Inhoudsopgave
Zoek in standaarden
Overige materialen
Dementie M21 (december 2003)
BEGRIPPEN
Dementie wordt gekenmerkt door geheugenstoornissen en één of meer andere cognitieve stoornissen, zoals afasie, apraxie, agnosie of een stoornis in de uitvoerende functies, met als gevolg een duidelijk negatieve invloed op het dagelijks functioneren, werk, sociale activiteiten en relaties.
Afasie: verminderd taalbegrip en problemen met taalexpressie (bijv. niet op woorden komen).
Apraxie: verminderd vermogen handelingen uit te voeren ondanks intacte motorische functies (bijv. aankleden).
Agnosie: verminderd vermogen objecten te herkennen ondanks intacte sensorische functies (ook desoriëntatie).
Stoornis in de uitvoerende functies: verminderd vermogen plannen te maken, te organiseren, logische conclusies te trekken en te abstraheren (langzamer van begrip, huishouden niet overzien).
RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEK
De huisarts kan de diagnostiek zelf uitvoeren, eventueel met hulp van praktijkondersteuner of GGZ-instelling. De huisarts kan ook verwijzen voor diagnostiek. Bij mogelijke dementie vindt eerst een oriëntatie plaats, waarbij de Observatie Lijst voor vroege symptomen van Dementie (OLD) als hulpmiddel gebruikt kan worden (zie de standaard).
Anamnese en heteroanamnese
Wees bedacht op een façade en afhankelijk gedrag (bijvoorbeeld het ‘head turning sign’).
Vraag naar begin en beloop van de problemen.
Beoordeel:
-
het geheugen: stel vragen over wat men gisteren deed, nieuwsitems, gebeurtenissen uit het verdere verleden;
-
andere cognitieve stoornissen: afasie, apraxie, agnosie en stoornissen in de uitvoerende functies;
-
beperkingen in het dagelijks functioneren: telefoneren, eigen boodschappen doen, koken, huishoudelijk werk doen en persoonlijke verzorging waaronder ook medicijngebruik en het regelen van geldzaken;
-
lichamelijke oorzaken en comorbiditeit: lichamelijke klachten, medische voorgeschiedenis, voeding (met het oog op deficiënties), alcohol- en geneesmiddelengebruik.
Het verdient aanbeveling ter objectivering van de geheugenstoornissen en andere cognitieve stoornissen een ‘Mini-mental state examination’ (MMSE) af te nemen (zie de standaard).
Lichamelijk onderzoek
-
Inspecteer huid en slijmvliezen. Meet pols en bloeddruk, ausculteer hart en longen.
-
Verricht oriënterend neurologisch onderzoek (let op doorgemaakt CVA of ziekte van Parkinson): looppatroon, focale verschijnselen, reflexverschillen, latente paresen, hemianopsie, motoriek van het gelaat en de extremiteiten en Parkinson-symptomen (maskergelaat, hypokinesie, tremor, rigiditeit of tandradfenomeen).
-
Verricht zo nodig aanvullend lichamelijk onderzoek zoals visus- en gehooronderzoek.
Aanvullend onderzoek
-
Hb, Ht, MCV, BSE, glucose, TSH en kreatinine.
-
Op indicatie: natrium en kalium (bij diureticagebruik), foliumzuur, vitamine B 1, B 6 (bij onvolwaardig dieet, alcoholabusus), vitamine B 12 en leverfunctie.
Evaluatie
-
Stel de diagnose dementie bij stoornissen in het geheugen, andere cognitieve stoornissen en verminderd dagelijks functioneren.
-
Denk aan zeldzame vormen van dementie zoals frontotemporale dementie (begin op relatief jonge leeftijd (50-60 jaar), soms uitgesproken gedragsproblemen) en ‘Lewy body’-dementie (in ernst wisselende cognitieve stoornissen met motorische onrust, visuele hallucinaties en licht parkinsonisme). Hierbij is consultatie/verwijzing aangewezen.
-
Onderscheid lichte cognitieve stoornissen (‘mild cognitive impairment’) van dementie: er zijn wel stoornissen in het geheugen en andere cognitieve stoornissen, maar het dagelijks functioneren is intact. Wees hierbij attent op ongerustheid en besteed aandacht aan het beloop.
-
Sluit een delier uit: in korte tijd ontstaat een stoornis in het bewustzijn (besef van de omgeving) en de aandacht (concentratie vasthouden en kunnen verplaatsen). Let hierbij op een somatische oorzaak.
-
Houd rekening met ingrijpende gebeurtenissen en denk ook aan depressie (wisselend beloop en soms tijdelijk gestoord geheugen).
-
Wees attent op een angststoornis, alcoholverslaving of een psychose.
-
Let op behandelbare oorzaken of beïnvloedende factoren, zoals ‘normal-pressure’ hydrocefalus (dementie met wijdbeens lopen, onstabiel looppatroon, verhoogde mictiedrang of incontinentie), hypothyreoïdie, hartfalen en geneesmiddelenintoxicatie (psychofarmaca, anti-parkinsonmiddelen, anti-epileptica en digoxine).
RICHTLIJNEN BELEID
-
Bespreek de diagnose met de patiënt en zijn naasten, doe dit zo nodig stapsgewijs.
-
Ga de zorgsituatie na en beoordeel welke hulp nodig is (begeleiding, verzorging, verpleging).
-
Houd bij een bijkomende somatische aandoening zo veel mogelijk rekening met de wensen van de patiënt en een eventuele wilsverklaring over het al of niet behandelen.
Voorlichting
-
Geef informatie over dementie als een geleidelijk progressieve aandoening, over de mogelijke oorzaken en bij dementie op jonge leeftijd (<65 jaar) over erfelijke aspecten.
-
Besteed aandacht aan de verwerking (vergelijk een ‘slechtnieuwsgesprek’).
-
Bereid de naasten voor op te verwachten problemen door functieverlies en gedragsstoornissen.
-
Wijs op verdere informatie en mogelijkheden voor steun en zorg (NHG-patiëntenbrieven en de Stichting Alzheimer Nederland).
Niet-medicamenteuze adviezen
-
Wijs op belevingsgerichte zorg: laat de patiënt in zijn waarde, wees gericht op de beleving van de patiënt en voorkom strijdpunten.
-
Houd de ziekte niet voor de omgeving verborgen en regel de financiële en immateriële belangen als de patiënt nog beslissingsbekwaam is.
-
Wijs op gespreksgroepen voor de verzorgers.
-
Wijs bij begeleidingsbehoefte op mogelijkheden van thuiszorg of dagopvang.
-
Schakel bij verzorgingsbehoefte de thuiszorg in. Spreek met andere hulpverleners af wie de begeleiding coördineert en leg de afspraken vast in een logboek bij de patiënt.
-
Bij vastgestelde dementie is de patiënt niet geschikt om aan het verkeer deel te nemen.
Medicamenteuze therapie
-
Cholinesteraseremmers en plaatjesaggregatieremmers worden niet aangeraden.
-
Schrijf bij hevige onrust en psychotische symptomen, als geen oorzakelijke therapie mogelijk is, haloperidol 0,5 mg oraal voor en verhoog op geleide van het effect tot maximaal 2 dd 1,5 mg; bij patiënten met de ziekte van Parkinson liever risperidon 0,5 mg tot 2 dd 0,5-1mg. Schrijf het antipsychoticum korte tijd (twee weken) voor en probeer zo spoedig mogelijk af te bouwen.
Controles
-
Stem de controlefrequentie af op de behoefte van de patiënt en zijn naasten.
-
Ga bij gevorderde dementie driemaandelijks de draagkracht van de naasten na en anticipeer op verdere achteruitgang van de patiënt.
Consultatie en verwijzing
In de volgende gevallen vindt consultatie of verwijzing plaats.
Bij vragen over diagnostiek of therapie:
-
als de huisarts ervoor kiest de diagnostiek van dementie uit te besteden;
-
cognitieve stoornissen of gedragsproblemen waarbij getwijfeld wordt aan de diagnose dementie;
-
dementie met het vermoeden van een behandelbare of intracraniale afwijking;
-
snel progressieve dementie of dementie op een leeftijd jonger dan 65 jaar;
-
ernstige gedragsstoornissen of ernstige onrust zonder reactie op behandeling;
-
vragen over mogelijke behandeling van patiënten met dementie.
Bij problemen met de verzorging:
-
toenemende verzorgingsbehoefte van de patiënt en/of dreigende overbelasting van de verzorger;
-
ernstige dementie met verpleegbehoefte (indicatie verpleeghuisopname).
Bijlage 1 Observatie Lijst voor vroege symptomen van Dementie (OLD)

Bijlage 2 Gestandaardiseerde 'Mini-mental state examination'

