2-4 dd 2 verstuivingen per neusgat |
| Cetirizine | drank 1 mg/mltablet 10 mg | 2-6 jaar: 2 dd 1,25-2,5 ml6-9 jaar: 1 dd 5-7,5 ml of 2 dd 2,5-3,75 ml≥9 jaar: 1 dd 1 tablet 10 mg |
| Loratadine | stroop 1 mg/mltablet 10 mg | 2-6 jaar: 1 dd 2,5-5 ml 6-9 jaar: 1 dd 5-7,5 ml≥9 jaar (30 kg): 1 dd 1 tablet 10 mg |
| Cromoglicaten | ||
| Cromoglicinezuur | neusspray 2 en 4% | 3-6 dd 1 verstuiving per neusgat |
Allergische rhinitis
-
Geef bij incidentele klachten een lokaal (bijvoorbeeld azelastine- of levocabastineneusspray) of oraal (bijvoorbeeld cetirizine of loratadine) antihistaminicum vanwege de snelle werkzaamheid (kan ‘zo nodig’ worden gebruikt). Er zijn géén belangrijke verschillen in effectiviteit tussen de verschillende middelen.27) Voor de oudere antihistaminica (sedatie) en terfenadine (cardiale bijwerkingen) is geen plaats meer. Overweeg een oraal antihistaminicum als meerdere organen bij de rhinitis betrokken zijn (bijvoorbeeld bij oog- of huidklachten), of als de patiënt een sterke voorkeur voor een tablet heeft.
-
Bij intermitterende en bij milde klachten kan de huisarts zowel een corticosteroïdneusspray als een antihistaminicum (oraal of neusspray) voorschrijven; de keuze wordt vooral bepaald door de behoefte al of niet ‘zo nodig’ te kunnen behandelen (antihistaminica werken vaak sneller) en door de voorkeur van de patiënt wat betreft de toedieningsvorm (tablet of neusspray). Indien klachten van een verstopte neus op de voorgrond staan, werkt een corticosteroïdneusspray beter.
-
Start bij een persisterende en bij een matige tot ernstige rhinitis, vooral bij klachten van een verstopte neus, met een corticosteroïdneusspray. Er zijn geen belangrijke verschillen in effectiviteit tussen de verschillende middelen.28) De werking treedt na één tot zeven dagen in.29) Systemische bijwerkingen komen nauwelijks voor, lokale irritatie bij 10% van de patiënten en bloederige afscheiding bij 2%. De bijwerkingen komen vooral voor bij het begin van de behandeling en zijn regelmatig van voorbijgaande aard. Adviseer bij lokale irritatie en bloederige afscheiding enkele dagen te stoppen met de corticosteroïdneusspray. Een neusperforatie komt slechts zeer zelden voor. De oorzaak is meestal onjuist gebruik van de corticosteroïdneusspray: adviseer daarom om van het septum af te sprayen.30)
-
Adviseer bij een neusspray vóór gebruik de neus te snuiten en tijdens de verstuiving goed op te snuiven.
-
Voor de specifieke behandeling van oogklachten wordt verwezen naar de NHG-Standaard Het rode oog.
-
Voor het beleid bij kortademigheid en piepen wordt verwezen naar de NHG-Standaarden Astma bij kinderen en Astma bij volwassenen: behandeling.
-
Tijdens zwangerschap of lactatie heeft een neusspray met beclometason, budesonide of cromoglicinezuur (minder werkzaam) de voorkeur.31)
-
Geef als langdurig chronisch gebruik van corticosteroïdneusspray bij kinderen noodzakelijk is, een zo laag mogelijke dosis: groeiremming treedt in het algemeen pas op bij een totale dosering van een corticosteroïd van meer dan 400 microg per dag, die alleen in combinatie met astma zal voorkomen (zie NHG-Standaard Astma bij kinderen).32)
-
De indicatie voor cromoglicinezuur is zeer beperkt. Overweeg dit middel alleen indien zowel een corticosteroïdneusspray als een antihistaminicum ongewenste bijwerkingen geven of bij goede ervaringen van de patiënt in het verleden. Cromoglicinezuur heeft nauwelijks bijwerkingen, maar is minder effectief dan lokale corticosteroïden en antihistaminica. Een nadeel is verder de toedieningsfrequentie (vier- tot zesmaal daags) en het feit dat het klinische effect pas na enkele weken te verwachten is.33)
Niet-allergische rhinitis
Behandel een niet-allergische rhinitis met een corticosteroïdneusspray. Lokale corticosteroïden zijn effectief bij obstructieklachten door poliepen en conchahypertrofie, en kunnen ook worden voorgeschreven bij een rhinitis die het gevolg is van frequent en langdurig gebruik van decongestiva. Het klinische effect bij een niet-allergische rhinitis is soms pas na een maand maximaal.
Bij een medicamenteuze rhinitis die het gevolg is van frequent en langdurig gebruik van decongestiva moet de patiënt stoppen met het gebruik van de neusdruppels. Onderzoek indien de rhinitis mogelijk het gevolg is van een ander geneesmiddel, of het gebruik van dit specifieke middel daadwerkelijk verband houdt met de klachten. Dat kan door het gebruik van het verdachte middel zo mogelijk (tijdelijk) te stoppen en te hervatten als de klachten verdwenen zijn. Verdwijnen de klachten bij staken en komen ze terug bij hervatten van de behandeling, dan is een verband zeer aannemelijk. Zoek dan naar een alternatief dat bij deze patiënt geen klachten veroorzaakt. Ook overstappen op een ander middel uit dezelfde geneesmiddelengroep kan zinvol zijn, omdat rekening moet worden gehouden met individuele verschillen.
Controle
-
Bij allergische rhinitis met intermitterende klachten is controle niet noodzakelijk. De patiënt kan met de medicatie stoppen als de klachten zijn verdwenen.
-
Bij allergische rhinitis met persisterende klachten of bij niet-allergische rhinitis vindt na vier weken controle plaats indien de klachten niet verminderd zijn. Bespreek dan opnieuw de niet-medicamenteuze adviezen.
Bij onvoldoende effect van de medicatie kan bij een allergische rhinitis het voorgeschreven geneesmiddel worden gecombineerd met een middel uit een andere groep (bijvoorbeeld toevoeging van een antihistaminicum aan een lokaal corticosteroïd of vervanging van cromoglicinezuur wanneer dit na zes weken gebruik nog geen resultaat heeft). Het is ook mogelijk eerst een andere vertegenwoordiger uit dezelfde geneesmiddelengroep te proberen of bij een antihistaminicum een andere toedieningsvorm (verschillen op patiëntniveau zijn altijd mogelijk). Dit geldt ook bij het optreden van bijwerkingen. Behandeling van rhinitisklachten met oraal of intramusculair toegediende corticosteroïden wordt niet aangeraden.34) Na twee maanden behandeling kan de patiënt proberen het gebruik van de medicatie (verder) te verminderen. Als de klachten daardoor toenemen, wordt de medicatie weer voor twee maanden verlengd in de laagst effectieve dosis (soms is gebruik ‘zo nodig’ voldoende). Orale of lokale antihistaminica, lokale corticosteroïden en cromoglicinezuur kunnen zonder veel bijwerkingen gedurende langere tijd worden gebruikt.35)
Bij patiënten met een recidief van een allergische of niet-allergische rhinitis is controle niet noodzakelijk, tenzij de medicatie onvoldoende effect heeft. Herhaal in dat geval anamnese en inspectie van de neus, evenals de niet-medicamenteuze advisering.
Consultatie/verwijzing
Overweeg consultatie of verwijzing naar een KNO-arts bij:
-
grote poliepen;
-
poliepen of conchahypertrofie met neusverstopping ondanks twee maanden lokale behandeling met corticosteroïden;
-
persisterende neusverstopping door een septumafwijking;
-
eenzijdige rhinitisklachten of eenzijdige bloederige afscheiding (cave maligniteit);
-
een eenzijdige ‘poliep’ bij kinderen vanwege de mogelijkheid van een zeldzame ernstige aandoening zoals een glioom of een meningokèle.
Bij ernstige klachten die onvoldoende reageren op medicamenteuze behandeling kan de huisarts bij volwassenen een verwijzing naar een internist-allergoloog en bij kinderen een verwijzing naar een kinderarts overwegen.
De resultaten van conchachirurgie of een septumplastiek zijn op korte termijn goed. Na langere tijd recidiveren klachten van neusobstructie frequent.36), 37) Bij neuspoliepen is het resultaat van functionele bijholtechirurgie op korte termijn eveneens goed; over het effect op langere termijn zijn weinig gegevens voorhanden.38) Een terughoudend beleid is dan ook op zijn plaats.
Immunotherapie
Bij immunotherapie bij een allergische rhinitis worden allergeenextracten subcutaan geïnjecteerd of sublinguaal toegediend. Daarbij maakt men onderscheid tussen een instel- en onderhoudsfase. Tijdens de instelfase – die bij sublinguale immunotherapie enkele weken en bij subcutane immunotherapie enkele maanden duurt – geeft men bij sublinguale therapie dagelijks en bij subcutane therapie wekelijks of tweewekelijks een dosis. De concentratie van het allergeen wordt langzaam opgevoerd tot de optimale dosis. In de onderhoudsfase – die drie tot vijf jaar duurt – dient men deze optimale dosis bij sublinguale therapie in de regel enkele malen per week en bij subcutane therapie eenmaal per maand toe.39) De symptomen kunnen binnen enkele maanden verminderen, maar dit effect kan ook pas vanaf één tot drie jaar na het begin van de behandeling optreden. De patiënten worden meestal niet helemaal klachtenvrij, maar een vermindering van de klachten kan ook na het staken van de behandeling aanhouden.
Sublinguale immunotherapie in de eerste lijn wordt niet aanbevolen omdat de werkzaamheid nog onvoldoende is aangetoond.40) Subcutane immunotherapie is werkzaam, maar er is een kleine kans op een mogelijk fataal verlopende ernstige systemische reactie. Geadviseerd wordt daarom deze behandeling bij voorkeur in een ziekenhuissetting te starten. Behandeling in eigen beheer is alleen mogelijk bij specifieke deskundigheid, wanneer aan alle onderstaande voorwaarden voor het toepassen van subcutane immunotherapie in de eerste lijn wordt voldaan, en wanneer er geen contra-indicaties aanwezig zijn.
Voorwaarden voor het toepassen van subcutane immunotherapie in de eerste lijn zijn:
-
de allergie is met een allergeenspecifieke IgE-bepaling of huidtest aangetoond;
-
het betreft een allergie voor berkenpollen, graspollen of huisstofmijt;
-
het gaat om maximaal twee verschillende (groepen) allergenen;
-
de patiënt heeft ernstige klachten ondanks optimale medicamenteuze behandeling;
-
maatregelen ter vermindering van blootstelling aan allergenen hebben onvoldoende resultaat gehad;
-
de patiënt is goed gemotiveerd;
-
de behandeling moet altijd door een arts worden uitgevoerd, of onder diens directe supervisie door getraind personeel;
-
de patiënt moet na elke injectie minimaal een half uur onder controle en in het zicht blijven vanwege de kans op bronchoconstrictie of een anafylactische reactie. De patiënt moet ook de instructie krijgen om bij een later optredende reactie met spoed contact op te nemen met de arts;
-
de huisarts moet uit voorzorg beschikken over een uitgebreide noodset die onder handbereik klaar moet staan en ten minste moet bestaan uit adrenaline (0,3-0,5 mg intramusculair), clemastine (2 mg intraveneus), een corticosteroïd voor parenterale toediening, een bèta-2-sympathicomimeticum, bijvoorbeeld in de vorm van een dosisaerosol met inhalatiekamer, en een infuus met een fysiologische zoutoplossing.41)
Contra-indicaties voor subcutane immunotherapie in de eerste lijn zijn:42)
-
coronairziekten, hypertensie en behandeling met bètablokkers, ACE-remmers of immunosuppressiva;
-
astma waarvoor inhalatiecorticosteroïden of dagelijks bèta-2-sympathicomimetica moeten worden gebruikt;
-
leeftijd jonger dan 6 jaar;
-
zwangerschap;
-
een eerder opgetreden hevige systemische of anafylactische reactie tijdens immunotherapie.
Totstandkoming
In mei 2005 begon een werkgroep bestaande uit vier huisartsen met de herziening van de NHG-Standaard Allergische en hyperreactieve rhinitis.
De werkgroep bestond uit de volgende leden: dr. A.P.E. Sachs, huisarts te Groningen en als senior-docent-onderzoeker verbonden aan het Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde, Universitair Medisch Centrum Utrecht, dr. M.Y. Berger, huisarts te Bergen op Zoom en als universitair docent verbonden aan de afdeling huisartsgeneeskunde van het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, dr. P.L.B.J. Lucassen, huisarts te Bakel en als senior-onderzoeker verbonden aan de afdeling huisartsgeneeskunde van de St Radboud Universiteit te Nijmegen en J. van der Wal, huisarts te Den Haag.
In december 2005 werd commentaar op de conceptstandaard ontvangen van een aantal referenten, te weten H.E. Fokke en dr. S. Zwart, huisartsen, prof.dr. W. Fokkens, KNO-arts, dr. P.L.P. Brand, kinderarts, prof.dr. J.G.R. de Monchy, allergoloog, drs. A.C. van Loenen, ziekenhuisapotheker/klinisch farmacoloog namens het College voor Zorgverzekeringen, en J. Engeldorp Gastelaars, apotheker namens het Wetenschappelijk Instituut Nederlandse Apothekers. Vermelding als referent betekent overigens niet dat de referent de standaard inhoudelijk op elk detail onderschrijft.
In februari 2006 werd de conceptstandaard met enkele kleine wijzigingen geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie.
De werkgroep werd begeleid door drs. J.A.M. van Balen, huisarts en drs. M.M. Verduijn, apotheker, beiden wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG.
© 2006 Nederlands Huisartsen Genootschap
Herziening van de standaard heeft geleid tot een aangepaste naamgeving. De oorspronkelijke naam ‘Allergische en hyperreactieve rhinitis’ is veranderd in ‘Allergische en niet-allergische rhinitis’. In de standaard van 1996 werd aangegeven dat er geen algemeen geaccepteerd systeem was voor de definitie, classificatie en terminologie van rhinopathieën [Crobach 1995]. Er is destijds gekozen de term ‘hyperreactieve rhinitis’ als tegenhanger voor ‘allergische rhinitis’ voor niet-allergische rhinitiden te gebruiken, omdat de verwachting was dat deze term spoedig internationaal ingang zou vinden. In de afgelopen jaren is echter gebleken dat de term ‘hyperreactieve rhinitis’ in de internationale literatuur niet wordt gebruikt. Daarnaast suggereert de term ‘hyperreactieve rhinitis’ dat hyperreactiviteit een belangrijke rol speelt bij het onderscheid tussen de verschillende vormen van rhinitis. Ook bij allergische rhinitis kan hyperreactiviteit echter een rol spelen.
Eind jaren negentig van de vorige eeuw stelde de European Academy of Allergology and Clinical Immunology (EAACI) een onderzoekscommissie in om de nomenclatuur voor allergie te standaardiseren. Dit resulteerde in 2001 in een rapport met als titel A revised nomenclature for allergy [Johansson 2001]. Deze nieuwe nomenclatuur kan onafhankelijk van het aangedane eindorgaan of leeftijd worden gebruikt. Per aandoening geldt de indeling ‘wel/niet allergisch’ en binnen de allergische aandoeningen ‘wel/niet IgE-gemedieerd’. In de nomenclatuur die, conform de EAACI, momenteel internationaal wordt gehanteerd, wordt allergie als volgt gedefinieerd: ‘Allergie is een overgevoeligheidsreactie die wordt geïnitieerd door specifieke immunologische mechanismen.’ Bij het merendeel van de patiënten met symptomen van een allergische reactie van de mucosale membraan van de luchtwegen en van de tractus gastrointestinalis is deze reactie van het IgE-isotype. Is er sprake van een niet-allergische reactie, bijvoorbeeld bij een overgevoeligheid voor acetylsalicylzuur, dan moet de term niet-allergische overgevoeligheid worden gehanteerd.
In een meta-analyse van zestien placebo-gecontroleerde onderzoeken (n=2267) werden de (kosten)effectiviteit en veiligheid van intranasale corticosteroïden en orale antihistaminica bij patiënten met een allergische rhinitis vergeleken [Weiner 1998]. Intranasale corticosteroïden bleken effectiever te zijn bij klachten van een verstopte neus, neusuitvloed, jeuk en ‘postnasal drip’. Bij oogklachten waren corticosteroïden even effectief als orale antihistaminica. Er was echter een significante heterogeniteit tussen de verschillende onderzoeken wat betreft de oogklachten. De auteurs verklaren de heterogeniteit uit de snellere werking van orale antihistaminica. Intranasale corticosteroïden bleken ook veiliger en kosteneffectiever te zijn dan orale antihistaminica. De resultaten van de meta-analyse worden bevestigd in latere meta-analyses [Yanez 2002, Nielsen 2003].
Allergeenwerende hoezen hebben, hoewel ze wel de aanwezigheid van huisstofmijt reduceren, onvoldoende effect op het totale klachtenpatroon van allergische rhinitis, astma en/of atopische dermatitis wanneer ze bij patiënten met huisstofmijtallergie als enige huisstofmijtwerende maatregel worden gebruikt [Terreehorst 2003]. Bij patiënten met astma wordt in enkele onderzoeken, soms als onderdeel van een breed pakket aan preventieve aandoeningen, wél een (matig) gunstig effect van allergeenwerende hoezen op het klachtenpatroon gezien [Van den Bemt 2004, Halken 2003, Morgan 2004]. Op grond van deze onderzoeken wordt aanbevolen niet bij alle patiënten met een allergische rhinitis ten gevolge van huisstofmijt matrashoezen te adviseren, maar alleen bij patiënten die ondanks andere huisstofmijtwerende maatregelen en het gebruik van medicatie ernstige klachten houden en bij patiënten die ook astma hebben (zie hiervoor de NHG-Standaarden Astma bij kinderen en Astma bij volwassenen).
De prevalentie van allergische rhinitis in Europa geschat op grond van vragenlijstonderzoek, zelfrapportage of rapportage van ouders, loopt in de verschillende Europese landen bij volwassenen en kinderen uiteen van 10 tot 15%. De prevalentie van allergische en niet-allergische rhinitis samen wordt geschat op bijna 20% [Aas 1997].
De Tweede Nationale Studie geeft een incidentie van allergische en niet-allergische rhinitis samen van 8 per 1000 mannen en 9 per 1000 vrouwen per jaar [Van der Linden 2004]. De prevalentie is 25 per 1000 mannen en 31 per 1000 vrouwen. De prevalentie is het hoogst in de leeftijdscategorie van 15-24 jaar: 41 per 1000 mannen en 53 per 1000 vrouwen. Bij niet-westerse allochtonen is de prevalentie veel hoger (50 per 1000 personen) dan bij westerse allochtonen (34 per 1000 personen) en autochtonen (27 per 1000 personen) [Van der Linden 2004].
Er is een discussie of de prevalentie van atopische aandoeningen, waaronder allergische rhinitis, het laatste decennium nog toeneemt of niet. Terwijl in sommige Europese landen nog steeds een stijging van de prevalentie van hooikoorts wordt gezien [Verlato 2003, Latvala 2005, Devenny 2004] wordt die in andere landen niet meer waargenomen [Braun-Fahrlander 2005].
In de Nederlandse huisartsenregistraties is het onduidelijk of de prevalentie nog toeneemt. De Tweede Nationale Studie laat ten opzichte van de Eerste Nationale Studie geen verschil in prevalentie van allergische rhinitis zien (27,4 per 1000 personen in 1987 vergeleken met 27,8 per 1000 personen in 2001) [Van der Velden 1991, Van der Linden 2004]. Het betreft hier echter twee aparte bevolkingsonderzoeken. In de Continue Morbiditeits Registratie verdubbelde de incidentie van hooikoorts in de periode 1977-1988. Het is echter onduidelijk of de incidentie vanaf 1988 nog steeds significant toeneemt [Van de Lisdonk 2003].
Een prospectief onderzoek naar het beloop van hooikoorts bij 738 personen, met een gemiddelde follow-up van 23 jaar, toont aan dat bij een meerderheid van de volwassen patiënten de symptomen van hooikoorts in de loop der jaren verminderen [Greisner 1998]. De diagnose werd gesteld indien er gedurende minimaal twee jaar in hetzelfde seizoen sprake was van waterige, jeukende ogen, neusuitvloed en niezen. Bij het begin van het onderzoek werd bij 175 studenten de diagnose hooikoorts gesteld; in de loop van de 23 jaar follow-up ontwikkelde zich daarnaast nog bij 131 personen hooikoorts. Na 23 jaar waren de klachten bij 55% van de personen verminderd. Hoe lager de leeftijd waarop de hooikoorts begon, hoe hoger het percentage personen bij wie de klachten waren verminderd: 85% van de personen bij wie de diagnose op de leeftijd van 1-5 jaar was gesteld, 64% van degenen bij wie de diagnose op 6-12-jarige leeftijd was gesteld, 56% indien de diagnose op de leeftijd van 13-19 jaar was gesteld en 39% bij een start van de klachten na het twintigste levensjaar.
In een ander prospectief onderzoek (n=257, gemiddelde follow-up 8 jaar) naar verschillende vormen van allergische rhinitis (bevestigd door de aanwezigheid van specifiek IgE voor pollen, huisdieren of huisstofmijt), werd gekeken naar het percentage patiënten met een volledige remissie van de klachten [Bodtger 2004]. In dit onderzoek werd een volledige remissie van de klachten gevonden bij 12% van de patiënten met een pollenallergie, bij 19% van de patiënten met een allergie voor huisdieren en bij 38% van de patiënten met een huisstofallergie.
De beschreven pathofysiologie en etiologie zijn gebaseerd op enkele overzichtsartikelen [Skoner 2001, Bachert 2004, Bousquet 2001, Dykewitcz 1998].
Klachten ten gevolge van een huisstofmijtallergie zijn niet seizoengebonden. In een Brits onderzoek vond men in de diverse seizoenen geen grote verschillen in de aanwezigheid van huisstofmijt in matrassen en vloerkleden van slaap- en woonkamers in veertig huizen in Manchester. Alleen in oktober was er een beperkte, klinisch niet-relevante piek [Kalra 1992]. Volgens dit onderzoek was de variatie in de hoeveelheid huisstofmijt in de verschillende huizen 1000 tot 10.000 keer groter dan de (seizoens)variatie in de hoeveelheid huisstofmijt in één huis.
Bekend is dat er een relatie bestaat tussen allergische rhinitis en astma. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat 15 tot 40% van de patiënten met een allergische rhinitis astma heeft [Leynaert 2000]. Omgekeerd heeft een groot deel van de patiënten met astma tevens een allergische rhinitis (percentages tot 80 à 90 worden genoemd) [Yawn 1999, Leynaert 2000, Guerra 2002, Greisner 1998].
Men denkt dat bij prikkeling van de bovenste luchtwegen ook een reactie in de onderste luchtwegen kan ontstaan. Onderzoek heeft aangetoond dat een allergische prikkel van het neusslijmvlies bij mensen met een allergische rhinitis maar zonder astma leidt tot migratie van eosinofiele cellen vanuit het neusslijmvlies in de circulatie, rekrutering in het beenmerg van nieuwe eosinofiele cellen en uiteindelijk resulteert in een episode van astma in de onderste luchtwegen [Braunstahl 2001a, Braunstahl 2001b].
Er zijn aanwijzingen dat door behandeling van de allergische rhinitis bij patiënten met zowel astma als een allergische rhinitis, de astmaklachten verminderen. In 2001 stelde een panel van experts dat optimale behandeling van rhinitis bij patiënten met astma, de astma kan verminderen [Bousquet 2001]. Een in 2004 uitgevoerde meta-analyse (twaalf onderzoeken, n=425) naar het effect van de behandeling van astmapatiënten met intranasale corticosteroïden op de astmasymptomen [Taramarcaz 2003], toonde echter alleen een niet-significante trend aan naar verbetering van astmaklachten, longfunctie en hyperreactiviteit. De auteurs van deze meta-analyse concluderen dan ook dat monotherapie met intranasale corticosteroïden bij patiënten met zowel astma als een allergische rhinitis vooralsnog niet aangewezen is, en stellen dat er meer onderzoek nodig is om hierover een definitieve uitspraak te doen.
Geconcludeerd kan worden dat, hoewel nog niet duidelijk is of behandeling van allergische rhinitis astmaklachten vermindert, een optimale behandeling van een allergische rhinitis bij astmapatiënten van belang lijkt.
In een review van observationele onderzoeken (vijftien onderzoeken, n=ruim 15.500) is gekeken naar de invloed van het krijgen van uitsluitend borstvoeding (gedurende de eerste vier tot zes levensmaanden) op het risico op het ontwikkelen van een allergische aandoening (zoals atopische dermatitis, astma en allergische rhinitis). Van alle onderzochte maatregelen bleek borstvoeding voor kinderen met een hoog risico op een allergische aandoening het meest geassocieerd te zijn met een verlaging van het risico op het ontwikkelen van een allergie [Muraro 2004]. Uit een overzicht van Friedman bleek dezelfde associatie [Friedman 2005].
Een meta-analyse van Gdalevich et al. (twaalf prospectieve onderzoeken, 8183 kinderen) gaf aan dat borstvoeding gedurende de eerste maanden na de geboorte samengaat met een afgenomen risico op het ontstaan van astma en eczeem. Dit effect was vooral aanwezig bij kinderen bij wie allergieën in de familie voorkwamen [Gdalevich 2001].
Sears et al. lieten echter zien dat een mogelijk preventief effect van borstvoeding op lange termijn niet aanhoudt, en dat er zelfs een grotere kans op allergie en astma is na één maand uitsluitend borstvoeding. Het onderzoek bestond uit een cohort van 1037 kinderen, geboren tussen april 1972 en maart 1973 in Nieuw-Zeeland, die gedurende 26 jaar werden gevolgd. 504 kinderen (49%) hadden gedurende vier weken of langer borstvoeding gehad, terwijl de overige 533 kinderen (51%) in het geheel geen borstvoeding hadden gekregen. Van de kinderen die borstvoeding hadden gehad waren er meer allergisch voor huisstofmijt, katten en graspollen dan van de kinderen die geen borstvoeding hadden gekregen. Bovendien hadden in de borstgevoede groep meer kinderen astma [Sears 2002]. Voor alle onderzoeken geldt dat vertekening niet kan worden uitgesloten; het is zeer wel mogelijk dat juist moeders met een atopische aanleg eerder geneigd zijn langdurig borstvoeding te geven (NHG-Standaard Zwangerschap en kraamperiode). Er is geen bewijs voor het preventieve effect van een hypoallergeen dieet door de moeder tijdens de zwangerschap [Muraro 2004, Kramer 2003]. Het effect van een preventief dieet tijdens de periode van borstvoeding is (nog) niet duidelijk [Muraro 2004, Kramer 2003].
Door langdurig en/of veelvuldig gebruik van decongestiva heeft de patiënt steeds meer neusspray nodig om een effect te bereiken en kan bij stoppen ‘rebound’-congestie (roodheid, zwelling en rhinitis) optreden. Cijfers over de incidentie van rebound-rhinitis door veelvuldig en/of langdurig gebruik van decongestiva ontbreken. De patiënt gaat steeds grotere hoeveelheden neusdruppels gebruiken en belandt, vaak onbewust, in een vicieuze cirkel.
Het pathofysiologische mechanisme van deze vorm van rhinitis is onbekend: vasodilatatie en intravasculair oedeem spelen in ieder geval een rol [Graf 2005]. Voor verdere behandeling na het stoppen van de decongestiva, komt een corticosteroïdneusspray in aanmerking.
Patiënten met een rhinitis medicamentosa door overmatig gebruik van decongestiva kunnen al binnen een paar dagen na hernieuwd gebruik ‘rebound’-congestie ontwikkelen, zelfs wanneer zij al meer dan een jaar geen decongestiva hebben gebruikt [Graf 1997]. Door een paar dagen opnieuw neusdruppels met een decongestivum te gebruiken, kunnen zij wederom in de vicieuze cirkel van neusdruppelmisbruik belanden.
Bij daarvoor gesensibiliseerde personen ontstaat bij gebruik van acetylsalicylzuur en NSAID’s een ontstekingsreactie van het neusslijmvlies [Garay 2004]. De rhinitis kan geïsoleerd voorkomen of in combinatie met astma [Szczeklik 2000, Hedman 1999].
Uit gegevens van het Nederlands Bijwerkingencentrum LAREB blijkt dat rhinitis ook als bijwerking van cholesterolsyntheseremmers gemeld is [Labadie 2002]. Daarnaast signaleert LAREB rhinitis ook als bijwerking bij oogdruppels die de niet-selectieve bètablokker timolol bevatten.
Andere geneesmiddelen waarbij rhinitis als bijwerking wordt genoemd zijn antihypertensiva zoals ACE-remmers, bètablokkers, alfablokkers (prazosine), centraal werkende antihypertensiva (guanethidine, methyldopa) en chloorpromazine [Bousquet 2001, Dykewicz 1998].
Uit een vragenlijstonderzoek (n=599) in prenatale centra in Zweden naar het voorkomen van ‘zwangerschaprhinitis’ (gedefinieerd als ‘niet-allergische neusobstructie in de zwangerschap gedurende meer dan zes weken’) bleek de cumulatieve incidentie 22% te zijn [Ellegård 2000]. Een prospectief onderzoek met een follow-up van één jaar naar het voorkomen van neusobstructieklachten gedurende meer dan drie weken in de zwangerschap (n=2256) liet een cumulatieve incidentie van 56% zien [Bende 2000].
De ARIA-richtlijnen van de WHO kunnen behulpzaam zijn bij de inschatting van de ernst en de aard van de klachten [Bousquet 2001]. In deze richtlijn worden ‘intermitterende’ klachten gedefinieerd als klachten die korter dan vier dagen per week of korter dan vier weken achtereen aanwezig zijn. Langer durende klachten worden ‘persisterend’ genoemd. ‘Matig tot ernstige klachten’ zijn in deze richtlijn gedefinieerd als klachten die leiden tot slaapstoornissen, tot een vermindering van de dagelijkse activiteiten, ontspanning en/of sport, tot school- of werkverzuim, of hinderlijk zijn. In de overige gevallen wordt gesproken van ‘milde’ klachten.
Peuters en kinderen op de basisschoolleeftijd met een allergische rhinitis hebben vaak klachten van een hardnekkig verstopte neus (‘altijd verkouden’), malaise en hoesten [Baatenburg-de Jong 2005]. Ook slecht slapen, rode ogen en blauwe wallen onder de ogen kunnen tekenen zijn van een allergische rhin(oconjunctiv)itis. Vooral bij kinderen met een positieve familieanamnese voor allergie kan een allergische rhinitis al op jonge leeftijd optreden. Een allergische rhinitis bij jonge kinderen is vaak het gevolg van een allergie voor huisstofmijt. Vanaf de leeftijd van ongeveer 3 jaar kan een allergie voor inhalatieallergenen aangetoond worden [Van Velzen 2004].
Een overzichtsartikel over de waarde van de diagnostiek bij een allergische rhinitis laat zien dat vooral vragen naar pollenexpositie en huisdieren nuttig zijn [Gendo 2004]. De positieve likelihoodratio voor anamnestische informatie over expositie aan pollen en dieren varieert van 3 tot 5. Ook een voor allergie belaste familieanamnese en bekende allergieën hebben een hoge likelihoodratio (variërend van 2 tot 5). Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat men in vrijwel alle onderzoeken een ‘samengestelde gouden standaard’ gebruikte, waarbij de anamnese onderdeel was van de gouden standaard en daarop dus invloed had. Dit betekent dat de positieve likelihoodratio te hoog kan zijn geschat. Een systematisch literatuuronderzoek waarin specifiek werd gekeken naar graspollenallergie (met een allergeenscreeningstest als gouden standaard) komt tot vergelijkbare likelihoodratio’s [Demir 2005].
Septumafwijkingen en conchahypertrofie hoeven lang niet altijd klachten te veroorzaken. Men zal de relevantie moeten inschatten aan de hand van de veronderstelde belemmering van de doorgang en de continuïteit van de klachten. Neuspoliepen komen dermate zelden voor dat het niet zinvol is altijd neusspeculumonderzoek te doen. De incidentie bij patiënten met rhinitisklachten is naar schatting 1 tot 3% [Larsen 2002, Johansson 2003]. Neuspoliepen komen vrijwel nooit voor bij personen jonger dan 20 jaar (met uitzondering van kinderen met cystische fibrose) en weinig bij personen van 20 tot 40 jaar. Bij personen ouder dan 60 jaar wordt de prevalentie op 5% geschat. Neuspoliepen komen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen, en vaker bij patiënten met astma. Lang niet alle neuspoliepen geven neusobstructieklachten.
Bij een inhalatieallergeenscreeningstest (zoals de Alatop® of de Phadiatop®) brengt men het serum van de patiënt in reactie met een mengsel van de meest voorkomende allergenen. De precieze samenstelling van de verschillende screeningsmengsels is onbekend; vaak bevatten ze de volgende allergenen: huisstofmijt, graspollen, boompollen, kattenepitheel, hondenepitheel, schimmels en kruidpollen. Het mengsel bevat meestal geen allergenen van knaagdieren (cavia, konijn). De testuitslag van de allergeenspecifieke IgE-bepaling (RAST) is positief bij een waarde ≥ 0,35 kU/l.
Uit een overzichtsartikel betreffende de waarde van anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullende diagnostiek bij allergische rhinitis blijkt dat de sensitiviteit en de specificiteit van de inhalatieallergeenscreeningstest hoog zijn [Gendo 2004]. De sensitiviteit van de inhalatieallergeenscreeningstest bij een samengestelde gouden standaard waarbij de screeningstest geen deel uitmaakte van de gouden standaard (de gouden standaard was samengesteld op grond van het klinische beeld, vragenlijstonderzoek, huidtests en eventueel een nasale of conjunctivale provocatietest), is 96% en de specificiteit is 94%.
Van de allergeenspecifieke IgE-tests op huisstofmijt, pollen, huisdieren en schimmels zijn de sensitiviteit en de specificiteit sterk afhankelijk van de gebruikte gouden standaard (samengesteld op grond van het klinische beeld of een provocatietest) en de aard van het allergeen. De sensitiviteit varieerde bij pollen-, huisdieren- en schimmelallergenen van 61 tot 94% en de specificiteit van 84 tot 100%. Bij huisstofmijt waren de sensitiviteit en de specificiteit in een onderzoek met een samengestelde gouden standaard respectievelijk 19 en 97%, terwijl deze bij een provocatietest als gouden standaard respectievelijk 88 en 26% waren.
Uitgaande van een prevalentie van allergische rhinitis bij patiënten die met langdurige of frequent recidiverende rhinitisklachten bij de huisarts komen van 30 respectievelijk 60%, is de positief voorspellende waarde van een inhalatieallergeenscreeningstest 87 en 96%, en de negatief voorspellende waarde 98 en 94%.
De testeigenschappen van huidpriktests zijn vergelijkbaar met die van bloedonderzoek naar allergeenspecifiek IgE (sensitiviteit 94-97% en specificiteit 70-89% bij een provocatietest als gouden standaard) [Gendo 2004]. Deze testeigenschappen werden echter vastgesteld in tweedelijnsonderzoek. De verwachting is dat deze eigenschappen in de eerste lijn minder gunstig zullen zijn. Fout-positieve uitslagen kunnen het gevolg zijn van dermatografie, het te dicht bij elkaar plaatsen van de huidprikken, het gebruik van een te groot volume testvloeistof, contaminatie van de testvloeistof met een ander allergeen en irritatie van de huid door de testoplossing [Hamilton 2003]. Fout-negatieve uitslagen kunnen het gevolg zijn van een onjuiste injectietechniek en gebruik van antihistaminica, antidepressiva en lokale corticosteroïden. In een onderzoek in een huisartsenpraktijk bij 92 patiënten met atopische aandoeningen bleken huidtests vooral geschikt om IgE-afhankelijke reacties uit te sluiten en minder om deze aan te tonen [Lucassen 1995]. Gezien de beperkte houdbaarheid van de testoplossingen en de vereiste ervaring worden huidpriktests in eigen beheer alleen aanbevolen indien men ze frequent uitvoert. Op grond van bovenstaande argumenten en omdat huidpriktests belastender zijn voor de patiënt, wordt daarom de voorkeur gegeven aan bloedonderzoek naar allergeenspecifiek IgE.
De huisarts kan stoppen met roken beïnvloeden met de minimale interventiestrategie, beschreven in het NHG-DKB-cahier ‘Stoppen met roken’. Daarbij kan de patiënt eventueel gebruikmaken van nicotinevervangers of andere ondersteunende medicatie [Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO 2004].
Bestrijding van vocht in de woning wordt aanbevolen, onder andere omdat de huisstofmijt in vochtige woningen goed zou gedijen.
In een Cochrane-review van vier kleine onderzoeken (van matige kwaliteit) naar maatregelen om huisstofmijt te reduceren vond men een significante reductie van huisstofmijt [Sheikh, 2004]. Een vermindering van rhinitisklachten is waarschijnlijk, maar kan door de gebrekkige onderzoeksopzet niet worden vertaald in onderbouwde aanbevelingen. Interventies die werden onderzocht waren middelen die huisstofmijt doden of het allergeen inactiveren (twee onderzoeken, n=20 en n=35), HEPA-luchtfilters (één onderzoek, n=40) en slaapkamersanering (één onderzoek, n=30) (allergeenwerende matrashoezen, éénmaal per twee weken beddengoed wassen op 55 °C, verwijderen van met stof beklede meubels en vloerbedekking, en dagelijks nat dweilen van de vloer). Een gecombineerd pakket van maatregelen ter vermindering van het aantal allergenen binnenshuis, aangepast aan de persoonlijke situatie, resulteerde in een éénjarig onderzoek bij patiënten met astma in een vermindering van aan astma geassocieerde morbiditeit [Morgan 2004]. Maatregelen die werden geadviseerd waren slaapkamersanering met allergeenwerende matrashoezen, stofzuiger met HEPA-filter, HEPA-luchtfilter, vermijden van blootstelling aan (passief) roken en huisdieren.
Voor een beschrijving van het onderzoek naar allergeenwerende matrashoezen zie noot 3.
Middelen die huisstofmijt doden of het allergeen inactiveren, zouden een aanvulling op de sanering kunnen zijn. Het effect is evenwel niet aangetoond [Morgan 2004]. Over toxische effecten van deze middelen op lange termijn is weinig bekend. Chemisch reinigen van de vaste vloerbedekking kan zinvol zijn indien vervanging niet acceptabel is. Wassen van het beddengoed (inclusief kussen en dekbed indien geen allergeenwerende hoezen worden gebruikt) in de machine op ten minste 60 °C gedurende minimaal één uur, eenmaal in de twee weken zorgt voor een reductie van huisstofmijt. De geadviseerde wastemperatuur varieert van 60 tot 70 °C [Morgan 2004]. Er is geen onderzoek gevonden naar het effect van speciale wasmachines of wasmiddelen.
Conclusie: reductie van huisstofmijt door bovenstaande maatregelen is aangetoond, maar bij een allergische rhinitis is een reductie van de klachten door de afzonderlijke maatregelen niet aangetoond. Bij kinderen met astma is bij een combinatie van maatregelen wél een vermindering van klachten aangetoond [Platts-Mills 2004, Van den Bemt 2004, Halken 2003, Sheffer 2004, Simpson 2005].
Er werd één Japans niet-gerandomiseerd onderzoek gevonden waarin men het wegdoen van huisdieren vergeleek met het handhaven van huisdieren [Shirai 2005]. Het onderzoek werd uitgevoerd bij twintig volwassen patiënten (24-52 jaar) met allergisch astma en gelijktijdige klachten van neus, ogen en huid, die werden geadviseerd de huisdieren te verwijderen. De tien patiënten die het advies opvolgden vergeleek men met de tien die hun huisdier behielden. Na ten minste één jaar follow-up was de groep zonder huisdier sterk verbeterd wat betreft de metacholineprovocatietest en het gebruik van inhalatiesteroïden, maar niet op FEV1 en ‘peak flow’-variabiliteit. Het dier uit huis doen werkte beter dan optimale farmacotherapie in combinatie met het thuis houden van het huisdier: bij alle tien patiënten die hun dier uit huis plaatsten kon de noodzakelijke te inhaleren dosis corticosteroïd worden verlaagd. Alle patiënten die hun dier thuis hielden moesten meer corticosteroïd inhaleren. Onderzoeken bij patiënten met allergische rhinitis zijn niet gevonden, maar gelijke resultaten zijn te verwachten.
Ten behoeve van een Cochrane-review over maatregelen om bij aanwezigheid van huisdieren de verspreiding van allergenen door de woning te beperken, vond men onvoldoende onderzoeken om een conclusie te kunnen trekken [Kilburn 2001].
Het hooikoortsweerbericht wordt van begin mei tot eind juli dagelijks uitgezonden (radio 1 na het nieuws van half zes, teletekstpagina 709). Tijdens het hooikoortsseizoen doet het KNMI in samenwerking met het Academisch Ziekenhuis Leiden een dagelijkse voorspelling via internet www.KNMI.nl (> weer > gezondheid > polleninformatie (LUMC)). Bij vakantieplanning en activiteiten buitenshuis kan de patiënt rekening houden met pollenallergie [Horak 1993].
Er zijn verschillende onderzoeken gepubliceerd naar de effectiviteit van montelukast bij volwassenen met allergische rhinitis. Uit een groot multicentrische RCT in Texas gedurende vijftien dagen (n=705 volwassenen) bleek dat bij seizoengebonden allergische rhinitis de effectiviteit van éénmaal daags 200 microg fluticasonneusspray groter is dan van 10 mg montelukast oraal [Ratner 2003].
In een andere RCT (n=62) vergeleek men bij seizoengebonden allergische rhinitis de effectiviteit van éénmaal daags 200 microg fluticasonneusspray met éénmaal daags 10 mg montelukast, al of niet gecombineerd met 10 mg loratadine [Pullerits 2002]. Fluticason bleek het meest effectief.
In nog een andere RCT (n=100) vergeleek men bij volwassenen met seizoengebonden allergische rhinitis de effectiviteit van verschillende medicatieregimes (éénmaal daags 200 microg fluticasonneusspray (n=20); éénmaal daags 200 microg fluticasonneusspray gecombineerd met éénmaal daags 10 mg cetirizine oraal (n=20); éénmaal daags 200 microg fluticasonneusspray gecombineerd met éénmaal daags 10 mg montelukast oraal (n=20); éénmaal daags 10 mg cetirizine oraal gecombineerd met éénmaal daags 10 mg montelukast oraal (n=20)) [Di Lorenzo 2004]. Fluticason was het meest effectief, waarbij toevoeging van cetirizine de effectiviteit enigszins vergrootte, en toevoeging van montelukast geen betere effectiviteit gaf. De combinatie cetirizine en montelukast was minder effectief dan monotherapie met fluticason. In een systematisch overzicht van onderzoeken tot 2002 kwam men tot dezelfde conclusie [Nathan 2003].
De meest voorkomende bijwerkingen van montelukast zijn hoofd- en buikpijn [Commissie Farmaceutische Hulp 2006].
Conclusie: monotherapie met montelukast bij patiënten met seizoengebonden allergische rhinitis is minder effectief dan nasale corticosteroïden. Bij een allergische rhinitis is de effectiviteit van de combinatie van montelukast en een antihistaminicum minder dan die van lokale corticosteroïden. Ook de toevoeging van montelukast aan een behandeling met lokale corticosteroïden levert geen voordeel op. Vooralsnog wordt montelukast daarom niet geadviseerd bij rhinitis.
Er is geen gerandomiseerd onderzoek gevonden naar het langetermijneffect van immunotherapie bij grote groepen patiënten met allergische rhinitis in vergelijking met placebo of orale of lokale behandeling. Immunotherapie (zowel subcutane immunotherapie als sublinguale immunotherapie) is voornamelijk onderzocht bij patiëntengroepen met een aangetoonde allergie voor één allergeen of één groep allergenen.
Enkele kleine onderzoeken (controlegroepen bestonden uit vergelijkbare patiëntengroepen met alleen symptoombehandeling zonder subcutane allergeeninjecties) toonden aan dat hyposensibilisatie met subcutane immunotherapie bij allergische rhinitis als gevolg van onder andere graspollen en berkenpollen, werkzaam is tot zes jaar na het staken van de behandeling (minder symptomen, minder medicijngebruik, minder nieuw ontstane allergieën) [Eng 2002, Durham 1999, Varney 1991, Ortolani 1984, Viander 1978]. Uit een overzicht van alle onderzoeken vanaf 1980 blijkt dat subcutane immunotherapie bij patiënten met een huisstofmijtallergie resulteert in een significante vermindering van symptomen [Polzehl 2003].
Er zijn maar zeer weinig direct vergelijkende onderzoeken van sublinguale immunotherapie met subcutane immunotherapie. In een klein drie jaar durend onderzoek bij 58 patiënten met een allergie voor berkenpollen rapporteerde men een gelijke effectiviteit van sublinguale en subcutane immunotherapie, maar de onderzochte patiëntengroep was te klein om conclusies te kunnen trekken [Khinchi 2004].
Onderzoeken waarin de effectiviteit van sublinguale immunotherapie bij volwassenen en kinderen met allergische rhinitis werd vergeleken met placebo zijn samengevat in een Cochrane-review [Wilson 2003]. Men includeerde 21 gerandomiseerde placebo-gecontroleerde onderzoeken (n=959), waarvan er 8 korter dan zes maanden duurden en 4 langer dan twaalf maanden. In de geïncludeerde onderzoeken maakte men gebruik van diverse uiteenlopende symptoomscores, waardoor er sprake was van een klinische heterogeniteit tussen de verschillende onderzoeken, wat de interpretatie bemoeilijkt. Volgens deze analyse zijn de klachten en het medicatiegebruik door sublinguale immunotherapie significant verminderd. Bij sublinguale immunotherapie werden geen systemische bijwerkingen waargenomen, wel waren er meldingen van jeuk en zwelling van het mondslijmvlies. Na de Cochrane-review verschenen nog enkele gerandomiseerde, dubbelblind placebo-gecontroleerde onderzoeken naar het effect van sublinguale immunotherapie bij patiënten met een allergische rhinitis. Ook nu waren de onderzoeksgroepen over het algemeen klein en waren de onderzoeken van korte duur. Uit deze onderzoeken kwam een significante vermindering van klachten en/of een reductie van het medicijngebruik door behandeling met sublinguale immunotherapie naar voren [Wüthrich 2003, Tonnel 2004, Bowen 2004,Varney 2003]. In één onderzoek zag men alleen een significant effect van sublinguale immunotherapie bij ernstige klachten en vanaf een periode van drie jaar [Bufe 2004].
Conclusie: subcutane immunotherapie is effectief, maar het gebruik ervan is beperkt door een kleine kans op ernstige anafylactische reacties en het ongemak van regelmatig terugkerende injecties. De werkgroep blijft daarom bij het advies terughoudend te zijn bij het gebruik van subcutane immunotherapie in de eerste lijn.
Er zijn meer grote gerandomiseerde, dubbelblinde onderzoeken met sublinguale immunotherapie nodig om de effectiviteit op lange termijn, de optimale dosering en gebruiksduur, en de patiëntengroep die het geschiktst lijkt voor sublinguale immunotherapie te kunnen bepalen. Op grond van het ontbreken van gerandomiseerd onderzoek bij grote groepen en op grond van de hoge prijs heeft de werkgroep besloten vooralsnog terughoudend te zijn bij het gebruik van sublinguale immunotherapie in de eerste lijn.
Bij 70 tot 95% van de patiënten met een allergische rhinitis zijn antihistaminica effectief [Hore 2005, Tamasky 1990, Kaiser 1990]. Het effect van antihistaminica treedt snel in, hetgeen bij een intermitterend optredende rhinitis een voordeel kan zijn ten opzichte van corticosteroïden [Hore 2005, De Monchy 2002, Wang 2002]. Orale antihistaminica werken ook bij klachten van een verstopte neus [Hore 2005], maar minder dan lokale corticosteroïden [Weiner 1998, Yanez 2002, Nielsen 2003]. Azelastine en levocabastine zijn lokale antihistaminica die in neusspray (en in oogdruppels) worden gebruikt. Lokale antihistaminica worden in het algemeen goed verdragen en bijwerkingen beperken zich tot lokale overgevoeligheid en een bittere smaak. Systemische bijwerkingen zijn niet te verwachten. Wat de bijwerkingen betreft zijn er geen relevante verschillen tussen de verschillende neussprays.
Dat geldt ook voor de orale niet-sederende antihistaminica, met uitzondering van terfenadine. Terfenadine kan bij overdosering, bij leverfunctiestoornissen en bij gelijktijdig systemisch gebruik van stoffen die de leveroxidatie sterk remmen (CYP3A4-remmers zoals ketoconazol, itraconazol, erytromycine, maar ook grapefruitsap) ernstige, soms levensbedreigende hartritmestoornissen (waaronder ‘torsade de pointes’) en een verlenging van het QT-interval veroorzaken [Commissie Farmaceutische Hulp 2006, Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie 2006, Pinto 1999]. Daarom wordt het gebruik van terfenadine afgeraden. Ook van sommige andere ‘niet’-sederende antihistaminica zijn bij het Nederlands Bijwerkingencentrum LAREB hartritmestoornissen gemeld. Meldingsbias ten gevolge van publicaties over hartritmestoornissen geassocieerd met het gebruik van niet-sederende antihistaminica speelt hierbij waarschijnlijk een rol [De Bruin 2002].
Soms komen na gebruik van niet-sederende antihistaminica klachten over slaperigheid voor, maar rhinitis als zodanig kan ook tot slaperigheid leiden.
Blijft een gunstige reactie op het ene antihistaminicum uit, dan kan men een ander middel proberen. Individuele verschillen zijn mogelijk. Lokale en niet-sederende antihistaminica genieten de voorkeur. Er zijn géén belangrijke verschillen in effectiviteit tussen de verschillende preparaten [Hore 2005, De Monchy 2002]. De aard van de klachten (meerdere orgaansystemen aangedaan of voornamelijk neusklachten), samen met de voorkeur van de patiënt, bepaalt de keuze voor een lokale toedieningsvorm of een tablet. In de tabel (zie hoofdtekst) zijn als voorbeelden uitsluitend de niet-sederende antihistaminica vermeld waarmee de meeste ervaring is opgedaan.
Uit verschillende meta-analyses blijkt dat intranasale corticosteroïden effectiever, veiliger en kosteneffectiever zijn dan orale antihistaminica (voor een beschrijving van het onderzoek zie noot 2) en dat ze vooral beter werken bij klachten van een verstopte neus [Weiner 1998, Yanez 2002, Nielsen 2003].
Een onderzoek (gerandomiseerd, ‘open-label’, parallelgroep) bij 88 patiënten met een allergische rhinitis gaf aan dat de effectiviteit van fluticasonneusspray ‘zo nodig’ groter is dan die van loratadinetabletten ‘zo nodig’ [Kaszuba 2001]. Antihistaminica kunnen wel sneller klachtenverlichting geven [Wang 2002].
In een review van acht dubbelblinde onderzoeken waarin cromoglicinezuur werd vergeleken met corticosteroïden, bleken de lokale steroïden effectiever [Mygind 1993].
Er is geen overtuigend bewijs dat het ene corticosteroïd bij de behandeling van rhinitis effectiever zou zijn dan het andere [Waddell 2003]. Gebruiksgemak en prijs kunnen worden meegenomen in de keuze, maar zijn persoonlijk of aan verandering onderhevig. De werkgroep heeft daarom geen keuze gemaakt en in de tabel (zie hoofdtekst) alleen voorbeelden van corticosteroïdneusspray’s opgenomen.
In handboeken stelt men dat de werking van een corticosteroïdneusspray pas drie tot tien dagen na het begin van de behandeling intreedt. [Commissie Farmaceutische Hulp 2006, Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie 2006]. Een specifieke zoekvraag naar het moment waarop na de start van corticosteroïdneusspray effect te verwachten is, leverde één onderzoek op [Selner 1995]. Bij tweemaal daags twee keer sprayen met beclometason 50 microg per verstuiving, bleek in dit onderzoek de afname van de klachten al na 24 uur statistisch significant te zijn ten opzichte van placebo bij patiënten met een allergische rhinitis. Het effect nam de eerste zeven dagen van de behandeling toe.
Intranasale corticosteroïden veroorzaken in het algemeen weinig bijwerkingen: milde lokale bijwerkingen zoals irritatie komen (vooral bij het begin van de behandeling) bij 10% van de patiënten voor. Bij 2% ziet men een droog neusslijmvlies en neusbloedingen; dosisvermindering of overgaan op een andere corticosteroïdneusspray kan een oplossing zijn. Individuele verschillen op patiëntniveau zijn altijd mogelijk. Een neusperforatie treedt zeer zelden op en is waarschijnlijk het gevolg van onjuist gebruik, waarbij de patiënt herhaaldelijk tegen het septum sprayt [Wang 2002, Salib 2003]. Ook contactallergie is mogelijk, meestal bij langdurig gebruik, maar in een aantal gevallen treedt sensibilisatie al enkele dagen na het begin van de behandeling op [Cunha 2003, De Groot 1997, Bircher 1996]. Overweeg contactallergie als de rhinitisklachten verergeren door gebruik van een corticosteroïdneusspray en eczeem rond de neusgaten optreedt [De Groot 1997].
In het algemeen geldt dat tijdens zwangerschap en lactatie lokale behandeling met neusspray de voorkeur heeft.
Cromoglicinezuurneusspray kan tijdens zwangerschap en lactatie veilig worden gebruikt [Schaefer 2001]. Ook beclometason, toegediend via neusspray, is tijdens zwangerschap en lactatie vaak gebruikt zonder dat afwijkingen geconstateerd zijn. Budesonideneusspray is een veilig alternatief. Wanneer lokale behandeling onvoldoende effect heeft, kan men een oraal antihistaminicum overwegen. Als sedatie niet bezwaarlijk is, heeft tijdens de zwangerschap kortdurend gebruik van een zo laag mogelijke dosis mebhydroline, dexchloorfeniramine, dimetindeen en clemastine de voorkeur, omdat hiermee de meeste ervaring is opgedaan [De Gier 2005]. Na het eerste trimester kan gekozen worden voor loratadine [De Gier 2005, Briggs 2005, Keles 2004]. Wanneer moeders die borstvoeding geven een oraal antihistaminicum moeten gebruiken, kan de huisarts loratadine overwegen. Bij langdurig gebruik door de borstvoedende moeder is rusteloosheid of sedatie van de baby echter niet helemaal uit te sluiten [De Gier 2005, Schaefer 2001, Briggs 2005].
Uit een literatuuroverzicht (van vijf onderzoeken bij kinderen met een allergische rhinitis en van negentien onderzoeken bij kinderen met astma; n totaal =1495, leeftijd 3-16 jaar, duur van de onderzoeken varieerde van zes maanden tot een jaar) bleek een dosisafhankelijke groeiremming door gebruik van hogere doses beclomethason en budesonide [Baraniuk 2001]. Bij een dosering van 200 microg of minder per dag (via inhalatie of neusspray), bleek de groeisnelheid niet significant te worden beïnvloed. Pas vanaf 400 microg beclomethason per dag was de groeivertraging statistisch significant (–1,13+0,14 cm/jaar, elf onderzoeken, n=50-241, p<0,0001). Vanaf 400 microg budesonideneusspray per dag varieerde de groeivertraging in verschillende onderzoeken aanzienlijk: +0,14, –0,91 en –2,81 cm/jaar. Gebruik van mometasonneusdruppels tot 200 microg per dag leidde niet tot groeivertraging. Bij toediening via neusspray of via inhalatie zag men eenzelfde beïnvloeding van de groeisnelheid. Dit effect begin binnen twee weken en bereikte een plateau na ongeveer twintig weken. Corticosteroïden die via verschillende toedieningsvormen worden gebruikt werkten additief. Onderzoeken die langer duurden dan één jaar zijn niet gevonden. Mogelijk wordt de groeivertraging op latere leeftijd alsnog ingehaald, net als bij kinderen met astma die inhalatiecorticosteroïden gebruikten (zie NHG-Standaard Astma bij kinderen).
Continu gebruik van cromoglicinezuur is vanwege de preventieve werking van belang. Het voorkomt zowel vroege als late allergische reacties. De werkzaamheid verschilt per patiënt: bij de ene patiënt is het middel werkzaam en bij de ander niet [Naclerio 1991]. De grootste effectiviteit ziet men bij patiënten met sterk positieve huidtests of een sterk verhoogd specifiek IgE. Ook bij persisterende klachten is een significante symptoomvermindering van 20 tot 30% aantoonbaar [Howarth 1993]. In diverse onderzoeken is de werkzaamheid van cromoglicinezuur bij kinderen met een allergische rhinitis aangetoond [Middleton 1993]. In dubbelblinde onderzoeken bij patiënten met hooikoorts is cromoglicinezuur effectiever dan placebo [Schuller 1990]. Cromoglicinezuur is minder werkzaam dan lokale corticosteroïden [Fisher 1994, Bousquet 1993, Welsh 1987] en antihistaminica [Schata 1991]. Vanwege het ruime aanbod van werkzamere alternatieven, in combinatie met een aanzienlijk gebruiksongemak (langdurig drie- tot zesmaal daags gebruiken), is de indicatie voor cromoglicaten zeer beperkt. Cromoglicinezuur veroorzaakt geen ernstige bijwerkingen [Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie 2006, Commissie Farmaceutische Hulp 2006]. Over de behandeling van niet-allergische rhinitis met cromoglicinezuur zijn geen gegevens bekend.
Er is geen onderzoek gevonden naar het effect van oraal of intramusculair gebruik van corticosteroïden bij rhinitisklachten in vergelijking met intranasaal gebruik van corticosteroïden [Mygind 2000]. Er is ook geen onderzoek gevonden naar het effect van toevoeging van oraal of intramusculair toegediende corticosteroïden bij onvoldoende effect van intranasale corticosteroïden.
Men zou systemische steroïden kunnen overwegen bij ernstige allergische klachten die onvoldoende reageren op behandeling met een corticosteroïdneusspray, bij onvoldoende effect van intranasale corticosteroïden bij een rhinitis ten gevolge van decongestivagebruik of bij de aanwezigheid van obstruerende neuspoliepen [Mygind 1993, Holmberg 1994, Borum 1987]. In de literatuur is hiervoor echter geen onderbouwing gevonden.
Vanwege het ontbreken van onderzoek en de te verwachten bijwerkingen raadt de werkgroep behandeling van rhinitisklachten met systemische corticosteroïden af.
De lokale veiligheid van langdurig (>6 tot 12 maanden) gebruik van corticosteroïdneusspray door rhinitispatiënten is in een aantal onderzoeken bekeken [Holm 1998, Klossek 2000, Minshall 1998]. Er werden geen nasale afwijkingen (zoals atrofie van het neusslijmvlies) geconstateerd bij gebruik tot één jaar. Omdat een neusspray voornamelijk lokaal werkt, betekent dit dat hij bij aanhoudende klachten langdurig kan worden gebruikt.
Er is al lange tijd discussie over de effectiviteit van conchachirurgie. In de jaren tachtig van de vorige eeuw betrof dit chirurgie van de onderste conchae; de laatste jaren betreft het vooral chirurgie met endoscopische en lasertechniek van de middelste conchae. In een overzichtsartikel naar de effectiviteit van conchachirurgie concludeert men dat er de afgelopen 35 jaar geen enkel gerandomiseerd onderzoek naar de effectiviteit van conchachirurgie is verschenen [Clement 2001]. Dit maakt een oordeel over de effectiviteit (op korte en lange termijn) van een dergelijke ingreep onmogelijk. Agressievere chirurgische technieken lijken op langere termijn betere resultaten te hebben, maar geven ook meer complicaties (zoals bloedingen, synechiae en korstvorming bij chirurgie van de onderste conchae). Ook bij gebruik van agressievere technieken lijken de klachten bij een aanzienlijk deel van de patiënten na verloop van tijd terug te komen. De auteurs concluderen dat de effectiviteit van conchachirurgie discutabel blijft.
Er is geen gerandomiseerd onderzoek naar de effectiviteit van septumcorrectie bij patiënten met neusobstructieklachten. De resultaten op korte termijn lijken goed te zijn: uit een prospectief observationeel onderzoek bij 59 patiënten met een septumdeviatie en neusobstructieklachten blijkt een significante vermindering van de klachten, een hoge tevredenheid en minder gebruik van medicatie na drie en zes maanden [Stewart 2004]. De resultaten op langere termijn zijn echter minder goed: een prospectief onderzoek bij 34 patiënten naar het effect van septum- en conchachirurgie geeft aan dat de effecten op langere termijn afnemen (meer dan 50% vermindering van neusobstructieklachten bij 73% van de patiënten na drie maanden en bij 27% van de patiënten na 2-2,5 jaar) [Ho 2004].
In een onderzoek naar de complicaties bij 200 patiënten bleek in 5% van de gevallen een septumperforatie op te treden, in 7% van de gevallen adhesies en in 1% van de gevallen een zadelneus [Muhammed 2003]. Goede voorlichting van de patiënten is dus van belang [Bateman 2003].
In 2002 werd een systematische review uitgevoerd naar de effectiviteit van functionele endoscopische sinuschirurgie voor het verwijderen van neuspoliepen [Dalziel 2003]. Er werden drie gerandomiseerde onderzoeken (n=240) en drie niet-gerandomiseerde onderzoeken (n=2699) gevonden. De onderzoeken waren van matige kwaliteit. Bij 78 tot 88% van de patiënten verminderden de klachten in vergelijking met 43 tot 84% bij het gebruik van andere chirurgische technieken (poliepectomie, Caldwell-Luc-operatie en intranasale etmoïdectomie). Bij 8% van de patiënten die functionele endoscopische sinuschirurgie ondergingen, onderstonden opnieuw poliepen versus 14% na een Caldwell-Luc-operatie, 28% na endoscopische etmoïdectomie en 35% na poliepectomie. In 27 case-serieonderzoeken werd een gemiddeld percentage complicaties van 6 gevonden (onder andere bloedingen en infecties). Over de resultaten op langere termijn is weinig bekend. Bij patiënten met chronische rhinosinusitis werden goede resultaten gezien [Senior 1998]. Onbekend is of dit ook geldt voor patiënten met neuspoliepen.
Aanbevolen wordt immunotherapie drie tot vijf jaar voort te zetten alvorens het effect te evalueren [DiRienzo 2003, Eng 2002, Durham 1999, Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie 2006]. Bij patiënten die goed reageren op immunotherapie, maar bij wie de klachten na het staken van de behandeling toenemen, moet verlenging van de immunotherapie worden overwogen. Vermindering van klachten kan enkele jaren na het staken aanhouden [Durham 1999].
Er is geen gerandomiseerd onderzoek gevonden naar het langetermijneffect van immunotherapie bij grote groepen patiënten met allergische rhinitis in vergelijking met placebo of orale of lokale behandeling. Immunotherapie (zowel subcutane immunotherapie als sublinguale immunotherapie) is voornamelijk onderzocht bij patiëntengroepen met een aangetoonde allergie voor één allergeen of één groep allergenen.
Enkele kleine onderzoeken (controlegroepen bestonden uit vergelijkbare patiëntengroepen met alleen symptoombehandeling zonder subcutane allergeeninjecties) toonden aan dat hyposensibilisatie met subcutane immunotherapie bij allergische rhinitis als gevolg van onder andere graspollen en berkenpollen, werkzaam is tot zes jaar na het staken van de behandeling (minder symptomen, minder medicijngebruik, minder nieuw ontstane allergieën) [Eng 2002, Durham 1999, Varney 1991, Ortolani 1984, Viander 1978]. Uit een overzicht van alle onderzoeken vanaf 1980 blijkt dat subcutane immunotherapie bij patiënten met een huisstofmijtallergie resulteert in een significante vermindering van symptomen [Polzehl 2003].
Er zijn maar zeer weinig direct vergelijkende onderzoeken van sublinguale immunotherapie met subcutane immunotherapie. In een klein drie jaar durend onderzoek bij 58 patiënten met een allergie voor berkenpollen rapporteerde men een gelijke effectiviteit van sublinguale en subcutane immunotherapie, maar de onderzochte patiëntengroep was te klein om conclusies te kunnen trekken [Khinchi 2004].
Onderzoeken waarin de effectiviteit van sublinguale immunotherapie bij volwassenen en kinderen met allergische rhinitis werd vergeleken met placebo zijn samengevat in een Cochrane-review [Wilson 2003]. Men includeerde 21 gerandomiseerde placebo-gecontroleerde onderzoeken (n=959), waarvan er 8 korter dan zes maanden duurden en 4 langer dan twaalf maanden. In de geïncludeerde onderzoeken maakte men gebruik van diverse uiteenlopende symptoomscores, waardoor er sprake was van een klinische heterogeniteit tussen de verschillende onderzoeken, wat de interpretatie bemoeilijkt. Volgens deze analyse zijn de klachten en het medicatiegebruik door sublinguale immunotherapie significant verminderd. Bij sublinguale immunotherapie werden geen systemische bijwerkingen waargenomen, wel waren er meldingen van jeuk en zwelling van het mondslijmvlies. Na de Cochrane-review verschenen nog enkele gerandomiseerde, dubbelblind placebo-gecontroleerde onderzoeken naar het effect van sublinguale immunotherapie bij patiënten met een allergische rhinitis. Ook nu waren de onderzoeksgroepen over het algemeen klein en waren de onderzoeken van korte duur. Uit deze onderzoeken kwam een significante vermindering van klachten en/of een reductie van het medicijngebruik door behandeling met sublinguale immunotherapie naar voren [Wüthrich 2003, Tonnel 2004, Bowen 2004,Varney 2003]. In één onderzoek zag men alleen een significant effect van sublinguale immunotherapie bij ernstige klachten en vanaf een periode van drie jaar [Bufe 2004].
Conclusie: subcutane immunotherapie is effectief, maar het gebruik ervan is beperkt door een kleine kans op ernstige anafylactische reacties en het ongemak van regelmatig terugkerende injecties. De werkgroep blijft daarom bij het advies terughoudend te zijn bij het gebruik van subcutane immunotherapie in de eerste lijn.
Er zijn meer grote gerandomiseerde, dubbelblinde onderzoeken met sublinguale immunotherapie nodig om de effectiviteit op lange termijn, de optimale dosering en gebruiksduur, en de patiëntengroep die het geschiktst lijkt voor sublinguale immunotherapie te kunnen bepalen. Op grond van het ontbreken van gerandomiseerd onderzoek bij grote groepen en op grond van de hoge prijs heeft de werkgroep besloten vooralsnog terughoudend te zijn bij het gebruik van sublinguale immunotherapie in de eerste lijn.
Een wachttijd van minimaal 30 minuten na toediening van een injectie wordt veilig geacht [Norman 1990]. Slechts zelden treden na een half uur nog reacties op. In een onderzoek naar de achtergronden van 24 fataal verlopende systemische reacties bij immunotherapie bleek de reactie vijftienmaal binnen 15 minuten op te treden, driemaal tussen 20 en 30 minuten en tweemaal na meer dan 30 minuten. In vier gevallen was het tijdstip waarop de reactie optrad onbekend. Vooral patiënten met astma of een meer dan normale gevoeligheid bij een huidpriktest liepen een groter risico [Lockey 1987]. De kans op een systemische reactie is zeer klein: tussen 1 en 5 per 1000 injecties. De kans op een ernstige systemische reactie ligt tussen 0,1 en 0,5 per 1000 injecties; de mortaliteit is ongeveer 1 op 3.000.000 injecties. Ter vergelijking: fatale reacties na toediening van penicilline doen zich voor bij 1 per 2.500.000 [Tomee 2005].
Een noodset (waarvan de houdbaarheidstermijn niet overschreden is) moet onder handbereik klaarstaan. In plaats van injecties kan een infuussysteem worden overwogen.
Bij een patiënt die gelijktijdig immunotherapie en een behandeling met bètablokkers ondergaat, kan een anafylactische reactie zeer ernstig verlopen door een gering effect van de behandeling met adrenaline. Bij gebruik van een ACE-remmer tijdens een hyposensibilisatiebehandeling zijn anafylactoïde reacties gemeld. Dit kan te maken hebben met de invloed van ACE-remmers op bradykinine [Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie 2006]. Ook bij coronairziekten en hypertensie zou men problemen kunnen verwachten bij toediening van adrenaline bij een eventuele behandeling van anafylaxie. Het gebruik van immunosuppressiva tijdens een hyposensibilisatiebehandeling is, net als hyposensibilisatie bij imuungecompromitteerde patiënten, een contra-indicatie, omdat deze middelen het afweersysteem onderdrukken. Bij subcutane immunotherapie lopen astmapatiënten een verhoogd risico op het optreden van ernstige systemische reacties [Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie 2006]. Bij astmapatiënten die onderhoudsmedicatie gebruiken of die niet goed ingesteld zijn, moeten de indicatiestelling én de behandeling met subcutane immunotherapie door een ter zake deskundige specialist worden uitgevoerd. Bij kinderen jonger dan 6 jaar leidt toepassing van immunotherapie waarbij de allergeenconcentratie in slechts enkele dagen wordt opgevoerd, tot een hoger risico op systemische reacties dan bij oudere kinderen en jongvolwassenen [Hejjaoui 1990].
Zou tijdens de zwangerschap een behandeling van een anafylactische shock moeten volgen, dan kan het risico op abortus of een ander schadelijk effect voor het kind bestaan. Men mag niet met de behandeling beginnen tijdens of vlak voor de zwangerschap. Bij een reeds lang bestaande en goed verdragen hyposensibilisatie hoeft de behandeling tijdens een later ontstane zwangerschap in het algemeen niet te worden onderbroken, tenzij tijdens een eerdere behandeling een miskraam is opgetreden. Bij onderbreking van de immunotherapie zal men na de zwangerschap opnieuw een instelkuur moeten geven [Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie 2006].
Bij verwijzingen naar NHG-producten: zie www.nhg.org.
Aas K, Åberg N, Bachert C, Bergmann K, Bergmann R, Bonini S. Allergic disease as a public health problem in Europe. In: Van Moerbeke D, editor. European allergy white paper. Brussel: UCB Insitute of Allergy, 1997. p. 1-46.
Baatenburg de Jong A, Te Rijdt JP, Brand PLP. Hoesten en malaise bij jonge kinderen, ten gevolge van allergische rinoconjunctivitis. Ned Tijdschr Geneeskd 2005;149:1545-8.
Bachert C. Persistent rhinitis – allergic or nonallergic? Allergy 2004;59 Suppl 76:11-5.
Baraniuk JN, Murray J. The linear relationship between changes in childhood growth velocity and topical glucocorticoid dose. Allergy Asthma Proc 2001;22:153-64.
Bateman ND, Woolford TJ. Informed consent for septal surgery: the evidence-base. J Laryngol Otol 2003;117:186-9.
Bende M, Gredmark T. Nasal stuffiness during pregnancy. Laryngoscope 1999;109:1108-10.
Bircher AJ, Pelloni F, Langauer MS, Muller D. Delayed hypersensitivity reactions to corticosteroids applied to mucous membranes. Br J Dermatol 1996;135:310-3.
Bodtger U, Linneberg A. Remission of allergic rhinitis: An 8-year observational study. J Allergy Clin Immunol 2004;114:1384-8.
Borum P, Gronborg H, Mygind N. Seasonal allergic rhinitis and depot injection of a corticosteroid. Evaluation of the efficacy of medication early and late in the season based on detailed symptom recording. Allergy 1987;42:26-32.
Bousquet J, Chanal I, Alquie MC, Charpin D, Didier A, Germouty J, et al. Prevention of pollen rhinitis symptoms: comparison of fluticasone propionate aqueous nasal spray and disodium cromoglycate aqueous nasal spray. A multicenter, double-blind, double-dummy, parallel-group study. Allergy 1993;48:327-33.
Bousquet J, Van Cauwenberge P, Khaltaev N. Allergic rhinitis and its impact on asthma. J Allergy Clin Immunol 2001;108:S147-S334.
Bowen T, Greenbaum J, Charbonneau Y, Hebert J, Filderman R, Sussman G, et al. Canadian trial of sublingual swallow immunotherapy for ragweed rhinoconjunctivitis. Ann Allergy Asthma Immunol 2004;93:425-30.
Braun-Fahrlander C, Gassner M, Grize L, Takken-Sahli K, Neu U, Stricker T, et al. No further increase in asthma, hay fever and atopic sensitisation in adolescents living in Switzerland. Eur Respir J 2004;23:407-13.
Braunstahl GJ, Overbeek SE, Fokkens WJ, Kleinjan A, McEuen AR, Walls AF, et al. Segmental bronchoprovocation in allergic rhinitis patients affects mast cell and basophil numbers in nasal and bronchial mucosa. Am J Respir Crit Care Med 2001a;164:858-65.
Braunstahl GJ, Overbeek SE, Kleinjan A, Prins JB, Hoogsteden HC, Fokkens WJ. Nasal allergen provocation induces adhesion molecule expression and tissue eosinophilia in upper and lower airways. J Allergy Clin Immunol 2001b;107:469-76.
Briggs GG, Freeman RK, Yaffe SJ. Drugs in pregnancy and lactation. 7th ed. Philadelphia: Lippincott, Williams & Wilkins, 2005.
Bufe A, Ziegler-Kirbach E, Stoeckmann E, Heidemann P, Gehlhar K, Holland-Letz T, et al. Efficacy of sublingual swallow immunotherapy in children with severe grass pollen allergic symptoms: a double-blind placebo-controlled study. Allergy 2004;59:498-504.
Clement WA, White PS. Trends in turbinate surgery literature: a 35-year review. Clin Otolaryngol Allied Sci 2001;26:124-8.
Commissie Farmaceutische Hulp. Farmacotherapeutisch kompas 2006. Amstelveen: College voor Zorgverzekeringen, 2006.
Cunha AP, Mota AV, Barros MA, Bonito-Victor A, Resende C. Corticosteroid contact allergy from a nasal spray in a child. Contact Dermatitis 2003;48:277.
Dalziel K, Stein K, Round A, Garside R, Royle P. Systematic review of endoscopic sinus surgery for nasal polyps. Health Technol Assess 2003;7:iii, 1-159.
De Bruin ML, Van Puijenbroek EP, Egberts AC, Hoes AW, Leufkens HG. Non-sedating antihistamine drugs and cardiac arrhythmias – biased risk estimates from spontaneous reporting systems? Br J Clin Pharmacol 2002;53:370-4.
De Gier JJ, editor. Commentaren medicatiebewaking. Houten: Stichting Health Base, 2005.
De Groot AC, Van Ginkel CJ, Bruynzeel DP. Contactallergie voor corticosteroïden. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:1559-62.
De Monchy JGR. Antihistaminica bij seizoengebonden allergische rinoconjunctivitis. Geneesmiddelen Bulletin 2002;36:39-45.
Demir O, Roder R, Berger M. Kan een patiënt met klachten van graspollenallergie zonder voorafgaande tests behandeld worden? Huisarts en Wetenschap 2005;48:655-60.
Devenny A, Wassall H, Ninan T, Omran M, Khan SD, Russell G. Respiratory symptoms and atopy in children in Aberdeen: questionnaire studies of a defined school population repeated over 35 years. BMJ 2004;329:489-90.
Di Lorenzo G, Pacor ML, Pellitteri ME, Morici G, Di Gregoli A, Lo Bianco C, et al. Randomized placebo-controlled trial comparing fluticasone aqueous nasal spray in mono-therapy, fluticasone plus cetirizine, fluticasone plus montelukast and cetirizine plus montelukast for seasonal allergic rhinitis. Clin Exp Allergy 2004;34:259-67.
Di Rienzo V, Marcucci F, Puccinelli P, Parmiani S, Frati F, Sensi L, et al. Long-lasting effect of sublingual immunotherapy in children with asthma due to house dust mite: a 10-year prospective study. Clin Exp Allergy 2003;33:206-10.
Durham SR, Walker SM, Varga EM, Jacobson MR, O’Brien F, Noble W, et al. Long-term clinical efficacy of grass-pollen immunotherapy. N Engl J Med 1999;341:468-75.
Dykewicz MS, Fineman S, Skoner DP, Nicklas R, Lee R, Blessing-Moore J, et al. Diagnosis and management of rhinitis: complete guidelines of the Joint Task Force on Practice Parameters in Allergy, Asthma and Immunology. American Academy of Allergy, Asthma, and Immunology. Ann Allergy Asthma Immunol 1998;81:478-518.
Ellegard E, Hellgren M, Toren K, Karlsson G. The incidence of pregnancy rhinitis. Gynecol Obstet Invest 2000;49:98-101.
Eng PA, Reinhold M, Gnehm HP. Long-term efficacy of preseasonal grass pollen immunotherapy in children. Allergy 2002;57:306-12.
Fisher WG. Comparison of budesonide and disodium cromoglycate for the treatment of seasonal allergic rhinitis in children. Ann Allergy 1994;73:515-20.
Friedman NJ, Zeiger RS. The role of breast-feeding in the development of allergies and asthma. J Allergy Clin Immunol 2005;115:1238-48.
Garay R. Mechanisms of vasomotor rhinitis. Allergy 2004;59 Suppl 76:4-9.
Gdalevich M, Mimouni D, Mimouni M. Breast-feeding and the risk of bronchial asthma in childhood: a systematic review with meta-analysis of prospective studies. J Pediatr 2001;139:261-6.
Gendo K, Larson EB. Evidence-based diagnostic strategies for evaluating suspected allergic rhinitis. Ann Intern Med 2004;140:278-89.
Graf P, Hallen H. One-week use of oxymetazoline nasal spray in patients with rhinitis medicamentosa 1 year after treatment. ORL J Otorhinolaryngol Relat Spec 1997;59:39-44.
Graf P. Rhinitis medicamentosa: a review of causes and treatment. Treat Respir Med 2005;4:21-9.
Greisner WA III, Settipane RJ, Settipane GA. Co-existence of asthma and allergic rhinitis: a 23-year follow-up study of college students. Allergy Asthma Proc 1998;19:185-8.
Greisner WA III, Settipane RJ, Settipane GA. Natural history of hay fever: a 23-year follow-up of college students. Allergy Asthma Proc 1998;19:271-5.
Guerra S, Sherrill DL, Martinez FD, Barbee RA. Rhinitis as an independent risk factor for adult-onset asthma. J Allergy Clin Immunol 2002;109:419-25.
Halken S, Host A, Niklassen U, Hansen LG, Nielsen F, Pedersen S, et al. Effect of mattress and pillow encasings on children with asthma and house dust mite allergy. J Allergy Clin Immunol 2003;111:169-76.
Hamilton RG, Adkinson NF Jr. 23. Clinical laboratory assessment of IgE-dependent hypersensitivity. J Allergy Clin Immunol 2003;111:S687-S701.
Hedman J, Kaprio J, Poussa T, Nieminen MM. Prevalence of asthma, aspirin intolerance, nasal polyposis and chronic obstructive pulmonary disease in a population-based study. Int J Epidemiol 1999;28:717-22.
Hejjaoui A, Dhivert H, Michel FB, Bousquet J. Immunotherapy with a standardized Dermatophagoides pteronyssinus extract. IV. Systemic reactions according to the immunotherapy schedule. J Allergy Clin Immunol 1990;85:473-9.
Ho WK, Yuen AP, Tang KC, Wei WI, Lam PK. Time course in the relief of nasal blockage after septal and turbinate surgery: a prospective study. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 2004;130:324-8.
Holm AF, Fokkens WJ, Godthelp T, Mulder PG, Vroom TM, Rijntjes E. A 1-year placebo-controlled study of intranasal fluticasone propionate aqueous nasal spray in patients with perennial allergic rhinitis: a safety and biopsy study. Clin Otolaryngol Allied Sci 1998;23:69-73.
Holmberg K, Karlsson G. Nasal polyps: surgery or pharmacological intervention? Eur Respir Rev 1994;20:260-5.
Horak F. Seasonal allergic rhinitis. Newer treatment approaches. Drugs 1993;45:518-27.
Hore I, Georgalas C, Scadding G. Oral antihistamines for the symptom of nasal obstruction in persistent allergic rhinitis – a systematic review of randomized controlled trials. Clin Exp Allergy 2005;35:207-12.
Howarth P. Cromoglycate. In: Mygind N, Naclerio RM, editors. Allergic and non-allergic rhinitis. Clinical aspects. Kopenhagen: Munksgaard, 1993.
Johansson SG, Hourihane JO, Bousquet J, Bruijnzeel-Koomen C, Dreborg S, Haahtela T, et al. A revised nomenclature for allergy. An EAACI position statement from the EAACI nomenclature task force. Allergy 2001;56:813-24.
Johansson L, Akerlund A, Holmberg K, Melen I, Bende M. Prevalence of nasal polyps in adults: the Skovde population-based study. Ann Otol Rhinol Laryngol 2003;112:625-9.
Kaiser HB. H1-receptor antagonist treatment of seasonal allergic rhinitis. J Allergy Clin Immunol 1990;86:1000-3.
Kalra S, Crank P, Hepworth J, Pickering CA, Woodcock AA. Absence of seasonal variation in concentrations of the house dust mite allergen Der p1 in south Manchester homes. Thorax 1992;47:928-31.
Kaszuba SM, Baroody FM, De Tineo M, Haney L, Blair C, Naclerio RM. Superiority of an intranasal corticosteroid compared with an oral antihistamine in the as-needed treatment of seasonal allergic rhinitis. Arch Intern Med 2001;161:2581-7.
Keles N. Treatment of allergic rhinitis during pregnancy. Am J Rhinol 2004;18:23-8.
Khinchi MS, Poulsen LK, Carat F, Andre C, Hansen AB, Malling HJ. Clinical efficacy of sublingual and subcutaneous birch pollen allergen-specific immunotherapy: a randomized, placebo-controlled, double-blind, double-dummy study. Allergy 2004;59:45-53.
Kilburn S, Lasserson TJ, McKean M. Pet allergen control measures for allergic asthma in children and adults. Cochrane Database Syst Rev 2003;CD002989.
Klossek JM, Laliberte F, Laliberte MF, Mounedji N, Bousquet J. Local safety of intranasal triamcinolone acetonide: clinical and histological aspects of nasal mucosa in the long-term treatment of perennial allergic rhinitis. Rhinology 2001;39:17-22.
Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie. Informatorium Medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2006.
Kramer MS, Kakuma R. Maternal dietary antigen avoidance during pregnancy and/or lactation for preventing or treating atopic disease in the child. Cochrane Database Syst Rev 2003;CD000133.
Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO. Richtlijn Behandeling van tabaksverslaving. Utrecht: Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, 2004.
Labadie J, Van Grootheest AC. Boosting of reports of adverse drug reactions in children. Pharmacoepidemiology and Drug Safety 2002;11:S231-S289.
Larsen K, Tos M. The estimated incidence of symptomatic nasal polyps. Acta Otolaryngol 2002;122:179-82.
Latvala J, Von Hertzen HL, Lindholm H, Haahtela T. Trends in prevalence of asthma and allergy in Finnish young men: nationwide study, 1966-2003. BMJ 2005;330:1186-7.
Leynaert B, Neukirch C, Liard R, Bousquet J, Neukirch F. Quality of life in allergic rhinitis and asthma. A population-based study of young adults. Am J Respir Crit Care Med 2000;162:1391-6.
Leynaert B, Neukirch F, Demoly P, Bousquet J. Epidemiologic evidence for asthma and rhinitis comorbidity. J Allergy Clin Immunol 2000;106:S201-S205.
Lockey RF, Benedict LM, Turkeltaub PC, Bukantz SC. Fatalities from immunotherapy (IT) and skin testing (ST). J Allergy Clin Immunol 1987;79:660-77.
Lucassen PLBJ. De bruikbaarheid van huidtesten bij onderzoek naar atopische aandoeningen in de huisartspraktijk. Huisarts en Wetenschap 1995;38:457-60.
Middleton E Jr., Reed CE, Ellis EF, Adkinson NF Jr, Yunginger JW, Busse WW. Allergy. Principles and practice. St. Louis: Mosby, 1993.
Minshall E, Ghaffar O, Cameron L, O’Brien F, Quinn H, Rowe-Jones J, et al. Assessment by nasal biopsy of long-term use of mometasone furoate aqueous nasal spray (Nasonex) in the treatment of perennial rhinitis. Otolaryngol Head Neck Surg 1998;118:648-54.
Morgan WJ, Crain EF, Gruchalla RS, O’Connor GT, Kattan M, Evans R III, et al. Results of a home-based environmental intervention among urban children with asthma. N Engl J Med 2004;351:1068-80.
Muhammad IA, Nabil-ur R. Complications of the surgery for deviated nasal septum. J Coll Physicians Surg Pak 2003;13:565-8.
Muraro A, Dreborg S, Halken S, Host A, Niggemann B, Aalberse R, et al. Dietary prevention of allergic diseases in infants and small children. Part III: Critical review of published peer-reviewed observational and interventional studies and final recommendations. Pediatr Allergy Immunol 2004;15:291-307.
Mygind N. Glucocorticosteroids and rhinitis. Allergy 1993;48:476-90.
Mygind N, Laursen LC, Dahl M. Systemic corticosteroid treatment for seasonal allergic rhinitis: a common but poorly documented therapy. Allergy 2000;55:11-5.
Naclerio RM. Allergic rhinitis. N Engl J Med 1991;325:860-9.
Nathan RA. Pharmacotherapy for allergic rhinitis: a critical review of leukotriene receptor antagonists compared with other treatments. Ann Allergy Asthma Immunol 2003;90:182-90.
Nielsen LP, Dahl R. Comparison of intranasal corticosteroids and antihistamines in allergic rhinitis: a review of randomized, controlled trials. Am J Respir Med 2003;2:55-65.
Norman PS, Van Metre T Jr. The safety of allergenic immunotherapy. J Allergy Clin Immunol 1990;85:522-5.
Ortolani C, Pastorello E, Moss RB, Hsu YP, Restuccia M, Joppolo G, et al. Grass pollen immunotherapy: a single year double-blind, placebo-controlled study in patients with grass pollen-induced asthma and rhinitis. J Allergy Clin Immunol 1984;73:283-90.
Pinto YM, Van Gelder IC, Heeringa M, Crijns HJ. QT lengthening and life-threatening arrhythmias associated with fexofenadine. Lancet 1999;353:980.
Platts-Mills TA. Allergen avoidance. J Allergy Clin Immunol 2004;113:388-91.
Polzehl D, Keck T, Riechelmann H. Analyse der Effektivität der subkutanen Immuntherapie mit Hausstaubmilbenextrakten bei Erwachsenen mit allergischer Rhinitis und/oder Asthma bronchiale. Laryngorhinootologie 2003;82:272-80.
Pullerits T, Praks L, Ristioja V, Lotvall J. Comparison of a nasal glucocorticoid, antileukotriene, and a combination of antileukotriene and antihistamine in the treatment of seasonal allergic rhinitis. J Allergy Clin Immunol 2002;109:949-55.
Ratner PH, Howland WC III, Arastu R, Philpot EE, Klein KC, Baidoo CA, et al. Fluticasone propionate aqueous nasal spray provided significantly greater improvement in daytime and nighttime nasal symptoms of seasonal allergic rhinitis compared with montelukast. Ann Allergy Asthma Immunol 2003;90:536-42.
Roden DM. Drug-induced prolongation of the QT interval. N Engl J Med 2004;350:1013-22.
Salib RJ, Howarth PH. Safety and tolerability profiles of intranasal antihistamines and intranasal corticosteroids in the treatment of allergic rhinitis. Drug Saf 2003;26:863-93.
Salmun LM, Herron JM, Banfield C, Padhi D, Lorber R, Affrime MB. The pharmacokinetics, electrocardiographic effects, and tolerability of loratadine syrup in children aged 2 to 5 years. Clin Ther 2000;22:613-21.
Schaefer Ch, editor. Drugs during pregnancy and lactation. 1st ed. Amsterdam: Elsevier Science, 2001.
Schata M, Jorde W, Richarz-Barthauer U. Levocabastine nasal spray better than sodium cromoglycate and placebo in the topical treatment of seasonal allergic rhinitis. J Allergy Clin Immunol 1991;87:873-8.
Schuller DE, Selcow JE, Joos TH, Hannaway PJ, Hirsch SR, Schwartz HJ, et al. A multicenter trial of nedocromil sodium, 1% nasal solution, compared with cromolyn sodium and placebo in ragweed seasonal allergic rhinitis. J Allergy Clin Immunol 1990;86:554-61.
Sears MR, Greene JM, Willan AR, Taylor DR, Flannery EM, Cowan JO, et al. Long-term relation between breastfeeding and development of atopy and asthma in children and young adults: a longitudinal study. Lancet 2002;360:901-7.
Selner JC, Weber RW, Richmond GW, Stricker WE, Norton JD. Onset of action of aqueous beclomethasone dipropionate nasal spray in seasonal allergic rhinitis. Clin Ther 1995;17:1099-109.
Senior BA, Kennedy DW, Tanabodee J, Kroger H, Hassab M, Lanza D. Long-term results of functional endoscopic sinus surgery. Laryngoscope 1998;108:151-7.
Sheffer AL. Allergen avoidance to reduce asthma-related morbidity. N Engl J Med 2004;351:1134-6.
Sheikh A, Hurwitz B. House dust mite avoidance measures for perennial allergic rhinitis (Cochrane Review). The Cochrane Library. Chichester: John Wiley & Sons, 2004.
Shirai T, Matsui T, Suzuki K, Chida K. Effect of pet removal on pet allergic asthma. Chest 2005;127:1565-71.
Siegel SC. Topical intranasal corticosteroid therapy in rhinitis. J Allergy Clin Immunol 1988;81:984-91.
Sienra-Monge JJ, Gazca-Aguilar A, Del Rio-Navarro B. Double-blind comparison of cetirizine and loratadine in children ages 2 to 6 years with perennial allergic rhinitis. Am J Ther 1999;6:149-55.
Simons FE, Johnston L, Simons KJ. Clinical pharmacology of the H1-receptor antagonists cetirizine and loratadine in children. Pediatr Allergy Immunol 2000;11:116-9.
Simons FE, Semus J, Goritz SS, Simons KJ. H1-antihistaminic activity of cetirizine and fexofenadine in allergic children. Pediatr Allergy Immunol 2003;14:207-11.
Simpson A, Custovic A. The role of allergen avoidance in the secondary prevention of atopic disorders. Curr Opin Allergy Clin Immunol 2005;5:223-7.
Skoner DP, Rachelefsky GS, Meltzer EO, Chervinsky P, Morris RM, Seltzer JM, et al. Detection of growth suppression in children during treatment with intranasal beclomethasone dipropionate. Pediatrics 2000;105:E23.
Stewart MG, Smith TL, Weaver EM, Witsell DL, Yueh B, Hannley MT, et al. Outcomes after nasal septoplasty: results from the Nasal Obstruction Septoplasty Effectiveness (NOSE) study. Otolaryngol Head Neck Surg 2004;130:283-90.
Szczeklik A, Nizankowska E, Duplaga M. Natural history of aspirin-induced asthma. AIANE Investigators. European Network on Aspirin-Induced Asthma. Eur Respir J 2000;16:432-6.
Taramarcaz P, Gibson PG. Intranasal corticosteroids for asthma control in people with coexisting asthma and rhinitis. Cochrane Database Syst Rev 2003;CD003570.
Tarnasky PR, Van Arsdel PP Jr. Antihistamine therapy in allergic rhinitis. J Fam Pract 1990;30:71-80.
Terreehorst I, Hak E, Oosting AJ, Tempels-Pavlica Z, De Monchy JGR, Bruijnzeel-Koomen CA, et al. Evaluation of impermeable covers for bedding in patients with allergic rhinitis. N Engl J Med 2003;349:237-46.
Terreehorst I, Duivenvoorden HJ, Tempels-Pavlica Z, Oosting AJ, De Monchy JGR, Bruijnzeel-Koomen CA, et al. The effect of encasings on quality of life in adult house dust mite allergic patients with rhinitis, asthma and/or atopic dermatitis. Allergy 2005;60:888-93.
Tomee JFCh, Dubois AEJ. Allergeenimmunotherapie met inhalatieallergeenextracten. Jaren therapie, jaren profijt. Pharmaceutisch Weekblad 2005;9:301-4.
Tonnel AB, Scherpereel A, Douay B, Mellin B, Leprince D, Goldstein N, et al. Allergic rhinitis due to house dust mites: evaluation of the efficacy of specific sublingual immunotherapy. Allergy 2004;59:491-7.
Van de Lisdonk EH, Van den Bosch WJHM, Huygen FJA, Lagro-Janssen ALM. Ziekten in de huisartspraktijk. Utrecht: Bunge, 2003.
Van den Bent L, Van Knapen L, De Vries MP, Jansen M, Cloosterman S, Van Schayck CP. Clinical effectiveness of a mite allergen-impermeable bed-covering system in asthmatic mite-sensitive patients. J Allergy Clin Immunol 2004;114:858-62.
Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk: klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk. Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM, 2004. www.nivel.nl/ns2.
Van der Velden J, De Bakker DH, Claessens AAMC, Schellevis FG. Basisrapport: morbiditeit in de huisartspraktijk. Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Basisrapport 3. Utrecht: NIVEL, 1991.
Van Velzen MF, Roorda RJ, Brand PLP. Allergieonderzoek bij recidiverend hoesten en piepen ook bij kinderen jonger dan 4 jaar mogelijk zinvol. Ned Tijdschr Geneeskd 2004;148:888-91.
Varney VA, Gaga M, Frew AJ, Aber VR, Kay AB, Durham SR. Usefulness of immunotherapy in patients with severe summer hay fever uncontrolled by antiallergic drugs. BMJ 1991;302:265-9.
Varney VA, Tabbah K, Mavroleon G, Frew AJ. Usefulness of specific immunotherapy in patients with severe perennial allergic rhinitis induced by house dust mite: a double-blind, randomized, placebo-controlled trial. Clin Exp Allergy 2003;33:1076-82.
Verlato G, Corsico A, Villani S, Cerveri I, Migliore E, Accordini S, et al. Is the prevalence of adult asthma and allergic rhinitis still increasing? Results of an Italian study. J Allergy Clin Immunol 2003;111:1232-8.
Viander M, Koivikko A. The seasonal symptoms of hyposensitized and untreated hay fever patients in relation to birch pollen counts: correlations with nasal sensitivity, prick tests and RAST. Clin Allergy 1978;8:387-96.
Waddell AN, Patel SK, Toma AG, Maw AR. Intranasal steroid sprays in the treatment of rhinitis: is one better than another? J Laryngol Otol 2003;117:843-5.
Wang DY. Treatment of allergic rhinitis: H1-antihistamines and intranasal steroids. Curr Drug Targets Inflamm Allergy 2002;1:215-20.
Weiner JM, Abramson MJ, Puy RM. Intranasal corticosteroids versus oral H1 receptor antagonists in allergic rhinitis: systematic review of randomised controlled trials. BMJ 1998;317:1624-9.
Welsh PW, Stricker WE, Chu CP, Naessens JM, Reese ME, Reed CE, et al. Efficacy of beclomethasone nasal solution, flunisolide, and cromolyn in relieving symptoms of ragweed allergy. Mayo Clin Proc 1987;62:125-34.
Wilson DR, Torres Lima M, Durham SR. Sublingual immunotherapy for allergic rhinitis (Cochrane Review). The Cochrane Library. Chichester: John Wiley & Sons, 2004.
World Health Organization. Allergic rhinitis and its impact on asthma. J Allergy Clin Immunol 2005;108:S147-334.
Wuthrich B, Bucher C, Jorg W, Bircher A, Eng P, Schneider Y, et al. Double-blind, placebo-controlled study with sublingual immunotherapy in children with seasonal allergic rhinitis to grass pollen. J Investig Allergol Clin Immunol 2003;13:145-8.
Yanez A, Rodrigo GJ. Intranasal corticosteroids versus topical H1 receptor antagonists for the treatment of allergic rhinitis: a systematic review with meta-analysis. Ann Allergy Asthma Immunol 2002;89:479-84.
Yawn BP, Yunginger JW, Wollan PC, Reed CE, Silverstein MD, Harris AG. Allergic rhinitis in Rochester, Minnesota residents with asthma: frequency and impact on health care charges. J Allergy Clin Immunol 1999;103:54-9.
Zoek in standaarden
