Inhoudsopgave
- INLEIDING
- ACHTERGRONDEN
- RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEK
-
RICHTLIJNEN BELEID
- Infectieuze conjunctivitis
- Allergische conjunctivitis (atopisch)
- Conjunctivitis door contactallergie
- Keratoconjunctivitis sicca
- Blefaritis/blefaroconjunctivitis
- Subconjunctivale bloeding
- Episcleritis
- Oogtraumata algemeen
- Cornea-erosie
- Corpus alienum
- Oogcontusie door een stomp trauma
- Keratoconjunctivitis fotoelectrica
- Etsing door een chemische stof
- Spoedverwijsindicaties
NHG-Standaard Het rode oog (Eerste herziening)
Rietveld RP, Cleveringa JP, Blom GH, Baggen MEJM, Bink D, Oltheten JMT, Van der Weele GM. Huisarts Wet 2006;49(2):78-91.
Deze standaard en de wetenschappelijke verantwoording zijn geactualiseerd ten opzichte van de vorige versie (Huisarts Wet 1996;39:225-38).
Belangrijkste wijzigingen
-
De aanbevelingen voor de medicamenteuze behandeling zijn gewijzigd.
-
Het beleid bij oogtraumata krijgt meer nadruk.
-
Aan de standaard is een diagnostisch algoritme toegevoegd.
Kernboodschappen
-
Pijn, visusdaling en lichtschuwheid zijn alarmsymptomen; hierbij moet de huisarts alert zijn op visusbedreigende aandoeningen.
-
De klacht dat de oogleden bij het wakker worden aan elkaar geplakt zitten, pleit vóór een bacteriële conjunctivitis; uitgesproken jeuk en een eerder doorgemaakte conjunctivitis pleiten hier juist tegen.
-
Op grond van het type afscheiding kan de huisarts niet adequaat differentiëren tussen een bacteriële en virale conjunctivitis.
-
Een infectieuze conjunctivitis is doorgaans ‘self limiting’ en heeft in principe geen behandeling nodig.
-
Alleen bij een (vermoedelijke) bacteriële conjunctivitis is antibiotische behandeling rationeel. Antibiotica hoeven slechts overwogen te worden bij veel hinder of bij klachten die drie dagen na het ontstaan nog niet afnemen en bij patiënten met eerder vastgestelde cornea-afwijkingen.
-
Gezien de resistentieontwikkeling is er in principe geen plaats voor fusidinezuur bij de behandeling van een conjunctivitis.
INLEIDING
De NHG-Standaard Het rode oog geeft richtlijnen voor de diagnostiek en het beleid bij roodheid van één of beide ogen en richtlijnen voor de beoordeling en behandeling van oogletsels.
Roodheid van het oog wordt veroorzaakt door aandoeningen van de conjunctiva, de sclera en het voorste oogcompartiment. Bij roodheid van één of beide ogen is de diagnose in de regel te stellen op basis van anamnese en inspectie. Het is van belang dat de huisarts onderscheid kan maken tussen visusbedreigende aandoeningen (vooral keratitis, iridocyclitis en acuut glaucoom) en onschuldige aandoeningen (zoals conjunctivitis, subconjunctivale bloeding en episcleritis), en ernstige van niet-ernstige oogletsels kan onderscheiden. De standaard geeft aan hoe de huisarts dat kan doen. Tevens wordt aangegeven hoe de huisarts de verschillende vormen van conjunctivitis kan onderscheiden.
De meest voorkomende aandoeningen die roodheid van het oog veroorzaken kan de huisarts zelf behandelen. Dit geldt voor conjunctivitis (tenzij die gepaard gaan met keratitis), episcleritis, subconjunctivale bloeding, blefaritis, keratoconjunctivitis fotoelectrica en corpora aliena en voor de oppervlakkige/niet-ernstige traumata.
ACHTERGRONDEN
Epidemiologie
In de huisartsenpraktijk wordt ‘rood oog’ – inclusief roodheid ten gevolge van traumata – bij ongeveer 13 per 1000 patiënten per jaar als contactreden opgegeven.1) In een ander registratieproject bedroeg de incidentie van infectieuze conjunctivitis in 2001 13,5 episoden per 1000 patiënten. Kinderen tot en met 11 jaar waren verantwoordelijk voor 25% van de episoden. In 87% van de gevallen van infectieuze conjunctivitis bleef het bij een éénmalig bezoek aan de huisarts en ruim 86% van de patiënten kreeg een lokaal oogmedicijn voorgeschreven.2) Traumata blijken overwegend cornea-erosies en oppervlakkig gelokaliseerde corpora aliena te betreffen; hierbij is het herstel vrijwel altijd volledig.
Etiologie, pathofysiologie en natuurlijk beloop
De etiologie van een rood oog is divers. Een rood oog treedt vooral op door een infectie, allergie of een trauma (fysisch of chemisch), maar kan ook optreden bij auto-immuunaandoeningen.
De manifestaties kunnen worden onderverdeeld in: (blefaro)conjunctivitis, (epi)scleritis, keratitis, iridocyclitis, subconjunctivale bloeding, acuut glaucoom en roodheid als gevolg van een trauma. De klinische kenmerken van deze beelden worden beschreven in de paragraaf Evaluatie.
Conjunctivitis is een ontsteking van het bindvlies van het oog die meestal binnen een week spontaan geneest en waarbij zelden complicaties optreden. Conjunctivitis kan gepaard gaan met ontsteking van de oogleden (blefaroconjunctivitis) of van de cornea (keratoconjunctivitis). Wanneer centrale cornealaesies ontstaan, dan kunnen visusstoornissen optreden.
Infectieuze conjunctivitis wordt in de meeste gevallen veroorzaakt door een virus of een bacterie. In het meeste eerstelijnsonderzoek werd bij minder dan de helft van de patiënten een bacteriële verwekker aangetoond; in een recent onderzoek onder kinderen was dit percentage hoger.3) Op basis van het type afscheiding kan niet met zekerheid onderscheid worden gemaakt tussen een bacteriële en een virale conjunctivitis.4) De combinatie van een drietal kenmerken (dichtgeplakte oogleden bij het wakker worden, het ontbreken van jeuk en het ontbreken van eerdere episoden van conjunctivitis in de voorgeschiedenis) maakt een bacteriële oorzaak waarschijnlijk.5)
De ontsteking begint doorgaans in één oog, maar in veel gevallen is enkele dagen later ook het andere oog ontstoken.
Bacteriële conjunctivitis in de huisartsenpraktijk wordt bij volwassenen voornamelijk veroorzaakt door streptokokken (52%), Haemophilus influenzae (16%) en Staphylococcus aureus en Staphylococcus epidermidis (samen 24%). Andere gramnegatieve staven zoals Moraxella- en Acinetobacter-species zijn in minder dan 5% de veroorzaker van een bacteriële conjunctivitis. Bij kinderen worden andere percentages gevonden: in ongeveer 60% van de gevallen H. influenzae, in ongeveer 20% van de gevallen Streptococcus pneumoniae en in ongeveer 10% van de gevallen Moraxella catarrhalis.6)
Bij neonaten met een acute (kerato)conjunctivitis rond de tweede tot derde levensdag moet een gonokokkeninfectie worden overwogen; ontstaat het rode oog rond de vijfde tot tiende levensdag dan is een infectie met Chlamydia trachomatis of met het herpes-simplex-virus meer waarschijnlijk.7) Deze infecties komen in Nederland weinig voor. (NB: bij zuigelingen is bij niet-rode ‘pusoogjes’ meestal geen sprake van conjunctivitis, maar van een belemmerde traanafvoer. (Zie ook: NHG-Standaard Zwangerschap en kraamperiode.)
Virale conjunctivitis wordt meestal veroorzaakt door een adenovirus.8) De klachten verergeren in vier tot zeven dagen en verdwijnen meestal binnen tien dagen spontaan. De ernst en de duur van de klachten kunnen sterk variëren. Een adenovirusinfectie gaat nogal eens gepaard met verkoudheid, keelklachten en preauriculaire lymfadenopathie. De infectie is zeer besmettelijk en veroorzaakt (kerato)conjunctivitis, die vaak in epidemietjes bij kinderen voorkomt. Door een adenovirusinfectie kunnen subepitheliale cornea-infiltraten ontstaan die kunnen leiden tot langdurige irritatie en visusdaling.9)
Keratitis/keratoconjunctivitis. Het herpes-simplex-virus kan een (visusbedreigende) keratitis veroorzaken. De primaire herpes-simplex-virusinfectie kenmerkt zich door een blefaroconjunctivitis, maar de infectie kan zich uitbreiden tot een keratitis/keratoconjunctivitis met discoïde of dendritische laesies en/of ulceraties van de cornea. Bij late en inadequate behandeling kan de infectie leiden tot een sterke vermindering van het gezichtsvermogen van het aangedane oog.10) Recurrente herpes-simplex-infecties kunnen optreden na reactivering van het in het ganglion trigemini latent aanwezige virus; een recidief herpeskeratitis komt voor bij ongeveer 50% van de patiënten.11) Zo’n recidief wordt vaak al in een vroeg stadium (als er alleen nog maar sprake is van tranen en irritatie) door de patiënt herkend.
Keratitis en cornea-ulcera kunnen ook optreden bij het dragen van contactlenzen en bij chronische vormen van allergische conjunctivitis (zie verder); ook chronische blefaritis kan een keratitis tot gevolg hebben (zie verder).
Allergische conjunctivitis is een IGE-gemedieerde allergische reactie op omgevingsallergenen, zoals pollen, en/of op binnenhuisallergenen, zoals huisstofmijt en katten- of hondenhaar. De klachten kunnen intermitterend optreden of vrijwel continu aanwezig zijn en kunnen sterk variëren in intensiteit. Doorgaans treden de verschijnselen dubbelzijdig op, maar niet altijd symmetrisch.
Allergische conjunctivitis komt vaak voor in combinatie met rhinitis;12) zie ook NHG-Standaard Allergische en hyperreactieve rhinitis.
Chronische, moeilijk behandelbare vormen van allergische conjunctivitis ziet men vooral bij patiënten met een sterk atopische constitutie en bij dragers van contactlenzen.13)
Conjunctivitis door contactallergie berust op overgevoeligheid van het oog en van de huid rond de ogen voor cosmetica, voor (conserveermiddelen in) oogdruppels en bewaar- en reinigingsvloeistoffen voor contactlenzen of voor stoffen die men onbewust met de handen in de ogen wrijft. Het beeld verdwijnt snel na beëindiging van applicatie van deze stoffen. Het betreft een ander type allergische reactie dan bij allergische conjunctivitis, hetgeen consequenties heeft voor de behandeling (zie Beleid).
Keratoconjunctivitis sicca is een beschadiging van de conjunctiva en (vaak ook) van de cornea, die voorkomt bij droge ogen. Het beeld gaat gepaard met een verhoogd risico op ooginfecties. Deze chronische aandoening wordt vooral gezien bij ouderen14) en is meestal het gevolg van leeftijdsgebonden involutie van de traanklier, resulterend in een verminderde traanproductie. Soms is de traanklierdisfunctie onderdeel van een auto-immuunaandoening zoals de ziekte van Sjögren (die wordt gekenmerkt door droge mond en droge ogen), reumatoïde artritis, de ziekte van Besnier-Boeck of SLE. Veranderingen in de traanfilm kunnen ook optreden bij het dragen van contactlenzen, bij chronische blefaritis en bij het gebruik van diverse medicamenten, waardoor vooral in een droge omgeving geïrriteerde ogen kunnen ontstaan.15) Oogklachten door ‘droge ogen’ kunnen ook ontstaan of verergeren na een laserbehandeling van een refractieafwijking.16)
Blefaritis/blefaroconjunctivitis is een (chronische) ontsteking van de haarzakjes van de wimpers en van de talgkliertjes die uitmonden in de ooglidrand. De etiologie is divers: stafylokokken en het stafylokokkentoxine spelen een rol, maar blefaritis kan ook voorkomen bij seborroïsch eczeem, rosacea en bij herpes simplex waarbij andere etiologische factoren een rol spelen.17) Een langdurige blefaritis zal vaak resulteren in een permanente vermindering van de talgproductie, waardoor de traanfilm te snel opdroogt (droge ogen) en kleine laesies van het cornea-epitheel ontstaan (keratitis punctata).
Subconjunctivale bloeding (= hyposphagma) is een bloeding onder de conjunctiva. De bloeding kan ontstaan bij een trauma (soms zo gering dat de patiënt het zich niet kan herinneren), door hoesten of persen, bijvoorbeeld bij een partus, maar meestal is de oorzaak onduidelijk.18) De bloeding resorbeert spontaan binnen twee à drie weken.
Episcleritis is een éénzijdige acute ontstekingsreactie van het diepe (sub)conjunctivale weefsel en van de oppervlakkige laag van de sclera, die vooral op jongvolwassen en middelbare leeftijd voorkomt. Episcleritis kan (evenals scleritis19)) optreden bij systemische aandoeningen, maar meestal is er geen oorzaak aanwijsbaar. Episcleritis geneest zonder behandeling doorgaans binnen enkele weken (2-21 dagen), maar er treden vaak recidieven op. Recidieven kunnen gepaard gaan met andere oogaandoeningen met een minder gunstige prognose.20)
Iridocyclitis (synoniem met uveitis anterior) is een ontsteking van de iris en het corpus ciliare. Onbehandeld kan een iridocyclitis leiden tot verklevingen van de achterkant van de iris met de lens, waardoor de pupil kan vervormen en de circulatie van het kamerwater kan stagneren, wat kan leiden tot secundair glaucoom. Bij een chronische iridocyclitis en na langdurige toediening van corticosteroïden kan ook cataractvorming optreden. Een iridocyclitis treedt relatief frequent op bij mensen met een reumatologische aandoening (in het bijzonder de HLA-B27-gerelateerde syndromen), infecties (zoals lues, de ziekte van Lyme en tuberculose) en andere inflammatoire aandoeningen (zoals de ziekte van Besnier-Boeck, de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa).21)
Acuut nauwekamerhoekglaucoom ontstaat door een acute verhoging van de oogboldruk en is doorgaans éénzijdig. Een ondiepe voorste oogkamer, zoals het geval is bij hypermetropie, is een predisponerende factor.22) Zonder behandeling kan acuut glaucoom binnen enkele uren leiden tot atrofie van de nervus opticus en totaal verlies van het gezichtsvermogen van het getroffen oog.
Oogtraumata die gepaard gaan met roodheid
Een cornea-erosie is een oppervlakkige fysische beschadiging van het hoornvlies, die doorgaans aanleiding geeft tot tranenvloed, fotofobie, blefarospasme en een corpus-alienum-gevoel.
Patiënten met een corpus alienum komen meestal met de klacht dat ze iets in het oog hebben, maar kunnen ook een rood oog hebben zonder dat zij zich ervan bewust zijn dat er iets in het oog terecht is gekomen. Ook inslag van metaalsplinters merkt men niet altijd onmiddellijk. Een diagnostisch probleem kan ontstaan bij een ‘high velocity’ trauma, waarbij tijdens het slijpen van of het slaan van metaal op metaal een klein deeltje met grote snelheid in het oog inslaat en waarbij uitwendig geen afwijkingen zijn vast te stellen. Een ijzersplinter veroorzaakt binnen enkele dagen een roestring.
Bij een oogcontusie kan er sprake zijn van bloedingen onder de conjunctiva, in de voorste oogkamer en in het glasvocht en kan een beschadiging ontstaan van alle inwendige structuren van het oog; dit kan tot visusdaling leiden. Bij een bloeding in de voorste oogkamer kan de oogboldruk (binnen enkele uren) stijgen, hetgeen kan leiden tot corneatroebeling of secundair glaucoom.
Keratoconjunctivitis fotoelectrica ontstaat door overmatige blootstelling van het oog aan ultraviolette straling en komt voor na een langdurig verblijf in de felle zon (sneeuwblindheid), na verblijf op de zonnebank of bij lassen waarbij men geen beschermende bril gebruikt (lasogen). Karakteristieke klachten zijn pijnlijke, branderige ogen en lichtschuwheid, die 8 tot 12 uur na blootstelling aan de UV-straling ontstaan en binnen 24 uur verdwijnen.
Etsing ontstaat door inwerking van een chemische stof op de cornea en conjunctiva. Etsing door zeep, haarspray en chloorwater komt het meest voor; de stoffen veroorzaken een lichte oogirritatie en enige roodheid. Etsing door zuur, kalk en met name door loog kan blijvende schade veroorzaken, zoals corneatroebelingen, corneaperforatie en ooglidverkleving.
RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEK
Anamnese
De huisarts informeert naar een oogtrauma en de toedracht hiervan (corpus alienum, UV-straling, fysisch geweld, etsing) en tevens naar alarmsymptomen:23)
-
pijn (te differentiëren van jeuk en corpus-alienum-gevoel);
-
daling van het gezichtsvermogen;
-
lichtschuwheid.
Wanneer er géén sprake is van een voorafgaand trauma, diept de huisarts de anamnese verder uit. Daarbij kunnen, afhankelijk van de gepresenteerde klachten, de volgende punten relevant zijn:
-
duur en beloop van de klachten (intermitterend/persisterend);
-
afscheiding uit het oog;
-
(’s morgens) dichtgeplakte ogen;
-
recent contact met personen met een rood oog;
-
recente bovensteluchtweginfectie;
-
corpus-alienum-gevoel of gevoel van branderigheid;
-
eerdere episode van conjunctivitis;
-
jeuk;
-
klachten die passen bij een atopisch syndroom, zoals niezen, loopneus, tranenvloed, benauwdheid, piepen of eczeem;
-
aanwezigheid van chronische ziekten;
-
medicijngebruik,15 zelfmedicatie en gebruik van cosmetica;
-
dragen van contactlenzen en het onderhoud van de lenzen;
-
oogheelkundige voorgeschiedenis; recente laserbehandeling of oogoperatie.
Lichamelijk onderzoek
Bij een rood oog inspecteert de huisarts in ieder geval:
-
de oogleden: roodheid, zwelling, papels en vesikels, naar binnen of buiten gekrulde oogleden (en- of ectropion) en wimpers;
-
aanwezigheid van secreet;
-
lokalisatie en aard roodheid: vaatverwijding of bloeding, segmentaal, diffuus of ciliair. Ciliaire roodheid is een millimeter brede, roodpaarse rand rond de cornea, die met het blote oog moeilijk waarneembaar kan zijn;
-
cornea: glanzend of dof, troebelingen, vervormingen van het raambeeld, vaatingroei, corpus alienum.
Bij een corpus-alienum-gevoel en wanneer bij normale inspectie geen corpus alienum wordt gevonden, en bij een rood oog zonder duidelijke oorzaak inspecteert de huisarts, zo nodig met leesbril/loep, de ruimte achter het onderste en (na omklappen) achter het bovenste ooglid.
Vervolgonderzoek
Aanvullend oogonderzoek (of directe verwijzing; zie Spoedverwijsindicaties) is geïndiceerd wanneer het rode oog gepaard gaat met de reeds genoemde alarmsymptomen visusdaling, pijn, lichtschuwheid (tenzij het een keratoconjunctivitis fotoelectrica betreft), en bij een oogtrauma (tenzij het een corpus alienum betreft), bij ciliaire roodheid of bij aanwijzingen voor afwijkingen van de cornea. Heeft de patiënt veel pijn, dan kan het geïndiceerd zijn het onderzoek uit te voeren na toediening van één druppel van een oppervlakteanestheticum (oxybuprocaïne of tetracaïne) in de conjunctivazak, waarbij men bij voorkeur gebruikmaakt van een oogdruppelverpakking voor eenmalig gebruik (‘minim’).24)
Het vervolgonderzoek omvat:
-
visusbepaling; zie NHG-Standaard Refractieafwijkingen;
-
inspectie pupillen: vorm en grootte (links-rechtsverschil);
-
pupilreacties: beoordeling van de directe en de indirecte reactie van de pupillen op licht en eventuele pupilvervormingen;
-
consensuele lichtreactie: toename van pijn en fotofobie in het aangedane oog bij belichting van het gezonde oog wijst op een aandoening van een structuur die dieper ligt dan de cornea;
-
onderzoek cornea en voorste oogkamer (bij voorkeur met behulp van een spleetlamp25)): let bij de cornea op gaafheid en troebelingen; let bij de voorste oogkamer op pupilvervorming, cellen, het Tyndall-effect (effect zoals bij een lichtstraal door een rokerige ruimte; dit wijst op de aanwezigheid van eiwit), Descemet-stippen, pus (hypopyon) en bloed (hyphaema) en bij traumata op lensluxatie;
-
onderzoek van het cornea-epitheel na kleuring met fluoresceïne, bij voorkeur met een fluoresceïnestrookje.26) Inspecteer de cornea in schemerdonker met blauw licht (bij voorkeur met beeldvergroting). Epitheeldefecten lichten groen op.
Op indicatie:
-
bij een stomp oogletsel beoordeelt men tevens de oogbewegingen en de oogstand, ter uitsluiting van een retrobulbaire bloeding, inklemming van een oogspier of een fractuur van de orbitabodem;
-
kan bij het voorafgaande aanvullende onderzoek niet goed gedifferentieerd worden tussen cornea-aandoeningen en aandoeningen van dieper gelegen structuren, dan beoordeelt men het effect van een oppervlakteanestheticum op oogpijn en fotofobie. Bij aandoeningen van de cornea zijn de pijn en fotofobie na 10 tot 20 seconden verdwenen; bij aandoeningen van dieper gelegen structuren verminderen de pijn en fotofobie niet;
-
bij onduidelijkheid over de aard en/of oppervlakkigheid van de roodheid gaat men na of de roodheid verschuifbaar is door – na toediening van een druppel van een oppervlakteanestheticum – met een nat wattenstokje de conjunctiva te verschuiven over de sclera: verschuifbare roodheid is oppervlakkig.
Onderzoek van de sensibiliteit van de cornea, meting van de oogdruk en fundoscopie worden niet aanbevolen.27) Ook een kweek is doorgaans niet zinvol, omdat een aanzienlijk deel van de patiënten al genezen zal zijn voordat de kweekuitslag binnen is.
Evaluatie
Zie voor de niet-traumatische aandoeningen ook het diagnostisch algoritme (figuur).
Op grond van de anamnese en het lichamelijk onderzoek kan bij een patiënt met een rood oog/rode ogen een aantal diagnosen worden gesteld.
-
Bij roodheid, tranen en irritatie, met enkele dagen na het begin een (muco)purulente afscheiding waardoor de oogleden vooral ’s morgens aan elkaar geplakt zitten, en wanneer er geen uitgesproken jeuk bestaat en de patiënt niet eerder een conjunctivitis doormaakte, is een bacteriële conjunctivitis waarschijnlijk.28)
-
Oogontstekingen in de naaste omgeving (‘epidemisch voorkomen’) en het ontbreken van aanwijzingen voor andere vormen van conjunctivitis wijzen op virale conjunctivitis. De aanwezigheid van verkoudheid, keelpijn en palpabele preauriculaire klieren pleit voor een adenovirusinfectie.
-
Vesiculaire huidlaesies rond het oog, opgezette oogleden, tranen en irritatie wijzen op een blefaroconjunctivitis door een primaire herpes-simplex-virusinfectie.
-
Jeukende, branderige ogen, tranen, milde conjunctivale roodheid, (soms indrukwekkende) conjunctivale zwelling en ooglidoedeem, en klachten als niezen, loopneus, benauwdheid en piepen die passen bij het atopisch syndroom, wijzen op een allergische conjunctivitis. Indien nodig kunnen één of meer RAST-tests meer duidelijkheid geven over het oorzakelijke allergeen. Een gunstig effect van antiallergene oogdruppels kan een vermoeden van allergische conjunctivitis versterken (diagnostische proefbehandeling).
-
Periorbitaal eczeem en jeuk wijzen op contactallergie. Gebruik van cosmetica, oogdruppels en lensreinigings- en bewaarvloeistoffen (of aanwijzingen voor het in de ogen wrijven van stoffen die een dergelijke reactie kunnen veroorzaken) versterken dit vermoeden.
-
Wanneer een oudere patiënt klaagt over een zanderig of branderig gevoel in de ogen, wijst dit op een keratoconjunctivitis sicca. Is de diagnose onzeker, dan kan men kunsttranen als diagnosticum gebruiken. De Schirmer-test en bepaling van de ‘break-up time’ worden niet aanbevolen.29)
-
Jeukende, branderige ogen en gezwollen, schilferende, rode ooglidranden met roodheid van de fornix wijzen op een blefaritis of op een blefaroconjunctivitis. Hierbij kan men uitgaan van een stafylokokkeninfectie als oorzaak, tenzij er blaasjes op de ooglidranden worden aangetroffen (hetgeen wijst op een primaire herpes-simplex-infectie) of tenzij er tevens sprake is van rosacea of seborroïsch eczeem.
-
Aanwezigheid van pijn en lichtschuwheid in directe relatie tot onbeschermd lassen of gebruik van de zonnebank wijst op een keratoconjunctivitis fotoelectrica.
Bij lokale roodheid in een oog komen de volgende diagnosen in aanmerking.
-
Subconjunctivale bloeding bij een unilaterale, acuut ontstane, pijnloze, scherp begrensde lakrode verkleuring van (een deel van) het oogwit.
-
Episcleritis bij een acuut rood oog, met een intense, lokale (vaak segmentaal), niet verschuifbare roodheid of juist een meer diffuse roodheid (in 30% van de gevallen), milde (druk)pijn (in tegenstelling tot de doffe, diepe pijn bij scleritis) en (vaak ook) lichtschuwheid.
-
Corpus alienum (eventueel met roestring).
Bovenstaande overwegingen zijn eveneens van toepassing bij dragers van contactlenzen bij wie aanwijzingen voor inadequaat onderhoud, overmatig dragen of slechte pasvorm van de lenzen ontbreken.
Alarmsymptomen, zoals visusvermindering, kunnen wijzen op keratitis, iridocyclitis, acuut glaucoom of op een traumatische beschadiging van diepere structuren van het oog.
-
Wazig zien, fotofobie bij troebelingen in de cornea (het stroma heeft door ontsteking, oedeemvorming of infiltratie zijn doorzichtigheid verloren) kan wijzen op de aanwezigheid van een keratitis of keratoconjunctivitis.
-
Een combinatie van ciliaire roodheid, een nauwe pupil (al of niet met verklevingen), cellen en het Tyndall-effect in de voorste oogkamer, Descemet-stippen en hypopyon, wijst op een iridocyclitis. Een gestoorde directe en indirecte reactie van de pupil op licht, toename van pijn bij de consensuele lichtreactie, pijn die niet verdwijnt na toediening van een oppervlakteanestheticum, visusvermindering en lichtschuwheid zijn bijpassende symptomen.
-
Hevige hoofdpijn, misselijkheid, braken, visusdaling, het zien van halo’s rond lichtbronnen, roodheid van het oog, corneatroebeling en een middelwijde lichtstijve pupil zijn de klassieke kenmerken van acuut glaucoom.
-
Posttraumatische visusdaling die gepaard gaat met pupilverschillen, hyphaema, troebelingen in de brekende media en afwijkingen in de oogstand of oogbewegingen wijzen op een ernstig oogletsel door contusie of perforatie.
-
Aankleuring van de cornea met fluoresceïne wijst op een erosie of een ulcus in het kader van een keratoconjunctivitis of een oppervlakkige traumatische beschadiging. Vertakte of discoïde epitheeldefecten zijn een aanwijzing voor een infectie van de cornea met het herpes-simplex-virus.
Indien bij aanvullend onderzoek bij een patiënt zonder voorafgaand trauma iedere aanwijzing voor de aanwezigheid van keratitis, iridocyclitis, acuut glaucoom of ernstig oogletsel ontbreekt, is er vermoedelijk toch sprake van een conjunctivitis.

RICHTLIJNEN BELEID
De huisarts beoordeelt bij patiënten met één of meer alarmsymptomen en die niet direct naar de oogarts zijn verwezen (zie Spoedverwijsindicaties), dagelijks opnieuw hoe het beeld zich ontwikkelt, tenzij er sprake is van een aandoening waarbij controles niet altijd nodig zijn, zoals bij een keratoconjunctivitis fotoelectrica. De huisarts is bij de controles alert op mogelijke bevindingen zoals beschreven in Vervolgonderzoek bij alarmsymptomen. Bij tussentijdse toename van de pijn en/of de lichtschuwheid of bij vermindering van het gezichtsvermogen moet de patiënt onmiddellijk contact opnemen met de huisarts. Bij aanhoudende alarmsymptomen zonder duidelijke oorzaak verwijst de huisarts de patiënt alsnog naar de oogarts. Bij patiënten met maar één goed functionerend oog is het in het algemeen aan te bevelen sneller een verwijzing te overwegen.
De huisarts geeft de patiënt informatie over de aard en het beloop van de aandoening. Als algemeen advies geldt dat bij roodheid van het oog en tijdens lokale medicamenteuze behandeling de patiënt geen contactlenzen moet dragen.30)
Wanneer de klachten vermoedelijk worden veroorzaakt door contactlenzen, legt de huisarts uit dat lenzen het oog kunnen irriteren als ze niet goed onderhouden worden of te lang worden gedragen. Het oppervlak van harde lenzen wordt na verloop van tijd ruwer, waardoor bacteriën zich gemakkelijker kunnen hechten. Men kan de lenzen op krassen en aanslag laten controleren door een contactlensspecialist.
Hieronder volgen de behandeladviezen per aandoening.
Infectieuze conjunctivitis
Voorlichting. De huisarts legt uit dat het een besmettelijke aandoening betreft die onschuldig is en, net als een verkoudheid, doorgaans binnen één à twee weken vanzelf overgaat. Hygiënische maatregelen, zoals schoonmaken van de oogleden met schoon water of fysiologisch zout, frequent handen wassen, niet in de ogen wrijven en gebruik van schone en aparte handdoeken, zijn van belang om het risico op verspreiding van de infectie naar het andere oog en naar huisgenoten te verminderen. Bij ernstige klachten kan de huisarts adviseren een zonnebril te dragen omdat de patiënt daardoor minder met de ogen knijpt.
Indien het rode oog gepaard gaat met aan elkaar geplakte oogleden bij het wakker worden en er noch sprake is van uitgesproken jeuk, noch van een eerder doorgemaakte conjunctivitis, ligt aan de klachten waarschijnlijk een bacteriële verwekker ten grondslag. De huisarts legt de patiënt uit dat de klachten in de meeste gevallen ook zonder een antibiotische behandeling verdwijnen en dat behandeling de genezing nauwelijks bespoedigt. Bij een acute infectieuze conjunctivitis is, ook bij kinderen, doorgaans geen antibiotische behandeling nodig.31)
Bij herpesinfecties legt de huisarts uit dat deze kunnen recidiveren.11
Niet-medicamenteuze behandeling. Deze aanpak is gericht op het regelmatig verwijderen van secreet met gewoon (ongekookt) leidingwater.
Medicamenteuze behandeling. Bij patiënten die veel hinder ondervinden of klachten hebben die drie dagen na het ontstaan niet afnemen, of bij patiënten met eerder vastgestelde cornea-afwijkingen en wanneer er op grond van de anamnese een grote kans op een bacteriële conjunctivitis bestaat, overweegt de huisarts behandeling met een lokaal antibioticum.32) Rekening houdend met wat bekend is over werkzaamheid, resistentieontwikkeling, bijwerkingen, houdbaarheid en gebruiksgemak gaat de voorkeur uit naar chlooramfenicol33) oogzalf34) 1% 2-4 dd, te gebruiken tot 48 uur nadat de symptomen verdwenen zijn.
Als binnen 72 uur na het begin van een antibiotische behandeling geen verbetering optreedt of als er alsnog alarmsymptomen optreden, vindt herbeoordeling plaats. Als er geen reden is voor bijstelling van de diagnose, kan worden overgegaan op behandeling met een ander preparaat, zoals polymyxine B/trimethoprim-oogzalf of -oogdruppels.35) Wederom zijn controles alleen noodzakelijk bij alarmsymptomen of bij het uitblijven van verbetering. Een bacteriële conjunctivitis wordt in 80% van de gevallen veroorzaakt door een bacterie die resistent is tegen fusidinezuur. Alleen bij een stafylokokkeninfectie (bij blefaritis of op geleide van een kweek) is het zinvol fusidinezuur voor te schrijven.36)
Indien een virale conjunctivitis waarschijnlijk is, wordt de spontane genezing afgewacht, tenzij er aanwijzingen zijn dat het herpesvirus de oorzaak is (zie verder). Symptomatische behandeling is zelden nodig en weinig effectief.37)
Een herpes-simplex-(blefaro)conjunctivitis wordt behandeld met aciclovir-oogzalf 5 dd 1 cm zalf (in de onderste conjunctivazak aanbrengen, ook op eventuele blaasjes op de ooglidranden). Controle vindt plaats om de drie dagen, waarbij de huisarts iedere keer informeert naar het ontstaan van alarmsymptomen en de cornea beoordeelt na aankleuring met fluoresceïne. De behandeling wordt voortgezet tot drie dagen nadat de symptomen volledig verdwenen zijn.
Verwijzing. Duurt een conjunctivitis langer dan twee weken en bestaat er twijfel over de oorzaak, dan is verwijzing naar de oogarts geïndiceerd.38)
Voor de behandeling van een herpes-simplex-keratitis verwijst de huisarts de patiënt naar de oogarts.
Allergische conjunctivitis (atopisch)
Voorlichting. De huisarts legt uit dat de klachten ontstaan doordat het oog overgevoelig reageert op stoffen die zich in de lucht bevinden en vaak niet te vermijden zijn, zoals bij een pollenovergevoeligheid. Een dergelijke overgevoeligheid duurt meestal enkele jaren, waarna ze geleidelijk uitdooft. De klachten kunnen worden onderdrukt met medicijnen. Bij overgevoeligheid voor dierlijke allergenen is vermijding het primaire advies.
Niet-medicamenteuze behandeling. Koude kompressen kunnen verlichting geven.
Medicamenteuze behandeling. Antihistaminicum-oogdruppels zoals azelastine 2-4 dd 1 druppel of levocabastine 2-4 dd 1 druppel of olopatadine 2 dd 1 druppel zijn middelen van eerste keus.39) Bij onvoldoende effect kunnen gedurende maximaal drie dagen prednisolon-oogdruppels 0,5% 3-4 dd 1 druppel aan het antihistaminicum worden toegevoegd; hiertoe volstaat het voorschrijven van één minim.40)
Hoewel uit onderzoek blijkt dat NSAID-oogdruppels bij seizoensgebonden allergische conjunctivitis jeukklachten en conjunctivale hyperemie kunnen verlichten, zijn deze middelen niet geregistreerd voor deze indicatie.41)
Bij frequent recidiverende allergische conjunctivitis kan men overgaan op een onderhoudsbehandeling met antihistaminicum-oogdruppels, in dezelfde doseringen als eerder vermeld. Bij onvoldoende effect kan men de druppels combineren met een oraal antihistaminicum.
Indien bij een allergische conjunctivitis ook neusklachten voorkomen, kan het voldoende zijn de neusklachten te behandelen (zie NHG-Standaard Allergische en hyperreactieve rhinitis).
Verwijzing. Bij hardnekkige, ernstige klachten, waarbij onduidelijk is waarvoor de patiënt overgevoelig is, kan verwijzing geïndiceerd zijn.
Conjunctivitis door contactallergie
Voorlichting. De huisarts legt uit dat de aandoening ook kan ontstaan nadat de patiënt een bepaalde stof al geruime tijd gebruikt en alleen overgaat als hij het contact met de stof die vermoedelijk verantwoordelijk is voor de klachten, verder vermijdt. Meestal is dat een kwestie van het niet meer gebruiken van cosmetica, oogdruppels of contactlensvloeistof. Wil de patiënt toch cosmetica blijven gebruiken, dan kunnen hypoallergene middelen uitkomst bieden.
Medicamenteuze behandeling. Gedurende maximaal een week nafazoline- of fenylefrine-oogdruppels (0,125 of 0,25%) 3-4 dd 1 druppel ter vermindering van zwelling en/of vaatverwijding. Bij hevige klachten kan de huisarts gedurende enkele dagen prednisolon-oogdruppels 0,5% 3-4 dd 1 druppel voorschrijven; hiertoe volstaat het voorschrijven van één minim. Bij forse zwelling en eczeem van de oogleden is hydrocortisoncrème effectief. In verband met het risico op verhoging van de oogboldruk en huidatrofie mag de crème rond de ogen slechts kortdurend, in de acute fase worden toegepast.
Verwijzing. Indien niet duidelijk is waarvoor een patiënt overgevoelig is, kan verwijzing naar de huidarts (plakproeven) worden overwogen. Dragers van contactlenzen bij wie de huisarts vermoedt dat er sprake is van overgevoeligheid voor de gebruikte contactlensvloeistoffen of slechte pasvorm, worden verwezen naar de contactlensspecialist.
Keratoconjunctivitis sicca
Voorlichting. De huisarts legt uit dat dit een chronische aandoening is die vooral wordt veroorzaakt doordat de traanklier niet meer goed functioneert. Dit komt vaak voor op oudere leeftijd en bij patiënten met diabetes mellitus. Droge ogen kunnen ook het gevolg zijn van medicatie.15
Het verdient aanbeveling om bij centrale verwarming te zorgen voor een goede luchtvochtigheidsgraad en om ruimten met airconditioning/blowers zo veel mogelijk te vermijden.
Medicamenteuze behandeling. De klachten verminderen doorgaans door het gebruik van kunsttranen zoals carbomeer-ooggel of hypromellose-oogdruppels 0,3%, zo nodig 3-4 dd 1 druppel. Omdat het effect van de verschillende kunsttranen sterk individueel bepaald is, kan bij onvoldoende resultaat een ander preparaat worden geprobeerd. Toename van de klachten of steeds vaker moeten druppelen kan een gevolg zijn van de conserveermiddelen in de kunsttranen. In dat geval kunnen conserveermiddelvrije middelen (carbomeer-ooggel of hypromellose-oogdruppels zonder conserveermiddel) worden geprobeerd, zo nodig elk uur 1 druppel.42)
Verwijzing. Bij hardnekkige klachten kan een verwijzing naar de oogarts geïndiceerd zijn voor nadere diagnostiek (subgroeptypering) en behandeling.
Blefaritis/blefaroconjunctivitis
Voorlichting. De huisarts legt uit dat de aandoening vaak wordt veroorzaakt door een bacterie die groeit op vet (talg). De behandeling bestaat dan ook primair uit ontvetting van de ooglidranden.
Niet-medicamenteuze behandeling. Tweemaal daags de ooglidranden poetsen met wattenstokjes die bevochtigd zijn met babyshampoo (verdunning 1:3; zo nodig voorafgaand korsten losweken met een warm kompres gedurende 15 minuten), vervolgens reinigen met lauw water.43)
Medicamenteuze behandeling. Bij onvoldoende effect kan na ontvetting en verwijdering van schilfers lokaal fusidinezuur-ooggel 2 dd 1 druppel worden toegepast. De gel wordt aangebracht op de ooglidranden of in de conjunctivazak en wordt vervolgens op de ooglidranden ingemasseerd.44) Heeft ook deze behandeling onvoldoende effect, dan kan bij een schilferende (niet-ulcererende) vorm hydrocortison/oxytetracycline/polymyxine B-oogzalf of -oogdruppels worden toegepast. Bij onvoldoende effect verwijst de huisarts de patiënt naar de oogarts.
Bij chronische blefaritis kunnen kunsttranen verlichting geven.
Herpesblefaritis wordt behandeld met aciclovir-oogzalf. Gaat de blefaritis samen met verschijnselen van acne rosacea of seborroïsch eczeem, dan is de behandeling ook gericht op de huidaandoening.
Subconjunctivale bloeding
Voorlichting. De huisarts legt uit dat deze bloeding van het bindvlies van het oog onschadelijk is en binnen twee tot drie weken vanzelf verdwijnt. Behandeling is niet nodig, tenzij de conjunctiva sterk uitpuilt. In dat geval kunnen kunsttranen uitdroging voorkomen.
Episcleritis
Voorlichting. De huisarts legt uit dat een diepere bindvlieslaag in het oog ontstoken is. De oorzaak is meestal onduidelijk, maar de ontsteking zal normaliter binnen enkele weken spontaan genezen. Indien er weinig klachten zijn, is behandeling niet nodig.
Niet-medicamenteuze behandeling. Bij klachten kunnen koude oogkompressen verlichting geven.
Medicamenteuze behandeling.45) Indien niet-medicamenteuze maatregelen onvoldoende effectief zijn, kan de huisarts gedurende maximaal drie dagen prednisolon-oogdruppels 0,5% 3-4 dd 1 druppel voorschrijven; hiertoe volstaat het voorschrijven van één minim, met controle na twee à drie dagen.
Verwijzing. Recidiverende episcleritis is (evenals scleritis) een reden voor verwijzing naar de internist voor onderzoek naar eventuele onderliggende systemische aandoeningen.20 Staat de oogheelkundige diagnose nog niet vast, dan verwijst de huisarts de patiënt eerst naar de oogarts.
Oogtraumata algemeen
De volgende traumata zijn indicaties voor directe verwijzing naar de oogarts: chemische oogtraumata (etsing), oogletsels die gepaard gaan met een ooglidruptuur, visusdaling, hyphaema, pupilveranderingen en/of verstoorde pupilreacties, gestoorde oogbewegingen, lichtflitsen, dubbelzien, (vermoeden van) een perforatie, een orbitafractuur of een ‘high velocity’ trauma.
Is er alleen sprake van een oppervlakkige cornea-erosie, een oppervlakkige beschadiging van de cornea na verwijdering van een corpus alienum, een oppervlakkige etsing zonder conjunctivale roodheid of een keratoconjunctivitis fotoelectrica, dan is controle in principe niet nodig, tenzij de klachten verergeren of ondanks behandeling na drie dagen niet duidelijk zijn afgenomen.
Patiënten met een oogtrauma die niet direct worden verwezen, controleert de huisarts na één dag.
Wanneer bij onderzoek een anestheticum nodig is, gebruik dan bij voorkeur een minim.
Cornea-erosie
Voorlichting. De huisarts legt uit dat het letsel, afhankelijk van de grootte, binnen één tot drie dagen geneest. Ter voorkoming van een recidief moet de patiënt wrijven in het oog vermijden, ook in de eerste periode na herstel.
Medicamenteuze behandeling. Behandel een cornea-erosie met een antibiotische oogzalf tot het defect gesloten is (controle is afhankelijk van de omvang van het defect, maar in ieder geval na drie dagen). Voor de keuze van de middelen wordt verwezen naar de passage over de behandeling van bacteriële conjunctivitis.46) Afdekken van het oog met een oogverband is niet nodig.47) Bij grote erosies, bij patiënten met diabetes mellitus of een verminderde weerstand en bij patiënten die de neiging hebben veel in de ogen te wrijven, kan een oogverband bescherming bieden.
Verwijzing. Verwijs een patiënt met een cornea-erosie die na drie dagen niet hersteld is naar de oogarts.48)
Corpus alienum
Voorlichting/niet-medicamenteuze behandeling. Verwijder een oppervlakkig corpus alienum onder lokale verdoving (oxybuprocaïne of tetracaïne) met een wattenstokje, gutsje of frees om hoornvliesontsteking te voorkomen. Een roestring wordt met een frees verwijderd, zonder dat er roestresten achterblijven. Eventuele roestresten kunnen met een antibioticum-zalfverband worden verweekt, waardoor ze na 24 uur gemakkelijker te verwijderen zijn.49)
Medicamenteuze behandeling. Indien het defect van de cornea na verwijdering van een corpus alienum gering is, kan de huisarts volstaan met eenmalige toediening van chlooramfenicol-oogzalf.50) Bij grotere defecten: zie Cornea-erosie.
Verwijzing. Verwijzing is geïndiceerd bij een corpus alienum dat niet verwijderd kan worden, bij een centraal gelokaliseerde roestring die niet radicaal verwijderd kan worden of bij een centraal gelokaliseerd omvangrijk corpus alienum.
Oogcontusie door een stomp trauma
Voorlichting/niet-medicamenteuze behandeling. Indien er geen reden was de patiënt direct te verwijzen, instrueert de huisarts de patiënt bij onvoldoende verbetering van de klachten na één dag het oog opnieuw te laten beoordelen of zo nodig eerder bij toename van pijn of bij het optreden van visusdaling of dubbelzien.
Een koud oogkompres kan verlichting bieden.
Keratoconjunctivitis fotoelectrica
Voorlichting. De huisarts legt uit dat de klachten ontstaan door beschadiging van het hoornvlies door overmatige blootstelling aan ultraviolette straling (‘lasogen’). De aandoening geneest spontaan binnen enkele dagen.
Medicamenteuze behandeling. Bij ernstige pijnklachten komen oxybuprocaïne 0,4%-oogdruppels in aanmerking, toe te dienen in de spreek- of behandelkamer. Als de huisarts een oxybuprocaïne-minim gebruikt, kan hij het restant van het minim aan de patiënt meegeven, met de instructie het gebruik uiterlijk 12 uur nadien te beëindigen en niet in het verdoofde oog te wrijven.51)
Tevens kan de huisarts orale pijnstilling (paracetamol maximaal 3 dd 1000 mg) overwegen, hoewel het effect hiervan niet goed gedocumenteerd is.
Etsing door een chemische stof
Voorlichting/niet-medicamenteuze behandeling. Bij etsing door zeep, haarspray of chloorwater is oogspoeling met kraanwater en telefonische geruststelling doorgaans voldoende.
Bij etsing door zuur, kalk of loog moeten het oog én de ruimte onder de oogleden direct en grondig worden gespoeld met veel water. Bij telefonische melding adviseert de huisarts de patiënt direct en grondig onder de kraan te spoelen. Na 10 tot 20 minuten spoelen wordt de patiënt gevraagd op het spreekuur te komen. Meldt de patiënt zich meteen op de praktijk, dan kan de huisarts het oog eerst verdoven met oxybuprocaïne, waarna het oog met behulp van een oogbadje of spoelflacon 10 tot 20 minuten wordt gespoeld (bij halfliggende patiënt).
Medicamenteuze behandeling. Bij een milde etsing met roodheid, traanvorming en pijnlijke irritatie schrijft de huisarts chlooramfenicol-oogzalf voor.
Controle. Controle geschiedt na één dag. Adviseer de patiënt bij toename van de klachten eerder contact op te nemen.
Verwijzing. Bij etsing door zuur, kalk of loog verwijst de huisarts de patiënt – na het bieden van eerste hulp – direct naar de oogarts.
Spoedverwijsindicaties
Situaties die spoedverwijzing vergen:
-
aanwijzingen voor acuut glaucoom;
-
chemisch oogtrauma (vooral wanneer dit gepaard gaat met troebeling van de cornea, chemose met blaarvorming);
-
oogletsel dat gepaard gaat met ooglidruptuur, visusdaling, hyphaema, pupilveranderingen en/of verstoorde pupilreacties, gestoorde oogbewegingen, lichtflitsen, dubbelzien en bij aanwijzingen voor een orbitafractuur of een ‘high velocity’ trauma;
-
aanwijzingen voor keratitis, met uitzondering van keratoconjunctivitis fotoelectrica;
-
aanwijzingen voor iridocyclitis, ciliaire roodheid;
-
pasgeborenen bij wie voor de tiende levensdag een hevig pussende conjunctivitis ontstaat.52)
Totstandkoming
In december 2004 startte een werkgroep van huisartsen met de herziening van de NHG-Standaard Het rode oog. De werkgroep bestond uit de volgende leden: M.E.J.M. Baggen, huisarts te Grubbenvorst; D. Bink, huisarts te Heerhugowaard; G.H.Blom, huisarts te Spijkenisse; J.P. Cleveringa, huisarts te Oosterhesselen; J.M.T. Oltheten, huisarts te Noordwijk; R.P. Rietveld, huisarts te Heerhugowaard en onderzoeker afdeling Huisartsgeneeskunde AMC-UVA te Amsterdam.
In juli 2005 werd de conceptstandaard voor commentaar gestuurd naar vijftig aselect gekozen huisartsen uit het NHG-ledenbestand. Er werden 23 commentaarformulieren retour ontvangen. Tevens werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten: prof.dr. J.S. Stilma en prof.dr. B.C.P. Polak, hoogleraren oogheelkunde; C.P. van Niekerk-Nanninga en dr. M.J.W. Zaal, oogartsen; dr. J. Michels en T. Spies, huisartsen; J. Hekman en J.H. Oldenziel, huisartsen en leden van de NHG-Adviesraad Standaarden; J. van Engeldorp Gastelaars en S.M. Dreijer-van der Glas, namens het Wetenschappelijk Instituut Nederlandse Apothekers; drs. M.M. Versluijs, beleidsmedewerker Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie. Vermelding als referent betekent overigens niet dat de referent de standaard inhoudelijk op elk detail onderschrijft.
In oktober 2005 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie.
G.M. van der Weele, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG begeleidde de werkgroep en voerde de redactie van de standaard.
© 2006 Nederlands Huisartsen Genootschap
Uit de huisartsenregistratie van episodegegevens waarbij ‘rood oog’ als contactreden is opgegeven, blijkt dat de incidentie 13,1 per 1000 patiënten per jaar bedraagt [Okkes 1998]. In tabel 1 is de frequentieverdeling weergegeven van de diagnosen die werden geregistreerd bij het afsluiten van het contact.
Tabel 1 Diagnosen bij afsluiten contact bij contactreden ‘rood oog’
| Frequentie | Diagnose bij afsluiten contact |
| 49,2% | infectieuze conjunctivitis |
| 19,5% | allergische conjunctivitis |
| 7,3% | andere ziekten oog |
| 4,2% | rood oog |
| 3,4% | blefaritis/hordeolum/chalazion |
| 3,2% | andere ontsteking oog |
| 2,2% | ander trauma oog |
| 1,8% | corpus alienum oog |
| 1,6% | kneuzing/blauw oog/cornealaesie |
| 1,4% | hooikoorts/allergische rhinitis |
| 0,9% | geen ziekte |
Deze cijfers zijn gebaseerd op de LINH-gegevens (Landelijk Informatie Netwerk Huisartsen, een project van NIVEL, WOK, LHV en NHG, waarin in 2001 120 huisartsenpraktijken participeerden) die zijn verzameld in het kader van de Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartsenpraktijk [Van der Linden 2004].
Het prescriptiepercentage (86%) is opmerkelijk omdat een infectieuze conjunctivitis in de meeste gevallen een virale oorzaak heeft en in de regel vanzelf overgaat, ook als een bacterie de oorzaak is. Van alle voorschriften aan patiënten met zo’n episode was 80% een antibioticum; bijna 6% van de patiënten kreeg verzachtende oogdruppels, zoals kunsttranen. Huisartsen schreven nauwelijks antivirale oogmedicatie voor [Rietveld 2004c].
Gegevens uit de Nederlandse huisartsenpraktijk waarin oogtraumata worden gedifferentieerd naar de aard van het trauma werden niet aangetroffen.
In een Noors onderzoek, uitgevoerd tussen maart 1988 en april 1990 bij patiënten (leeftijd 0-86 jaar) met het beeld van een infectieuze conjunctivitis, vond men bij 47% van de patiënten een bacteriële verwekker [Horven 1993]. In een Canadees onderzoek, uitgevoerd tussen 1995 en 1998 bij patiënten (leeftijd 2-85 jaar) met een rood oog en (muco)purulente afscheiding, werd bij 19% van de patiënten een bacteriële verwekker gekweekt [Jackson 2002]. In een Nederlands onderzoek, uitgevoerd tussen 1999 en 2002 bij volwassen patiënten met een rood oog en (muco)purulente afscheiding of dichtgeplakte oogleden, isoleerde men bij 32% een bacteriële verwekker [Rietveld 2005a]. Op grond van deze onderzoeken kan geconcludeerd worden dat aan minder dan de helft van de infectieuze conjunctivitiden een bacteriële verwekker ten grondslag ligt.
In een recenter onderzoek in het Verenigd Koninkrijk naar het effect van chlooramfenicol-oogdruppels bij kinderen (0,5-12 jaar) met het klinische beeld van een acute infectieuze conjunctivitis in een eerstelijnspopulatie, werd bij 261 (80%) van de 326 kinderen een pathogeen micro-organisme gekweekt: bij 217 kinderen (67%) werden een of meer pathogene bacteriën gevonden, bij 9 kinderen (3%) alleen een virus en bij 34 kinderen (10%) zowel een bacterie als een virus [Rose 2005].
In een systematisch literatuuronderzoek naar de betekenis van klachten en symptomen voor de diagnostiek van acute infectieuze conjunctivitis bleek goed onderzoek te ontbreken op grond waarvan bewezen kan worden dat purulente afscheiding een bruikbaar criterium is voor het onderscheid tussen een virale en een bacteriële conjunctivitis [Rietveld 2004b]. (Zie ook Noot 28.)
In een multicentrisch cohortonderzoek onder 184 volwassenen met een rood oog en (muco)purulente afscheiding of aan elkaar geplakte oogleden en die géén contactlenzen droegen, werd de kans op een positieve bacteriekweek bij verschillende combinaties van indextestresultaten onderzocht. De logistische regressieanalyse liet zien dat het best haalbare diagnostische onderscheid is te maken op grond van de combinatie van de volgende drie kenmerken: dichtgeplakte oogleden bij het wakker worden, jeuk en een voorgeschiedenis met conjunctivitis. Aanwezigheid van het eerste verschijnsel vergroot de waarschijnlijkheid van bacteriële conjunctivitis; aanwezigheid van de andere twee kenmerken pleit tegen een bacteriële oorzaak. Bij de combinatie van dichtgeplakte oogleden ’s morgens, het ontbreken van jeuk en het ontbreken van eerdere episoden van conjunctivitis in de voorgeschiedenis, is de kans op een bacteriële verwekker 77%. Wanneer een patiënt geen dichtgeplakte ogen heeft, wel jeuk en al eerder een vergelijkbare oogontsteking doormaakte, is de kans op een bacteriële verwekker daarentegen slechts 4% [Rietveld 2004a, Rietveld 2005b]. (Zie ook Noot 28.)
Het aandeel van streptokokken is in gemengde eerstelijnspopulaties (kinderen en volwassenen) lager (23%), terwijl het aandeel van H. influenzae hoger is (30%). Stafylokokkenspecies veroorzaken in deze populatie 26% van de bacteriële conjuntivitiden. Het aandeel van andere gramnegatieve bacteriën is in deze gemengde populatie ook laag.
Recent werd in een eerstelijnspopulatie bij kinderen van 0,5-12 jaar met het klinische beeld van een acute infectieuze conjunctivitis een andere verdeling gevonden: in ongeveer 60% van de gevallen H. influenzae, in ongeveer 20% van de gevallen S. pneumoniae en in ongeveer 10% van de gevallen M. catarrhalis. Wat betreft de virussen vond men een adenovirus en/of picornavirus. Chlamydia trachomatis en het herpes-simplex-virus werden bij geen enkel kind aangetroffen [Rose 2005].
S. aureus, S. pneumoniae en H. influenzae veroorzaken een acute conjunctivitis, met matige roodheid en afscheiding en milde chemose; preauriculaire adenopathie ontbreekt doorgaans. Conjunctivitis ten gevolge van andere stafylokokkenspecies en Moraxella hebben doorgaans een chronischer beloop; dit type conjunctivitis gaat nogal eens gepaard met blefaritis [Horven 1993, Donahue 1996, Ng 1996, Morrow 1998, Jackson 2002, Rietveld 2005a]. Een chronische conjunctivitis kan ook het gevolg zijn van een chlamydia-infectie.
Neisseria gonorrhoeae kan bij neonaten binnen 24-72 uur na de geboorte een hyperacute uni- of bilaterale conjunctivitis veroorzaken, met een grote hoeveelheid purulente afscheiding, oedeem van de conjunctivae, ooglidoedeem en gevoelige preauriculaire lymfeklieren. Er kan een snelle progressie optreden naar keratoconjunctivitis en cornea-ulceratie.
Een neonatale C. trachomatis-conjunctivitis ontstaat gewoonlijk op de vijfde dag na de geboorte (incubatietijd 3-12 dagen). Neonatale chlamydia-conjunctivitis is vaak geassocieerd met neonatale pneumonie, waardoor systemische behandeling noodzakelijk is [Ng 1996, Donahue 1996].
In een Japans onderzoek, uitgevoerd in de periode 1985-1994 bij patiënten met een klinisch vermoeden van virale conjunctivitis (zoals epidemische keratoconjunctivitis, acute hemorragische conjunctivitis, faryngoconjunctivale koorts en acute folliculaire conjunctivitis), bleek het adenovirus (verschillende serotypen) verantwoordelijk voor 75% van de infecties. De overige infecties werden veroorzaakt door C. trachomatis (54%), het herpes-simplex-virus (41%) en het enterovirus 70 (5%) [Saito-Inagawa 1999]. In een ander Japans onderzoek werden bij patiënten met een acute folliculaire conjunctivitis de volgende verwekkers geïsoleerd: het adenovirus (ruim 80%), C. trachomatis (ruim 5%) en het herpes-simplex-virus type I (bijna 5%) [Uchio 2000]. Zeldzamer voorkomende virale verwekkers van (kerato)conjunctivitis zijn het mazelenvirus, het bofvirus, influenzavirussen, het rubellavirus en het herpes-zoster-virus.
Als de infiltraten na drie maanden nog aanwezig zijn, is het waarschijnlijk dat ze gedurende jaren zullen persisteren; dit rechtvaardigt verwijzing naar de oogarts [Kaufman 2000].
Hoewel een herpes-simplex-infectie uiteenlopende afwijkingen in het oog kan veroorzaken, beperkt de infectie zich in ongeveer tweederde van de gevallen tot een folliculaire conjunctivitis, al of niet in combinatie met een blefaritis. Als het virus tevens de cornea infecteert, kan dit leiden tot de vorming van littekens die – vooral als ze centraal gelegen zijn – de visus ernstig kunnen verminderen [Monnickendam 1988, Darougar 1985].
In follow-uponderzoek onder 346 patiënten met een actieve herpes-simplex-virusinfectie (HSV-infectie) van het oog in het voorafgaande jaar, werd onderzocht in hoeverre een eerdere HSV-keratitis een risicofactor was voor recurrente infecties. Daarbij bleek een eerdere keratitis die beperkt bleef tot het cornea-epitheel, geen risicofactor te zijn voor recurrente epitheliale infecties, maar één en vooral herhaalde stroma-infecties verhoogden het risico van recidief stroma-infecties met de factor 10. Het risico was sterk gerelateerd aan het aantal voorafgaande episoden. Leeftijd, geslacht, etniciteit en niet-oculaire herpes waren niet significant geassocieerd met herhaalde infecties; er werden geen seizoensinvloeden waargenomen [Herpetic eye disease study group 2001].
In een prospectief multicentrisch onderzoek in Frankrijk, uitgevoerd in de periode september tot december 2002, was de incidentie van herpes-simplex-keratitis onder patiënten die naar een oogarts werden verwezen 31,5/100.000 persoonjaren (95%-BI 25,5-37,5); in 58% betrof het een recidief (18,3/100.000 persoonjaren) (95%-BI 14,6-22,1) [Labetoulle 2005].
Een vergelijkbaar recidiefpercentage werd gevonden in een onderzoek naar de incidentie van ‘keratitis dendritica’ onder patiënten die gedurende een onderzoeksperiode van twee jaar een oogarts bezochten in een regio met 446.000 inwoners. De gevonden incidentie was 12/100.000 per jaar; bij 50% van de patiënten betrof het een ipsilateraal recidief [Mortensen 1979].
Op basis van deze epidemiologische gegevens kan niet exact worden bepaald hoe groot de kans is op een recidief herpeskeratitis. Na een keratitis dendritica is het risico op een klinisch manifest recidief mogelijk lager dan na een keratitis geographica of na een stromale keratitis. Bij de voorlichting is het belangrijk de patiënt te informeren over het risico op een recidiefinfectie. Als een patiënt vraagt naar de hoogte van dit risico, kan de arts aangeven dat dit niet exact bekend is, maar in de orde ligt van 50%.
In een Zwitsers onderzoek onder 509 patiënten die in het pollenseizoen de arts bezochten met rhinoconjunctivitis en hiervoor nog niet werden behandeld, ging men de klachtenverdeling en de ernst van de symptomen na. Conjunctivitis werd gediagnosticeerd bij 93,3% van de patiënten (in 8% van de gevallen geïsoleerd, dat wil zeggen zonder rhinitis) en rhinitis bij 92% (in 6,7% van de gevallen geïsoleerd, dat wil zeggen zonder conjunctivitis). In de groep met rhinitis werden de klachten door meer patiënten als ernstig ervaren dan in de groep met conjunctivitis en in de groep met rhinoconjunctivitis. 24,4% van de patiënten had ook astmasymptomen (die mild waren in 43,9%, matig in 48% en ernstig in 8,1% van de gevallen). Wat betreft de belangrijkste hooikoortssymptomen (uitgezonderd astma) overheerste conjunctivitis bij 22,4% van de patiënten, rhinitis bij 24,6% en beide bij 53%.
De leeftijdsverdeling van patiënten met een geïsoleerde conjunctivitis volgde een bimodaal patroon, met een eerste piek rond 15-jarige leeftijd en een tweede piek rond 35-40-jarige leeftijd.
Bij patiënten met ‘geïsoleerde’ rhinitis-klachten kwam vaker gelijktijdig astma voor dan bij patiënten met geïsoleerde conjunctivitis.
Jongere patiënten hadden vaker een geïsoleerde conjunctivitis, terwijl astma vaker werd gezien bij oudere patiënten met hooikoorts. Dit suggereert dat de hooikoortssymptomatologie verschuift met de leeftijd: van conjunctivitis bij kinderen, via rhinoconjunctivitis en rhinitis in combinatie met astma in de oudere leeftijdsgroepen [Wüthrich 1998].
Naast de ‘benigne’ vormen van allergische conjunctivitis wordt een aantal ernstiger, maar veel minder frequent voorkomende typen allergische conjunctivitis onderscheiden: atopische keratoconjunctivitis, keratoconjunctivitis vernalis en ‘giant papillary conjunctivitis’ [Bielory 2000, Fonacier 2001, Solomon 2001, Strauss 2002].
Atopische keratoconjunctivitis (AKC) is een chronisch ontstekingsproces van beide ogen. Het begint rond 20-jarige leeftijd en duurt doorgaans tot 50- à 60-jarige leeftijd. Meer dan 95% van de patiënten met AKC heeft (een voorgeschiedenis van) eczeem en 87% heeft (een voorgeschiedenis van) astma. AKC wordt onder andere gekenmerkt door papillaire hypertrofie van de onderste oogleden, verdikte randen van de oogleden (blefaroconjunctivitis) en periorbitaal eczeem. De klachten bestaan uit jeuk, tranen en een branderig gevoel in de ogen en zijn het hele jaar aanwezig, maar bij veel patiënten verergeren ze in de winter of zomer en na contact met allergenen zoals huisstofmijt, dierlijke schilfers en bepaalde voedingsbestanddelen. Tijdens exacerbaties is de conjunctiva rood geïnjecteerd, in rustiger fases bleek. Als de cornea is aangedaan, in de vorm van keratitis punctata, neovascularisatie, cornea-ulceraties en verlittekening, kan dit leiden tot ernstig visusverlies.
Keratoconjunctivitis vernalis is een ernstige, bilaterale ontsteking van conjunctiva en cornea. Men onderscheidt een palpebrale en een limbale vorm; de eerste vorm komt in Nederland het meest voor. De aandoening treedt vooral op bij kinderen met atopische verschijnselen in de voorgeschiedenis, begint doorgaans vóór de puberteit, komt tweemaal zo vaak voor bij jongens als bij meisjes (na de puberteit verdwijnt dit geslachtsverschil) en vaker bij patiënten van Aziatische of Afrikaanse herkomst. Het beeld heeft een chronisch recidiverend beloop, met exacerbaties die starten in het voorjaar (‘vernal catarrh’) en dooft meestal vier tot tien jaar na het begin uit. De ontsteking wordt gekenmerkt door seizoensgebonden heftige jeuk – die verergert door wind/warmte/stof/schel licht – lichtschuwheid, corpus-alienum-gevoel, tranen en papillaire hypertrofie van de conjunctiva van het bovenste ooglid (hetgeen in persisterende vormen leidt tot grote ‘cobblestone’ papillen). Vrijwel altijd is ook het hoornvlies bij het ziekteproces betrokken; ulceraties en degeneratieve veranderingen van de cornea kunnen daarbij leiden tot visusverlies/blindheid.
Giant papillary conjunctivitis is een reversibele aandoening die waarschijnlijk berust op een allergische reactie op allergeenneerslagen op contactlenzen (of een ander langdurig aanwezig vreemd lichaam). De ontsteking komt voor bij 1 tot 5% van de dragers van harde contactlenzen en bij ongeveer 10 tot 15% van de dragers van zachte contactlenzen. De verschijnselen bestaan uit jeuk en tranen, en bij meer chronische vormen uit een viskeuze afscheiding, contactlensintolerantie en typische ‘giant papillae’ van de tarsale conjunctiva van het bovenste ooglid. Tijdens het pollenseizoen is er een toename van klachten.
In een cross-sectioneel prevalentieonderzoek onder vrouwen die deelnamen aan de Women's Health Study in de Verenigde Staten (n=39.876) nam de prevalentie van ‘een klinisch gediagnosticeerd droge-ogensyndroom of ernstige klachten van droge ogen’ toe met de leeftijd: van 5,7% bij vrouwen jonger dan 50 jaar tot 9,8% bij vrouwen van 75 jaar of ouder [Schaumberg 2003].
Het idee bestaat dat het probleem zich vaker voordoet bij vrouwen dan bij mannen, maar hierover zijn geen harde gegevens voorhanden.
Ook neurologische aandoeningen, verlittekening van de conjunctiva, gestoorde ooglidsluiting, vitamine-A-deficiëntie en geneesmiddelen die de traansecretie verminderen zoals parasympathicolytica, neuroleptica, antidepressiva, bètablokkers, antihistaminica, cytostatica en acetylsalicylzuur kunnen de oorzaak zijn van droge ogen [Albietz 2001].
Klinisch manifeste droge ogen zullen zich bij contactlensdragers vooral voordoen wanneer al afwijkingen van de traanfilm of van het oogoppervlak aanwezig waren [Lemp 2003].
Bij een laserbehandeling van een refractieafwijking ontstaat beschadiging van de sensorische innervatie van de cornea, wat leidt tot verstoring van de normale feedback naar de traanklier en resulteert in een verminderde traanproductie. Dit kan klachten van droge ogen veroorzaken of verergeren. De prognose is gunstig: na zes tot twaalf maanden zijn de klachten doorgaans verdwenen [Ang 2001, Jabbur 2004].
Men veronderstelt dat verschillende etiologische mechanismen kunnen leiden tot (verschillende vormen van) blefaritis: zowel infectieuze ontstekingsprocessen (kolonisatie met S. aureus) als niet-infectieuze ontstekingsprocessen (zoals seborroïsch eczeem) en combinaties van beide kunnen een rol spelen [Schers 1995, Seal 1995].
Predisponerende factoren voor een subconjunctivale bloeding zijn: fragiele vaten, stollingsstoornissen en het gebruik van anticoagulantia [Leibowitz 2000].
Scleritis is net als episcleritis nogal eens geassocieerd met systeemaandoeningen. Scleritis is een, meestal eenzijdige, ontsteking van de dieper gelegen sclera, die zich doorgaans kenmerkt door een focale of diffuse blauwrode verkleuring van het oog, matige tot hevige pijn in het oog, met uitstraling in het verzorgingsgebied van de eerste trigeminustak en drukpijn.
In sommige gevallen treedt er bij scleritis geen vaatinjectie/roodheid op, maar wordt de sclera geleidelijk dunner, hetgeen resulteert in een blauwe gloed. Op basis van lokalisatie en type ontstekingsreactie onderscheidt men verschillende soorten scleritis. Twee prognostisch ongunstige vormen zijn scleritis posterior en necrotiserende scleritis. Deze patiënten klagen over hevige, in intensiteit toenemende pijn. Een uitpuilend oog (proptosis bulbi), pijnlijke en verminderde oogbewegingen en retractie van het onderste ooglid bij het naar boven kijken, wijzen op scleritis posterior. Necrotiserende scleritis is bijna altijd geassocieerd met een auto-immuunziekte; bij een scleritis posterior zou dit bij 10 tot 45% van de patiënten het geval zijn [Denk 1997].
In een retrospectief onderzoek onder 243 patiënten met scleritis werd de relatie nagegaan met geassocieerde medische aandoeningen en het moment waarop deze diagnosen werden gesteld. 44% had een geassocieerde medische aandoening: 7% had een infectie (4,5% herpes zoster) en 37% een reumatische aandoening (15,2% reumatoïde artritis). Van de 107 patiënten met een onderliggende ziekte was deze aandoening bij 77,6% al gediagnosticeerd voordat de scleritis optrad; bij 14,0% kwam de aandoening aan het licht bij het onderzoek naar aanleiding van de optredende scleritis, dit was vooral het geval bij systemische vasculitis; bij 8,4% ontwikkelde de aandoening zich tijdens de follow-up van de scleritis.
Omdat vasculitis een potentieel levensbedreigende aandoening is, wordt geconcludeerd dat men bij de diagnostische evaluatie van scleritis hier actief naar moet zoeken [Akpek 2004].
In een retrospectief onderzoek onder 100 patiënten (gemiddelde leeftijd 43 jaar; spreiding 18-76 jaar; 69% vrouwen) die een oogziekenhuis bezochten met episcleritis (waarvan 32% bilateraal), analyseerde men de correlatie tussen enerzijds het type ontsteking, het optreden van recidieven en complicaties en anderzijds de aanwezigheid van systemische aandoeningen. Tijdens de follow-up (gemiddeld 16,5 maand) hadden 28 patiënten een recidief. Bij 36% van de patiënten werd een systemische aandoening gevonden: 12 patiënten met atopie, 5 met psoriasis, 4 met reumatoïde artritis, 4 met een chronisch inflammatoire darmziekte, 4 met SLE, 3 met myositis, 3 met polychondritis, 2 met erythema nodosum, 1 met Wegener-granulomatose en 1 met het syndroom van Cogan. Er werd géén significante correlatie gevonden tussen enerzijds de lokalisatie, ernst en recidivering van de ontsteking en anderzijds de aanwezigheid van systemische aandoeningen.
In diverse gevallen werden gelijktijdig optredende oogaandoeningen gerapporteerd: keratitis (15%), uveïtis (11,4%) en glaucoom (7,8%). Deze kwamen vaker voor bij patiënten met recidiverende episcleritis. Bij slechts 0,3% van de patiënten was er sprake van progressie van de episcleritis tot scleritis [Akpek 1999].
Hoewel men bij iridocyclitis rekening moet houden met het feit dat er sprake is van een van deze aandoeningen als onderliggende oorzaak, wordt geschat dat iridocyclitis in ongeveer de helft van de gevallen idiopathisch optreedt [Beaver 2001].
Naast een kort, hypermetroop oog zijn hogere leeftijd (met een toename van de lensdikte en bindweefseltoename in het corpus ciliaire en het trabekelsysteem), plotselinge pupilverwijding (donkeradaptatie, medicamenteus, stress) en Aziatische afkomst predisponerende factoren voor acuut glaucoom.
De term ‘alarmsymptoom’ wordt gebruikt om aan te geven dat de huisarts in voorkomende gevallen extra alert moet zijn op ernstige, visusbedreigende aandoeningen. Er zal niet altijd een ernstige oogaandoening in het spel zijn, zoals bij keratoconjunctivitis fotoelectrica (onbeschermd lassen, zonnebank) en een corpus alienum: onschuldige aandoeningen die gepaard kunnen gaan met pijn en lichtschuwheid. Het ontbreken van alarmsymptomen sluit een aandoening van de cornea of van de voorste oogkamer met grote waarschijnlijkheid uit, maar de aanwezigheid ervan is allerminst bewijzend voor dergelijke aandoeningen.
Oogdruppelverpakkingen voor eenmalig gebruik zijn in de handel onder de namen ‘minim’ en ‘monofree’. De term ‘minim’ wordt in de praktijk als algemene naam gebruikt; in deze standaard wordt dit ook als zodanig gehanteerd. Minims bevatten geen conserveermiddelen. De conserveermiddelen van in flesjes bewaarde anesthetica kunnen aanleiding geven tot allergische reacties. Daarnaast is er kans op contaminatie, vooral indien de inhoud van het flesje langer dan één maand na openen wordt gebruikt.
Bij onderzoek met doorvallend licht kunnen vooral mediatroebelingen worden gezien; hierbij staat de onderzoeker in een schemerdonkere ruimte vóór de patiënt en richt hij met de fundoscoop in fundusstand een lichtbundel in de pupilopening. De onderzoeker kijkt daarbij door de fundoscoop (meestal ingesteld op +3 dioptrie). Indien het onderzoek met doorvallend licht plaatsvindt in het kader van het onderzoek van het rode oog, is pupilverwijding niet noodzakelijk.
Bij onderzoek met een ‘penlight’ (en loep), met zijdelingse of opvallende belichting, kan men de cornea en de voorste oogkamer beter beoordelen. Beoordeling van de diepte van de voorste oogkamer kan met een ‘penlight’ of met het spleetlichtje op de oftalmoscoop (zijdelingse belichting).
Met de spleetlamp verkrijgt men gedetailleerde informatie over de cornea, de voorste oogkamer, de iris en de lens. De aanwezigheid van ontstekingscellen in de voorste oogkamer kan doorgaans niet zonder spleetlamp worden aangetoond, tenzij zich een leukocytenneerslag (hypopyon) heeft gevormd.
Men kan ook een eenvoudige handspleetlamp gebruiken, die als apart opzetstuk op het handvat van de oogspiegel geplaatst kan worden [Stilma 2002]. Deze methode is echter minder betrouwbaar, terwijl de gemiddelde huisarts voor een adequate beoordeling van de waarnemingen over te weinig routine beschikt.
In een prospectief cross-overonderzoek vergeleek men bij 98 patiënten die een oogkliniek bezochten met een recent ontstaan rood oog, de diagnostische accuratesse van spleetlamponderzoek met directe oftalmoscopie. In 71% van de gevallen kwamen de diagnosen exact overeen; bij alle potentieel visusbedreigende aandoeningen werd met directe oftalmoscopie de diagnose correct gesteld en/of een adequate behandeling ingesteld [Anderson 1998].
Zonder spleetlamponderzoek kunnen beginnende uitingen van keratitis en iridocyclitis gemakkelijk worden gemist. Een spleetlamp is echter kostbaar en de vaardigheid om het apparaat te hanteren is (nog) niet wijdverbreid onder huisartsen [Baggen 2004]. De werkgroep beschouwt spleetlamponderzoek door de huisarts daarom als een facultatieve diagnostische optie.
In diverse regio’s kan de huisarts patiënten met een rood oog, wanneer twijfel bestaat of er iets ernstigs aan de hand is, voor spleetlamponderzoek naar een optometrist verwijzen.
Strookjes verdienen de voorkeur boven druppels omdat het diagnostische beeld bij gebruik van strookjes doorgaans beter is (een eventueel epitheeldefect kleurt scherper aan) en wegens de kans op contaminatie van oogdruppels met Pseudomonas. Fluoresceïneoogdruppels zijn na opening van het flesje slechts enkele dagen houdbaar, terwijl de boekjes met fluoresceïnestrips, mits droog bewaard, jaren houdbaar zijn. Fluoresceïne-minims zijn duur in vergelijking met de strookjes. Bovendien is bij gebruik van druppels de kans op vlekken in de kleding van de patiënt groter.
Onderzoek van de sensibiliteit van de cornea, meting van de oogdruk en fundoscopie worden niet aanbevolen.
Onderzoek van de sensibiliteit van de cornea berust op vergelijking van de snelheid van de knipperreflex links en rechts na aanraking van de cornea met een tot een punt gedraaid watje. Identieke uitvoering bij beide ogen is noodzakelijk maar lastig, waardoor gemakkelijk verkeerde interpretaties van het onderzoek voorkomen. Ook bij een correcte uitvoering is de voorspellende waarde van de test voor de aanwezigheid van een herpes-simplex-keratitis vermoedelijk niet groot. Zo sluit een ongestoorde corneasensibiliteit de aandoening niet uit, terwijl sensibiliteitsvermindering veelvuldig voorkomt bij dragers van contactlenzen.
Een verhoogde oogdruk ontstaat meestal geleidelijk en gaat in dat geval niet gepaard met een rood of pijnlijk oog. Als de oogdruk in korte tijd snel oploopt, is er sprake van acuut glaucoom: een ernstig ziektebeeld dat – naast roodheid van het oog – onder andere wordt gekenmerkt door hevige diepe oogpijn, visusvermindering, pupilverwijding en troebeling van de cornea. Dit zeldzame ziektebeeld kan men ook zonder oogdrukmeting herkennen. Door palpatie van beide ogen kan men een indruk krijgen van (een links-rechtsverschil in) de oogboldruk.
Beoordeling van de oogfundus levert geen relevante bijdrage aan de diagnostiek van het rode oog.
Een recent systematisch literatuuronderzoek liet zien dat er geen goed onderzoek is op grond waarvan bewezen kan worden dat bepaalde klachten en symptomen diagnostische waarde hebben bij het onderscheid tussen een virale en bacteriële conjunctivitis [Rietveld 2004c]. Uit een door dezelfde auteurs verricht onderzoek onder patiënten die met het beeld van een infectieuze conjunctivitis de huisarts bezochten, blijkt dat de combinatie van een drietal anamnestische gegevens een bacteriële oorzaak meer of minder waarschijnlijk maakt [Rietveld 2004a, Rietveld 2004b, Rietveld 2005b]. Deze drie anamnestische gegevens zijn: het al of niet dichtgeplakt zitten van de oogleden bij het wakker worden, het al of niet optreden van uitgesproken jeuk en het al of niet eerder doorgemaakt hebben van een conjunctivitis (tabel 2). (NB: gevraagd werd naar het eerder doorgemaakt hebben van een vergelijkbare oogontsteking.) Hun analyse leidde tot negen diagnostische categorieën, met elk hun eigen kans op het voorkomen van een positieve kweekuitslag. Hoewel dit model nog niet gevalideerd is, lijkt het erop dat de huisarts aan de hand van klachten en symptomen de kans op een bacteriële oorzaak meer of minder waarschijnlijk kan maken.
Tabel 2 Resultaten van logistische regressieanalyse. Onafhankelijke indicatoren van positieve bacteriekweek
| Indicator | Oddsratio (95%-BI) |
| Twee dichtgeplakte ogen | 14,99 (4,4-51,5) |
| Eén dichtgeplakt oog | 2,96 (1,0-8,5) |
| Jeuk | 0,54 (0,3-1,1) |
| Eerder doorgemaakte conjunctivitis | 0,31 (0,1-1,0) |
De Schirmer-test zou vooral de hoeveelheid traanvocht meten. Bij deze test wordt een strookje filtreerpapier in de onderste conjunctivazak gehangen, zodat het traanvocht in het filtreerpapier kan zakken. Waarden <5 mm per 5 minuten zijn suggestief voor een droog oog. Bij een grenswaarde van 5 mm is de uitslag in 16% van de gevallen fout-positief en in 16% van de gevallen fout-negatief.
De ‘break-up time’ zou een maat zijn voor de kwaliteit van de traanfilm. De ‘break-up time’ is het tijdsverloop tussen de laatste lidslag en het ontstaan van droge plekken op de cornea, hetgeen wordt beoordeeld bij blauw licht na fluoresceïnekleuring. Droge plekken worden zichtbaar als zwarte strepen of banden op de cornea. Normaal is de ‘break-up time’ 15 tot 25 seconden. Deze tijd wordt korter met het vorderen van de leeftijd. Waarden <10 seconden beschouwt men als pathologisch en wijzen op traanfilminstabiliteit, waardoor klachten van een keratoconjunctivitis sicca kunnen ontstaan. De reproduceerbaarheid van de ‘break-up time’ is echter niet groot: de intra-individuele variatiecoëfficiënt is 30%.
Op grond van bovenstaande cijfers is het onduidelijk of de Schirmer-test en de bepaling van de ‘break-up time’ voordelen opleveren ten opzichte de diagnostiek van keratoconjunctivitis sicca op basis van anamnese en ooginspectie. Ook in twijfelgevallen kan men overgaan op proefbehandeling met kunsttranen [Hollwich 1989, Stilma 2002, Stolwijk 1991].
In het algemeen geldt dat contactlenzen moeten worden verwijderd vóór toediening van oogdruppels. Ongeveer 15 minuten na toediening kunnen (harde) lenzen weer worden ingebracht. Het grootste deel van de druppels is dan verdwenen, zodat er weinig kans is dat bestanddelen uit de oogdruppels zich in de lenzen ophopen. Bij zachte lenzen en bij frequent gebruik van oogdruppels is het risico op ophoping groter; in een dergelijk geval kan de patiënt de lenzen beter helemaal niet dragen.
In een Cochrane-review is het effect beschreven van antibiotica ten opzichte van placebo bij suspecte bacteriële conjunctivitis in tweedelijnspopulaties [Sheikh 2001]. Er werden drie onderzoeken in de meta-analyse geïncludeerd: een onderzoek van Gigliotti uit 1984 onder 24 patiënten in de interventiegroep (polymyxine/bacitracine) en 32 patiënten in de placebogroep; een onderzoek van Leibowitz uit 1991 onder 140 patiënten in de interventiegroep (ciprofloxacine of tobramycine) en 37 patiënten in de placebogroep; een onderzoek van Miller uit 1992 onder 143 patiënten in de interventiegroep (norfloxacine) en 141 patiënten in de placebogroep. Geconcludeerd wordt dat lokaal toegediende antibiotica, in vergelijking met placebo, de genezing binnen twee tot vijf dagen met 31% verbeteren; RR 1,31 (95%-BI 1,11-1,55). Na zes tot tien dagen is dit effect kleiner; RR 1,27 (95%-BI 1,00-1,61).
In een gerandomiseerd, dubbelblind, placebo-gecontroleerd onderzoek in een eerstelijnspopulatie in het Verenigd Koninkrijk naar het effect van chlooramfenicol-oogdruppels bij kinderen van 0,5-12 jaar (n=326) met het klinische beeld van een acute infectieuze conjunctivitis, vond men een niet-significant verschil in genezingssnelheid en klinisch herstel na zeven dagen [Rose 2005]. Zeven dagen na het begin van de behandeling waren in de chlooramfenicolgroep 140 (86%) van de 162 kinderen klinisch hersteld en in de placebogroep 128 (83%) van de 155 kinderen (risicoverschil 3,8%; 95%-BI –4,1-11,8). In de subgroep van kinderen bij wie alleen een pathogene bacterie werd gekweekt, was na zeven dagen in de chlooramfenicolgroep 85% genezen en in de placebogroep 80%.
Aan de hand van het klachtendagboek dat gedurende de behandeling door de ouders werd bijgehouden, bleek dat er van dag twee tot dag zeven een constant verschil in genezingssnelheid was van 0,3 dagen ten gunste van de chlooramfenicolgroep.
Hoewel er tussen beide groepen een significant verschil bleek te zijn in bacteriële eradicatie na zeven dagen (40% in de chlooramfenicolgroep en 23% in de placebogroep), was er in de follow-upperiode van zes weken geen significant verschil in het recidiefpercentage: in de chlooramfenicolgroep trad bij zeven kinderen (4%) opnieuw een conjunctivitis op, in de placebogroep bij vijf kinderen (3%).
De onderzoekers concluderen dat bij de meeste kinderen vanaf 0,5 jaar met een acute infectieuze conjunctivitis geen antibiotische behandeling nodig is. Zij benadrukken echter dat het veel voorlichting vergt en een verandering van het huidige uitsluitingbeleid van kinderen met een conjunctivitis op crèches (en scholen) voordat een terughoudender voorschrijfbeleid kan worden ingevoerd.
Het effect van niet behandelen op de transmissie (hetgeen vermoedelijk vooral speelt bij kinderen jonger dan 5 jaar) is overigens niet bekend; onderzoek hiernaar wordt bepleit.
Ook behandeling met povidonjodium-oogdruppels kan worden overwogen, met als belangrijkste voordeel dat hiermee resistentieontwikkeling tegen antibiotica niet verder in de hand wordt gewerkt. Praktische nadelen zijn echter dat povidonjodium-oogdruppels zeer beperkt houdbaar zijn en in de apotheek moeten worden bereid.
In de internationale literatuur zijn in totaal tien patiënten beschreven met irreversibele, fatale beenmergremming na oogheelkundige toediening van chlooramfenicol. Daarbij varieerde de blootstelling aan het middel van veertig dagen tot langer dan een jaar [Polak 2002]. Er zijn geen gegevens die erop wijzen dat oogheelkundig gebruik van chlooramfenicol gedurende een periode die beperkt blijft tot twee weken leidt tot ernstige systemische bijwerkingen.
Volgens een morbiditeitsregistratie van 400 huisartsenpraktijken in het Verenigd Koninkrijk werden in een periode van ruim zeven jaar aan 442.543 patiënten 647.148 recepten voor chlooramfenicol-oogdruppels voorgeschreven. Drie patiënten ontwikkelden in de drie maanden na het voorschrift een ernstige aplastische anemie of pancytopenie. Bij één patiënt was de overige medicatie (lamotrigine en fenytoïne) een waarschijnlijker oorzaak. Bij een andere patiënt (60 jaar, levercirrose) werd 71 dagen na een eenmalig chlooramfenicol-voorschrift pancytopenie geconstateerd, overigens zonder klinische verschijnselen. De auteurs concluderen op grond van dit onderzoek dat het risico op ernstige hematologische complicaties bij gebruik van chlooramfenicol-oogdruppels klein is en dat gebruik bij oogontstekingen veilig, goedkoop en effectief is [Lancaster 1998].
Met de oogzalf wordt de minimaal benodigde traanvochtconcentratie van 1 mg/l chlooramfenicol gemakkelijker bereikt en langduriger gehandhaafd dan met oogdruppels 0,5%. Deze grenswaarde werd gemeten tot 5 minuten na eenmalige toediening van de druppels en tot 2 uur na toediening van de zalf [Hanna, 1978]. Op grond van deze farmacokinetische gegevens is een behandeling met chlooramfenicol-zalf waarschijnlijk ten minste zo effectief als een behandeling met oogdruppels. Het nadeel van het gebruik van oogzalf overdag is wazig zien en een brijige vermenging met de afscheiding.
Op theoretische gronden en op grond van de prijs zou tetracycline een goede tweede keus zijn. De werkgroep realiseert zich echter dat er praktische bezwaren kleven aan oogheelkundig gebruik van tetracycline. Tetracycline is buiten de koelkast slechts beperkt houdbaar en het moet om die reden apart worden bereid, wat regelmatig problemen oplevert, vooral in weekenden. In verband met deze gebruiks- en afleverongemakken wordt het in veel regio’s dan ook nauwelijks voorgeschreven.
In de Nederlandse huisartsenpraktijk is in de periode 1999-2002 een trial uitgevoerd naar het effect van fusidinezuur ten opzichte van placebo (Vidisic) bij volwassen patiënten met een rood oog en mukeuze/purulente afscheiding, of met een rood oog en dichtgeplakte oogleden. De belangrijkste exclusiecriteria waren: langer dan één week klachten, het dragen van contactlenzen en alarmsymptomen (bijvoorbeeld pijn in oogbol, acute visusdaling of ciliaire roodheid). Deze patiënten werden dubbelblind gerandomiseerd naar fusidinezuur of placebo en na een week werd de genezing beoordeeld. Er werden 181 patiënten ingesloten, waarvan er 163 geanalyseerd werden. Na 1 week was er geen verschil in genezing tussen de fusidinezuurgroep en de placebogroep: 62 versus 59%, absoluut risicoverschil (gecorrigeerd voor leeftijd) 5,3% (95%-BI –11 tot +18). Er was geen verschil in de mediane duur van de klachten tijdens de zeven dagen dat de patiënten gevolgd werden. Hoewel niet significant, lijkt er wel een verschil te zijn in klinisch effect van de behandeling bij patiënten met een positieve kweek en bij patiënten met een negatieve kweek: absoluut risicoverschil 23% (95%-BI –6 tot +42). Het verschil in bacteriële eradicatie en bijwerkingen was significant: absoluut risicoverschil respectievelijk 35% (95%-BI 9-60) en 10,4% (95%-BI 1,6-19,1). Hieruit kan geconcludeerd worden dat het meest voorgeschreven antibioticum, fusidinezuur, niet werkzaam lijkt in de huisartsenpraktijk. Bacteriële conjunctivitiden zijn overwegend ‘self limiting’; onthouding van topicale antibiotica leidt niet tot ernstige complicaties. In de placeboarmen van gerandomiseerde trials traden geen ernstige complicaties op. Bij een aangetoonde bacteriële verwekker lijkt een antibioticum de kans op eerdere genezing te vergroten.
In deze trial bleken alle gekweekte bacteriën, met uitzondering van S. aureus en S. epidermidis, resistent tegen fusidinezuur. Omdat slechts 20% van alle positieve kweken S. aureus betrof, moet fusidinezuur alleen nog worden voorgeschreven op geleide van een kweek. Alle bacteriën bleken gevoelig voor ciprofloxacine en de meeste voor chlooramfenicol, hoewel enkele stafylokokkenstammen intermediair gevoelig waren voor chlooramfenicol [Rietveld 2005a].
Diverse auteurs stellen dat behandeling van adenovirusinfecties, in welke vorm dan ook, de ernst van de symptomen niet vermindert en de duur van infectie niet bekort [Smolin 1983, Darell 1985, Gordon 2000]. In een gerandomiseerd onderzoek onder 74 patiënten met een epidemische keratoconjunctivitis bleek dat noch het gebruik van trifluridine, noch het gebruik van dexamethason of kunsttranen enige invloed had op het beloop van de infectie [Ward 1993]. Daarnaast werd in dit onderzoek tijdens een epidemie geen enkele maal een secundaire bacteriële infectie aangetoond, waaruit geconcludeerd kan worden dat profylaxe met antibiotica ter preventie van dergelijke infecties niet zinvol is.
Behalve een gunstig effect op het voorkomen van subepitheliale infiltraten lijken nieuwe antivirale middelen zoals cidofovir 1%-oogdruppels (in 2004 nog niet geregistreerd in Nederland), niet werkzamer dan placebo bij de behandeling van adenovirale keratoconjunctivitis [Gordon 2000, Hillenkamp 2002]. Ook povidonjodium bleek in een Filippijns onderzoek bij kinderen met een vermeende virale conjunctivitis net zo ineffectief als neomycine-polymyxine B-gramicidine [Isenberg 2002]. Symptomatische behandeling van virale conjunctivitis met ketorolac-oogdruppels, een NSAID, bleek niet effectiever dan placebo [Shiuey 2000]. Sympathicomimetica als nafazoline-, oxymetazoline- en fenylefrine-oogdruppels, veroorzaken door hun lokaal vasoconstrictieve werking decongestie van het oogslijmvlies. Vanwege de kans op het ontstaan van reactieve hyperemie mag men de druppels niet langer dan een week toepassen. Zinksulfaat heeft een zwak adstringerende en antiseptische werking; bij lichte conjunctivale hyperemie/irritatie kan het kortdurend worden toegepast. Het middel wordt niet vergoed [Commissie Farmaceutische Hulp 2005].
Een conjunctivitis die langer dan twee weken bestaat, kan te wijten zijn aan een bacteriële of virale infectie, een infectie met een gist, schimmel of C. trachomatis, allergische oorzaken, traanfunctiestoornissen en chronische irritatie [Rapoza 1990, Jones 2000].
Bij een conjunctivitis die langer dan een maand duurt en die gepaard gaat met follikel- en papilvorming, moet worden gedacht aan een chlamydia-infectie. De diagnose wordt met behulp van een gen-probe-test (DNA-amplificatietest) gesteld. De behandeling bestaat uit tetracycline of erytromycine-oogzalf/druppels, eventueel in combinatie met orale toediening van tetracycline, azitromycine of (bij kinderen) erytromycine gedurende veertien dagen [Solomon 2004, Commissie Farmaceutische Hulp 2005].
Van sommige antihistaminica, zoals ketotifen, azelastine en olopatadine, wordt geclaimd dat ze niet alleen een antihistaminerge werking hebben, maar ook een mestcelstabiliserende werking en bovendien de effecten van diverse ontstekingsmediatoren remmen. De antihistaminica met deze combinatie van werkingsmechanismen zouden effectiever zijn en een langere werkingsduur hebben dan de middelen met een enkelvoudige werking [Bielory 2002].
In een dubbelblind, gerandomiseerd multicentrisch onderzoek in Australië bij 519 patiënten (>11 jaar) met een seizoensgebonden allergische conjunctivitis werd het effect vergeleken van een vier weken durende behandeling met ketotifen, levocabastine en placebo (in de vorm van het ketotifen-vehiculum). De werving vond plaats via een mediacampagne. De diagnose werd gesteld op basis van de anamnese, een positieve RAST, matige tot ernstige jeuk in de ogen en bilaterale aanwezigheid van ten minste één van de volgende symptomen: conjunctivale hyperemie, conjunctivale zwelling, ooglidzwelling of tranen. De patiënten hielden tijdens de behandeling een klachtendagboek bij en gaven hun oordeel over het effect van de behandeling op jeuk en tranen na één week en na vier weken. Daarbij beoordeelden de onderzoekers de roodheid, de conjunctivale zwelling en de ooglidzwelling en werden eventuele bijwerkingen nagegaan. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat ketotifen in vergelijking met levocabastine en placebo effectiever is wat betreft de vermindering van (het opnieuw de kop opsteken van) klachten en symptomen, in het bijzonder tranen en roodheid, bij seizoensgebonden allergische conjunctivitis. De auteurs geven als mogelijke verklaring dat ketotifen meerdere aangrijpingspunten heeft. De bijwerkingen in de drie onderzoeksgroepen waren vergelijkbaar [Kidd 2003].
In onderzoeken bij patiënten met een aangetoonde allergische conjunctivitis, waarin olopatadine-oogdruppels werden vergeleken met azelastine- (n=111) respectievelijk levocabastine-oogdruppels (n=68), bleek bij allergeenprovocatie na toediening van olopatadine minder jeuk en roodheid op te treden dan na toediening van beide andere middelen. Het effect werd op een aantal momenten gemeten in het eerste half uur na toediening van de middelen. Het verschil in effect bleek op de meeste meetmomenten statistisch significant, maar het verschil betreffende de vermindering van jeuk nam in beide onderzoeken reeds binnen 20 minuten duidelijk af (en was dan niet meer significant). De onderzoeken maken ook niet overtuigend duidelijk dat de gevonden effectverschillen klinisch relevant zijn [Spangler 2001, Abelson 2004].
Corticosteroïd-oogdruppels kunnen effectief zijn bij de acute en chronische vormen van allergische conjunctivitis. In verband met de mogelijke oculaire bijwerkingen, zoals verhoging van de intraoculaire druk, virale infecties en cataractvorming, wordt het gebruik bij allergische conjunctivitis beperkt tot enkele dagen en alleen bij ernstige klachten. Indien corticosteroïd-oogdruppels langduriger geïndiceerd lijken door onvoldoende resultaat van de andere medicamenteuze opties of bij de ernstiger vormen, zoals keratoconjunctivitis vernalis, is verwijzing naar de oogarts geïndiceerd.
Diclofenac en ketorolac zijn NSAID’s die in Nederland alleen geregistreerd zijn voor gebruik na cataractoperaties ter preventie van cystoïd macula-oedeem respectievelijk ontstekingsreacties [Commissie Farmaceutische Hulp 2005].
In een multicentrisch dubbelblind gerandomiseerd onderzoek bij patiënten met seizoensgebonden allergische conjunctivitis met matige jeuk en conjunctivale roodheid vergeleek men het effect van diclofenac- en ketorolac-oogdruppels (4 dd 1 druppel beiderzijds, gedurende veertien dagen). De uitgangssituatie was in beide groepen vergelijkbaar. Met betrekking tot de primaire effectmaten (jeuk en conjunctivale roodheid) zag men in beide groepen een significante verbetering op alle controlemomenten (30 minuten na de eerste toediening, na een week en na drie weken). Wat pijn/branderigheid betreft, lieten de groepen een significant verschil zien in het voordeel van de diclofenacgroep. Een branderig of stekend gevoel direct na toediening trad echter vaker op in de diclofenacgroep (13,8%) dan in de ketorolacgroep (6,5%) [Tauber 1998].
In een multicentrisch dubbelblind gerandomiseerd onderzoek vergeleek men bij patiënten met seizoensgebonden allergische conjunctivitis gedurende zes weken de effectiviteit en veiligheid van ketorolac (n=73), levocabastine (n=75) en placebo (in de vorm van het ketorolac-vehiculum; n=75). Er was een significante afname van jeukklachten in de ketorolacgroep ten opzichte van de placebogroep, zowel 30 minuten na de eerste toediening als na één, drie en zes weken. In tegenstelling tot de placebogroep, was er na een week in zowel de ketorolac- als de levocabastinegroep een significante afname van de conjunctivale roodheid ten opzichte van de uitgangssituaties. Na drie weken was het verschil tussen de groepen echter nagenoeg verdwenen. De meest gerapporteerde bijwerkingen in de ketorolacgroep waren een branderig gevoel, wazig zien en hoofdpijn; in deze groep staakten twee patiënten voortijdig de behandeling [Donshik 2000].
Er zijn aanwijzingen dat ketorolac ook effectief is bij door contactlenzen geïnduceerde conjunctivitis (in ernstige vormen ook bekend als ‘giant papillary’ conjunctivitis) [Friedlaender 1996].
In een onderzoek werd gerapporteerd over 16 patiënten met ernstige complicaties (keratitis, cornea-ulceraties en -perforaties) na gebruik van NSAID-oogdruppels: 11 van hen ondergingen een recente cataractoperatie, 10 patiënten gebruikten tegelijkertijd corticosteroïd-oogmedicatie en 9 tevens antibiotische oogmedicatie. Geconcludeerd wordt dat extra zorg is geboden bij gebruik van NSAID-oogdruppels bij patiënten met een verhoogd risico op corneabeschadiging (zoals bij reumatoïde artritis en het syndroom van Sjögren), met (postoperatieve) epitheeldefecten en die gelijktijdig corticosteroïd-oogmedicatie gebruiken [Guidera 2001].
In tegenstelling tot corticosteroïd-oogdruppels maskeren NSAID’s geen andere infecties, noch leiden ze bij langdurig gebruik tot cataractvorming of oogdrukverhoging. NSAID-oogdruppels zijn echter niet geregistreerd voor deze indicatie.
In verband met de beperkte houdbaarheid mogen kunsttranen in flesjes niet langer dan één maand na openen worden gebruikt. Het verdient aanbeveling kunsttranen in flesjes niet vaker dan viermaal daags toe te passen, omdat de conserveermiddelen (vooral benzalkonium) toxisch zijn voor het cornea-epitheel. Daardoor kunnen de klachten verergeren en kan men het gevoel hebben steeds vaker te moeten druppelen. In dat geval kunnen kunsttranen in minims worden aanbevolen. Die zijn weliswaar duurder, maar mogen (als de klachten niet afnemen) vaker dan driemaal daags worden gebruikt.
In de literatuur is men het eens over het nut van reiniging van de oogleden bij blefaritis, hoewel daarover geen vergelijkende onderzoeken bekend zijn [Schers 1995, Carter 1998].
In een prospectief, gerandomiseerd, dubbelblind onderzoek onder patiënten met chronische blefaritis vergeleek men het effect op de klachten en symptomen van behandeling met fusidine-gel 2 dd 1 druppel, oraal oxytetracycline 2 dd 250 mg en de combinatie van beide. De onderzoekers betrokken 43 patiënten in de analyse. De subgroep van 20 patiënten met rosacea had meer baat bij alleen de lokale behandeling met fusidine-gel (symptoomreductie bij 75%) dan bij orale oxytetracycline (symptoomreductie bij 50%) of bij de combinatie van beide (symptoomreductie bij 35%).
Patiënten zonder rosacea hadden veel minder baat bij de medicamenteuze behandelopties [Seal 1995].
Hierbij kan worden opgemerkt dat in dit onderzoek de oogleden niet grondig werden ontvet, wat de effectiviteit van de medicatie negatief kan hebben beïnvloed c.q. de resultaten van het onderzoek kan hebben vertekend.
Over de werkzaamheid van NSAID-oogdruppels bij episcleritis is de literatuur niet eensluidend. De ervaring leert dat ze de klachten kunnen onderdrukken, zoals dat ook het geval is bij corticosteroïd-oogdruppels en orale NSAID’s [Akpek 1999, Denk 1997]. NSAID-oogdruppels zijn voor deze indicatie echter niet geregistreerd.
In de literatuur wordt unaniem aanbevolen bij cornea-erosies antibiotische oogzalf toe te passen, vooral omdat een beschadigd oog gemakkelijker zou infecteren. Onderzoek waarin deze bewering wordt gestaafd, is niet aangetroffen. Mogelijk geeft zalf in het oog vooral een subjectieve verbetering. Er zijn geen argumenten om bij cornea-erosies andere antibiotica te gebruiken dan die welke zijn aanbevolen bij de behandeling van bacteriële conjunctivitis.
Een oogverband blijkt de genezing van cornea-erosies niet te bespoedigen en ook niet te leiden tot verlichting van de pijnklachten. In een meta-analyse van de gepubliceerde gecontroleerde onderzoeken (n=7), waarin bij patiënten met ongecompliceerde cornea-erosies behandeling met oogverband werd vergeleken met behandeling zonder oogverband, bleek tussen de groepen geen verschil in genezingstijd of complicaties op te treden. In zes onderzoeken werd ook de pijn geëvalueerd: in vier onderzoeken werd geen verschil gevonden tussen beide behandelgroepen, in twee onderzoeken waren de patiënten in de groep zonder oogverband in het voordeel [Flynn 1998].
Erosies genezen in de regel voorspoedig. Bij patiënten met diabetes mellitus of een verminderde weerstand kan de genezing vertraagd zijn. Een langer durend herstel kan wijzen op een secundaire infectie. Ook kan er in werkelijkheid sprake zijn van een keratitis veroorzaakt door het herpes-simplex-virus [Sterk 1987].
Over het natuurlijk beloop van een roestring is geen literatuur gevonden, evenmin als literatuur die het belang van het (volledig) verwijderen van een roestring goed onderbouwt. Desondanks wordt algemeen geadviseerd de roestring te verwijderen ter verlichting van mogelijke irritatie. De werkgroep sluit zich vooralsnog bij dit advies aan.
De argumenten voor het gebruik van antibiotische oogzalf na verwijdering van een corpus alienum komen grotendeels overeen met die voor toepassing bij cornea-erosies. Er is echter één verschil: vooral corpora aliena van organische herkomst zouden zelf pathogene micro-organismen in het oog kunnen introduceren. Er is geen onderzoek gevonden om de juistheid en de klinische relevantie van deze hypothese te kunnen bevestigen. Uit onderzoek naar corpora aliena blijkt dat in 15% van de gevallen een bacterie kan worden gekweekt. Het betrof vooral de S. aureus, die men ook regelmatig in gezonde ogen aantreft. Er is bovendien geen correlatie tussen kweekuitslag en klinisch beeld [Debroff 1994].
In een groot deel van de oogheelkundige literatuur wordt gewaarschuwd voor het meegeven van anesthetische oogdruppels, omdat ze cornea-ulcera kunnen veroorzaken die uiteindelijk leiden tot blijvende visusdaling. Een en ander is vermoedelijk gebaseerd op casuïstiek uit de jaren zeventig. De betrokken patiënten gebruikten de anesthetische oogdruppels gedurende langere tijd (vaak enkele weken) en kwamen in de vicieuze cirkel van de zogeheten anaesthesia dolorosa terecht, waarbij de cornea uiterst pijnlijk is, ondanks het feit dat hij ongevoeligheid is voor aanraking [Henkes 1978]. Niet geheel duidelijk is of de ulcera ontstaan als gevolg van door de anesthesie onopgemerkte uitbreiding c.q. infectie van een reeds aanwezige erosie, van een traumatische beschadiging door veelvuldig wrijven in het aangedane oog of van een direct toxisch effect van het anestheticum op de cornea [Speight 1987, Cruysberg 1990, Dukes 1992]. Met de in de standaard genoemde voorzorgen (beperking van de mee te geven hoeveelheid en toepassingsduur en de instructie niet te wrijven) lijkt de kans op het ontstaan van ulcera vrijwel nihil, terwijl wordt voorkomen dat de patiënt zich genoodzaakt ziet de huisarts na korte tijd opnieuw te consulteren.
Purulente conjunctivitis bij pasgeborenen, veroorzaakt door N. gonorrhoea en in zeldzame gevallen door N. meningitidis, is een zeer ernstige aandoening. In aansluiting op een gonokokkenconjunctivitis kan een progressieve keratitis ontstaan, omdat deze kiemen het intacte cornea-epitheel kunnen binnendringen [Van Bijsterveld 1987]. De behandeling bestaat uit lokale én systemische toediening van antibiotica, en gebeurt zo veel mogelijk op geleide van een kweek.
Hoewel een infectie met C. trachomatis bij pasgeborenen gemiddeld later optreedt en in de regel minder dramatisch verloopt, is deze infectie op klinische gronden niet met zekerheid van een gonokokkeninfectie te onderscheiden. Derhalve wordt aanbevolen álle pasgeboren bij wie voor de tiende levensdag een hevig pussende conjunctivitis ontstaat, te verwijzen.
Abelson MB, Greiner JV. Comparative efficacy of olopatadine 0.1% ophthalmic solution versus levocabastine 0.05% ophthalmic suspension using the conjunctival allergen challenge model. Curr Med Res Opin 2004;20:1953-8.
Akpek EK, Uy HS, Christen W, Gurdal C, Foster CS. Severity of episcleritis and systemic disease association. Ophthalmology 1999;106:729-31.
Akpek EK, Thorne JE, Qazi FA, Do DV, Jabs DA. Evaluation of patients with scleritis for systemic disease. Ophthalmology 2004;111:501-6.
Albietz JM. Dry eye: an update on clinical diagnosis, management and promising new treatments. Clin Exp Optom 2001;84:4-18.
Anderson DF, Sullivan PM, Luff AJ, Elkington AR. Direct ophthalmoscopy versus slit lamp biomicroscopy in diagnosis of the acute red eye. J R Soc Med 1998;91:127-8.
Ang RT, Dartt DA, Tsubota K. Dry eye after refractive surgery. Curr Opin Ophthalmol 2001;12:318-22.
Baggen JL, Van Leeuwen YD. Oogheelkunde. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg, 2004.
Beaver HA, Lee AG. The management of the red eye for the generalist. Compr Ther 2001;27:218-27.
Bielory L. Allergic and immunologic disorders of the eye. Part II: ocular allergy. J Allergy Clin Immunol 2000;106:1019-32.
Bielory L. Update on ocular allergy treatment. Expert Opin Pharmacother 2002;3:541-53.
Carter SR. Eyelid disorders: diagnosis and management. Am Fam Physician 1998;57:2695-702.
Commissie Farmaceutische Hulp. Farmacotherapeutisch kompas 2005. Amstelveen: College voor Zorgverzekeringen, 2005.
Cruysberg JR. Oxybuprocaïne-minims en -oogdruppels dienen niet op recept aan de patiënt te worden afgeleverd. Ned Tijdschr Geneeskd 1990;134:1910.
Darougar S, Wishart MS, Viswalingam ND. Epidemiological and clinical features of primary herpes simplex virus ocular infection. Br J Ophthalmol 1985;69:2-6.
Darrell RW, editor. Viral diseases of the eye. Philadelphia: Lea and Febiger, 1985.
DeBroff BM, Donahue SP, Caputo BJ, Azar MJ, Kowalski RP, Karenchak LM. Clinical characteristics of corneal foreign bodies and their associated culture results. CLAO J 1994;20:128-30.
Denk PO, Thiel HJ, Zierhut M. Episkleritis und Skleritis: eine Ubersicht moderner diagnostischer und therapeutischer Konzepte. Klin Monatsbl Augenheilkd 1997;211:140-50.
Donahue SP, Khoury JM, Kowalski RP. Common ocular infections. A prescriber’s guide. Drugs 1996;52:526-40.
Donshik PC, Pearlman D, Pinnas J, Raizman MB, Tauber J, Tinkelman D, et al. Efficacy and safety of ketorolac tromethamine 0.5% and levocabastine 0.05%: a multicenter comparison in patients with seasonal allergic conjunctivitis. Adv Ther 2000;17:94-102.
Dukes MNG, editor. Meyler’s side effects of drugs. 13e ed. Amsterdam: Elsevier, 1992.
Flynn CA, D’Amico F, Smith G. Should we patch corneal abrasions? A meta-analysis. J Fam Pract 1998;47:264-70.
Fonacier L, Luchs J, Udell I. Ocular allergies. Curr Allergy Asthma Rep 2001;1:389-96.
Friedlaender MH. Contact lens induced conjunctivitis: a model of human ocular inflammation. CLAO J 1996;22:205-8.
Gordon YJ. The evolution of antiviral therapy for external ocular viral infections over twenty-five years. Cornea 2000;19:673-80.
Guidera AC, Luchs JI, Udell IJ. Keratitis, ulceration, and perforation associated with topical nonsteroidal anti-inflammatory drugs. Ophthalmology 2001;108:936-44.
Hanna C, Massey JY, Hendrickson RO, Williamson J, Jones EM, Wilson P. Ocular penetration of topical chloramphenicol in humans. Arch Ophthalmol 1978;96:1258-61.
Henkes HE, Waubke TN. Die ‘onschuldige’ oogdruppels! Ned Tijdschr Geneeskd 1978;122:497-9.
Herpetic Eye Disease Study Group. Predictors of recurrent herpes simplex virus keratitis. Cornea 2001;20:123-8.
Hillenkamp J, Reinhard T, Ross RS, Bohringer D, Cartsburg O, Roggendorf M, et al. The effects of cidofovir 1% with and without cyclosporin a 1% as a topical treatment of acute adenoviral keratoconjunctivitis: a controlled clinical pilot study. Ophthalmology 2002;109:845-50.
Hollwich F. Leerboek oogheelkunde. Utrecht: Bohn, Scheltema en Holkema, 1989.
Horven I. Acute conjunctivitis. A comparison of fusidic acid viscous eye drops and chloramphenicol. Acta Ophthalmol (Copenh) 1993;71:165-8.
Isenberg SJ, Apt L, Valenton M, Del SM, Cubillan L, Labrador MA, et al. A controlled trial of povidone-iodine to treat infectious conjunctivitis in children. Am J Ophthalmol 2002;134:681-8.
Jabbur NS, Sakatani K, O’Brien TP. Survey of complications and recommendations for management in dissatisfied patients seeking a consultation after refractive surgery. J Cataract Refract Surg 2004;30:1867-74.
Jackson WB, Low DE, Dattani D, Whitsitt PF, Leeder RG, MacDougall R. Treatment of acute bacterial conjunctivitis: 1% fusidic acid viscous drops vs 0.3% tobramycin drops. Can J Ophthalmol 2002;37:228-37.
Jones RB, Batteiger BE. Chlamydial diseases. In: Mandell GL, Bennet JE, Dolin R, editors. Principles and practice of infectious diseases. 5e ed. Philadelphia: Churchill Livingstone, 2000.
Kaufman HE. Treatment of viral diseases of the cornea and external eye. Prog Retin Eye Res 2000;19:69-85.
Kidd M, McKenzie SH, Steven I, Cooper C, Lanz R. Efficacy and safety of ketotifen eye drops in the treatment of seasonal allergic conjunctivitis. Br J Ophthalmol 2003;87:1206-11.
Labetoulle M, Auquier P, Conrad H, Crochard A, Daniloski M, Bouee S, et al. Incidence of herpes simplex virus keratitis in France. Ophthalmology 2005;112:888-95.
Lancaster T, Swart AM, Jick H. Risk of serious haematological toxicity with use of chloramphenicol eye drops in a British general practice database. BMJ 1998;316:667.
Leibowitz HM. The red eye. N Engl J Med 2000;343:345-51.
Lemp MA. Contact lenses and associated anterior segment disorders: dry eye, blepharitis, and allergy. Ophthalmol Clin North Am 2003;16:463-9.
Monnickendam MA. Herpes simplex virus ophthalmia. Eye 1988;2 Suppl:S56-S69.
Morrow GL, Abbott RL. Conjunctivitis. Am Fam Physician 1998;57:735-46.
Mortensen KK, Sjolie AK. Keratitis dendritica. An epidemiological investigation. Acta Ophthalmol (Copenh) 1979;57:750-4.
Ng EW, Golledge CL. The management of common ocular infections. Aust Fam Physician 1996;25:1831-9.
Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose. Episodegegevens uit de huisartsenpraktijk. Bussum: Coutinho, 1998.
Polak BCP, Bijl D. Bijwerkingen van geneesmiddelen in de oogheelkunde. Geneesmiddelen Bulletin 2002;36:63-9.
Rapoza PA, Quinn TC, Terry AC, Gottsch JD, Kiessling LA, Taylor HR. A systematic approach to the diagnosis and treatment of chronic conjunctivitis. Am J Ophthalmol 1990;109:138-42.
Rietveld RP, Ter Riet G, Bindels PJE, Sloos JH, Van Weert HCPM. Predicting bacterial cause in infectious conjunctivitis: cohort study on informativeness of combinations of signs and symptoms. BMJ 2004a;329:206-10.
Rietveld RP, Ter Riet G, Bindels PJE, Sloos JH, Van Weert HCPM. Predicting bacterial cause in infectious conjunctivitis: cohort study on informativeness of combinations of signs and symptoms [Authors’ reply]. BMJ 2004b;329:625.
Rietveld RP, Van Weert HCPM, Ter Riet G, Bindels PJE. Betekenis van klachten en symptomen voor de diagnostiek van acute infectieuze conjunctivitis: een systemisch literatuuronderzoek. Huisarts Wet 2004c;47:227-9.
Rietveld RP, Jabaaij L. Infectieuze conjunctivitis: veel recepten, weinig Standaardwerk. LINH-cijfers. Huisarts Wet 2004d;47:393.
Rietveld RP, Ter Riet G, Bindels PJE, et al. The treatment of acute infectious conjunctivitis with fusidic acid: a randomised controlled trial. Br J Gen Pract 2005a;55:924-30.
Rietveld RP, Ter Riet G, Bindels PJE, Sloos J, Van Weert HCPM. Met drie vragen naar de diagnose bacteriële infectieuze conjunctivitis: cohortonderzoek naar de waarde van combinaties van klachten en symptomen. Huisarts Wet 2005b;48:53-8.
Rose PW, Harnden A, Brueggemann AB, Perera R, Sheikh A, Crook D, et al. Chloramphenicol treatment for acute infective conjunctivitis in children in primary care: a randomised double-blind placebo-controlled trial. Lancet 2005;366:37-43.
Saitoh-Inagawa W, Aoki K, Uchio E, Itoh N, Ohno S. Ten years’ surveillance of viral conjunctivitis in Sapporo, Japan. Graefes Arch Clin Exp Ophthalmol 1999;237:35-8.
Schaumberg DA, Sullivan DA, Buring JE, Dana MR. Prevalence of dry eye syndrome among US women. Am J Ophthalmol 2003;136:318-26.
Schers HJ, Giesen PHJ. Blepharitis: meer dan rode randjes... Een literatuuronderzoek. Huisarts Wet 1995;38:571-5.
Seal DV, Wright P, Ficker L, Hagan K, Troski M, Menday P. Placebo controlled trial of fusidic acid gel and oxytetracycline for recurrent blepharitis and rosacea. Br J Ophthalmol 1995;79:42-5.
Sheikh A, Hurwitz B. Topical antibiotics for acute bacterial conjunctivitis: a systematic review. Br J Gen Pract 2001;51:473-7.
Shiuey Y, Ambati BK, Adamis AP. A randomized, double-masked trial of topical ketorolac versus artificial tears for treatment of viral conjunctivitis. Ophthalmology 2000;107:1512-7.
Smolin G, Tabbara K, Wicher J. Infectious diseases of the eye. Baltimore: Williams and Wilkins, 1983.
Solomon A, Pe’er J, Levi-Schaffer F. Advances in ocular allergy: basic mechanisms, clinical patterns and new therapies. Curr Opin Allergy Clin Immunol 2001;1:477-82.
Solomon AW, Holland MJ, Alexander ND, Massae PA, Aguirre A, Natividad-Sancho A, et al. Mass treatment with single-dose azithromycin for trachoma. N Engl J Med 2004;351:1962-71.
Spangler DL, Bensch G, Berdy GJ. Evaluation of the efficacy of olopatadine hydrochloride 0.1% ophthalmic solution and azelastine hydrochloride 0.05% ophthalmic solution in the conjunctival allergen challenge model. Clin Ther 2001;23:1272-80.
Speight TM, editor. Avery’s drug treatment: principles and practice of clinical pharmacology and therapeutics. 3e ed. Edinburgh: Churchill Livingstone, 1987.
Sterk CC. Acute traumata in de oogheelkunde. Ned Tijdschr Geneeskd 1987;131:2246-9.
Stilma JS, Voorn ThB. Oogheelkunde. 3e ed. Houten/Mechelen: Bohn Stafleu Van Loghum, 2002.
Stolwijk TR. Corneal fluorophometry and tear fluid analysis in diabetic patients [Proefschrift]. Leiden: Rijksuniversiteit Leiden, 1991.
Strauss EC, Foster CS. Atopic ocular disease. Ophthalmol Clin North Am 2002;15:1-5.
Tauber J, Raizman MB, Ostrov CS, Laibovitz RA, Abelson MB, Betts JG, et al. A multicenter comparison of the ocular efficacy and safety of diclofenac 0.1% solution with that of ketorolac 0.5% solution in patients with acute seasonal allergic conjunctivitis. J Ocul Pharmacol Ther 1998;14:137-45.
Uchio E, Takeuchi S, Itoh N, Matsuura N, Ohno S, Aoki K. Clinical and epidemiological features of acute follicular conjunctivitis with special reference to that caused by herpes simplex virus type 1. Br J Ophthalmol 2000;84:968-72.
Van Bijsterveld OP, Ekdom B. Het rode oog: diagnostiek en behandeling van conjunctivitis. Ned Tijdschr Geneeskd 1987;131:2251-4.
Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk: klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk. Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM, 2004. www.nivel.nl/ns2.
Ward JB, Siojo LG, Waller SG. A prospective, masked clinical trial of trifluridine, dexamethasone, and artificial tears in the treatment of epidemic keratoconjunctivitis. Cornea 1993;12:216-21.
Wuthrich B, Brignoli R, Canevascini M, Gerber M. Epidemiological survey in hay fever patients: symptom prevalence and severity and influence on patient management. Schweiz Med Wochenschr 1998;128:139-43.
Zoek in standaarden
Â
