Inhoudsopgave
Zoek in standaarden
Â
Overige materialen
Preventie en vroegdiagnostiek van cervixcarcinoom M06 (april 2009)
ACHTERGRONDEN
-
Jaarlijks krijgen 600 tot 700 vrouwen cervixcarcinoom en 200 tot 250 vrouwen overlijden hieraan.
-
Vrouwen van 30 tot 60 jaar worden eenmaal per vijf jaar opgeroepen in het kader van het bevolkingsonderzoek.
-
Aan alle gevallen van cervixcarcinoom ligt een infectie met het humaan papillomavirus (HPV) ten grondslag.
-
HPV-vaccins zijn werkzaam tegen HPV-16 en -18 die samen ongeveer 70% van de gevallen van cervixcarcinoom veroorzaken.
RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEK
Oproep bevolkingsonderzoek
De huisarts gaat na of er redenen zijn om van screening af te zien:
-
Er is een uterusextirpatie verricht (er van uitgaande dat daarbij de cervix is verwijderd).
-
De vrouw is nog onder gynaecologische controle wegens cervixpathologie (geef de uitnodigingskaart mee naar de gynaecoloog).
-
Er is een behandeling geweest wegens cervixcarcinoom of een voorstadium daarvan minder dan zes maanden tevoren.
-
Er is minder dan een jaar geleden een uitstrijk op indicatie gemaakt.
Daarnaast wordt nagegaan of er een reden is om de uitstrijk uit te stellen:
-
De vrouw is zwanger of minder dan zes maanden geleden bevallen.
-
Er is menstrueel bloedverlies of een onttrekkingsbloeding.
Het geven van borstvoeding is geen reden om het laten maken van de uitstrijk uit te stellen.
Uitstrijk op indicatie
Redenen om een uitstrijk te maken buiten het bevolkingsonderzoek om:
-
contactbloedingen;
-
tussentijds bloedverlies op een wisselend tijdstip in de cyclus, dat niet kan worden verklaard door het gebruik van anticonceptie, een vaginale of cervicale infectie of door laesies van de vulva of vagina;
-
postmenopauzaal bloedverlies;
-
afwijkingen van de cervix bij lichamelijk onderzoek.
Evaluatie
-
De cytologische classificatie van de cervixuitstrijken vindt plaats op basis van de KOPAC-codering. Het vervolgbeleid is afhankelijk van de KOPAC-code en de overeenkomstige Pap-klasse.
-
Na een Pap 2 of Pap 3a1 volgt na zes maanden een herhalingsuitstrijk met HPV-diagnostiek. Bij gebruik van dunnelaagcytologie vraagt de huisarts het laboratorium een HPV-test uit te voeren op de cellen in de suspensie. Bij het gebruik van het klassieke uitstrijkje overlegt de huisarts met het pathologisch laboratorium.
-
Bij ontbreken van endocervicale cellen in de uitstrijk is herhaling alleen nodig als de portio (mogelijk) niet à vue is geweest of niet lege artis is uitgestreken.
-
Bij een afwijkende uitslag, zoals Pap 3a of hoger, is het de verantwoordelijkheid van de huisarts de vrouw over de uitslag te informeren.
-
De huisarts informeert de vrouw eveneens bij uitslagen Pap 0 of 2, omdat Pap 0 geen informatie oplevert en in geval van Pap 2 na zes maanden HPV-diagnostiek is geïndiceerd.
BELEID
Voorlichting
De huisarts legt uit dat ook bij reguliere deelname aan het bevolkingsonderzoek de vrouw contact op
moet nemen bij tussentijds optredende contactbloedingen of bloedverlies tussen de menstruaties.
Voorlichting over HPV-vaccinatie
-
Vaccinatie buiten het Rijksvaccinatieprogramma om wordt niet aanbevolen.
-
Vaccinatie tegen HPV betekent niet dat deelname aan het bevolkingsonderzoek niet meer nodig is omdat de dekkingsgraad van het vaccin ongeveer 70% bedraagt.
Controles en verwijzing
-
De huisarts volgt het herhalings- en vervolgadvies zoals dat wordt afgegeven door het pathologisch laboratorium.
-
Na een uitstrijk op indicatie neemt de huisarts bij matig ernstige afwijkingen zoals Pap 3a of hoger contact op met de vrouw. Bij een normale Pap-uitslag houdt de huisarts rekening met de eventuele afwijkende uitslag in de voorgeschiedenis bij de beslissing al dan niet naar de gynaecoloog te verwijzen.
