U bent nu hier:
M12

Refractieafwijkingen   M12   (juli 2001)




De standaard beperkt zich tot geleidelijk ontstane visusklachten

RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEKNHG Standaard

AnamneseNHG Standaard

Informeer bij geleidelijk ontstane visusklachten naar de volgende aspecten:

  • aard klachten: minder, wazig of dubbel zien, bewegen beeld, leesproblemen
  • andere klachten: roodheid, pijn, branderigheid of tranen, vermoeidheid van het oog, hoofdpijn
  • één oog of beide ogen
  • snelheid van ontstaan
  • bij kinderen tot 6 jaar: strabisme of amblyopie bij de ouders
  • bril of contactlenzen, positieve of negatieve glazen, glassterkte, alleen voor lezen of ook voor verzien, controles
  • andere aandoeningen of medicatie die de visus kan beïnvloeden

OnderzoekNHG Standaard

Zorg bij het visusonderzoek voor adequate omstandigheden (zie tekst standaard). Bepaal de visus altijd met de correctie van de patiënt (tenzij het een keuring betreft). Kijk bij brildragers eerst zelf of deze vergroot of verkleint.

  • Visusbepaling
    • onderzoek eerst het rechter en dan het linker oog terwijl het andere oog is afgedekt en noteer de uitslag direct
    • wijs de optotypen van boven naar beneden aan. Ga, zodra een optotype niet meer goed gezien of onjuist benoemd wordt, één regel naar boven en laat de optotypen van die regel door de patiënt benoemen. Eén onjuiste benoeming geldt een regel als correct waargenomen. Noteer bij twee keer een onjuiste benoeming de visuswaarde van de regel erboven als bereikte waarde
    • noteer de visus voor ieder oog afzonderlijk in decimalen en vermeld of daarbij eigen correctie is gebruikt
    • laat kinderen van 2-6 jaar een kindervisuskaart van dichtbij bekijken en benoemen, en bepaal daarna de visus op tenminste 3 meter; let op visusverschillen links en rechts
  • Diagnostisch refractioneren (geïndiceerd bij visusklachten vanaf 6-jarige leeftijd)
    • bij visus >0,2 en <1,0: bepaal eventuele visusverbetering re en li met lensje van respectievelijk S +0,5 D en -0,5 D; bepaal bij geen verbetering tevens visusverbetering met stenopeïsche opening (zet deze bij brildragers achter het brillenglas)
    • bij visus ≥ 1,0: bepaal of lens van S + 0,5 D de visus gelijk blijft of verbetert
  • Inspectie

Evaluatie en verwijsbeleidNHG Standaard

Basisregels voor de interpretatie van de uitkomsten van de visusbepaling en het diagnostisch refractioneren zijn:

  • Visus >0,2 en <1,0
    • verbetering met diagnostisch refractioneren: refractieafwijking
    • geen verbetering met diagnostisch refractioneren: andere pathologie
    • verbetering met stenopeïsche opening: aanwijzing voor astigmatisme
  • Visus van ≥ 1,0 en geen verslechtering met een lensje van +0,5 D: hypermetropie

Nadere differentiatie is mogelijk op basis van leeftijd en anamnese

  • bij kinderen tot 6 jaar en visus <1,0: kans op (ernstige) hypermetropie eventueel met strabisme en/of amblyopie. Verwijs altijd naar de oogarts of orthoptist
  • bij een patiënt van 6 tot 20 jaar
    • bij visus <1,0 en verbetering met lens - 0,5 D: meestal myopie. Verwijs naar opticien of optometrist
    • bij visus <1,0 en alleen verbetering met stenopeïsche opening: vermoedelijk astigmatisme. Verwijs naar de opticien of optometrist
    • bij geen verbetering visus met lensjes of stenopeïsche opening: andere oogheelkundige problematiek of nog onbekende amblyopie. Verwijs naar de oogarts
  • bij personen van 20 tot 30 jaar: zelden nieuwe visusproblemen. De interpretatie van het visusonderzoek is conform die bij 30- tot 65-jarigen.
  • bij 30- tot 65-jarigen:
    • veelal klachten over het zien dichtbij door afname zonder visus vermindering door verminderend accommodatievermogen
    • bij blijvend normale (of iets verbeterde) visus met lens + 0,5 D: latente hypermetropie. Verwijs naar optometrist of opticien om effect positieve bril na te gaan
    • bij normale visus die verslechtert met lens + 0,5 D: vermoedelijk presbyopie. Adviseer een leesbril
    • bij verminderde visus zonder verbetering met +0,5 D en - 0,5 D: waarschijnlijk andere oogaandoening.Verwijs naar de oogarts
  • bij personen van 65 jaar en ouder:
    • in beginsel geen refractieafwijking, maar andere oogaandoening. Geen verbetering visus met lensjes. Verwijs naar de oogarts
  • bij personen bekend met een refractieafwijking en daarvoor correctie hebben:
    • verbetering van visus van <1,0 met een lensje van + 0,5 D of -0,5 D: correctie is voor verbetering vatbaar.Verwijs naar opticien
  • verwijzing naar oogarts verder bij:
    • nieuwe patiënten met een visus ≤ 0,2;
    • patiënten met eigen correctie van meer dan plus of min 7 D sferisch of plus of min 3 D cylindrisch.
  • Geef bij verwijzingen naar oogarts, opticien, optometrist of orthoptist verwijsbrief mee met bevindingen van anamnese en onderzoek
  • Bij geleidelijk ontstane visusdaling is beoordeling binnen twee maanden redelijk. Bij jonge kinderen met mogelijk hypermetropie, strabisme of amblyopie consultatie binnen een maand