Inhoudsopgave
Overige materialen
Schildklieraandoeningen M31 (juni 2006)
ACHTERGRONDEN
Oorzaken van hypothyreoïdie:
-
ziekte van Hashimoto: auto-immuunaandoening, leidt tot levenslange hypothyreoïdie;
-
stille of pijnloze thyreoïditis: tijdelijke hypothyreoïdie (1-4 maanden) met spontaan herstel, soms hyperthyreotische fase, nogal eens na zwangerschap;
-
iatrogeen: na radiotherapie/chirurgie, door medicamenten.
Oorzaken van hyperthyreoïdie:
-
ziekte van Graves: auto-immuunaandoening, diffuus struma, 50% remissie na 1 jaar;
-
multinodulair struma: schildklierhormoonproducerende haarden, weinig neiging tot remissie;
-
subacute thyreoïditis: virale infectie, spontaan herstel, soms hypothyreotische fase;
-
toxisch adenoom: solitaire schildklierhormoonproducerende nodus.
DIAGNOSTIEK VAN SCHILDKLIERFUNCTIESTOORNISSEN
Anamnese en lichamelijk onderzoek
Klachten en symptomen van hypothyreoïdie: bijvoorbeeld gewichtstoename, kouwelijkheid, traagheid, moeheid en menstruatiestoornissen.
Hyperthyreoïdie kan leiden tot klachten als gewichtsverlies bij goede eetlust, diarree en hartkloppingen.
Grotere kans op een schildklierfunctiestoornis bij: behandeling met radioactief jodium, subtotale thyroïdectomie of radiotherapie van hoofd-halsgebied in de voorgeschiedenis; recente partus; eerdere postpartum thyreoïditis; auto-immuunziekte; syndroom van Down; lithium en jodiumhoudende medicamenten (amiodaron); schildklierziekten in familieanamnese.
Aanvullend onderzoek en evaluatie
Bepaal bij het vermoeden van een schildklierfunctiestoornis: TSH; indien afwijkend ook vrij T 4.
| TSH | Vrij T | Conclusie |
| Normaal | schildklierfunctiestoornissen vrijwel uitgesloten, euthyreoïdie | |
| Verhoogd | verlaagd | hypothyreoïdie |
| Verhoogd | normaal | subklinische hypothyreoïdie |
| Verlaagd | verhoogd | hyperthyreoïdie |
| Verlaagd | normaal | subklinische hyperthyreoïdie |
| Verlaagd | verlaagd | zeldzaam, secundaire of centrale hypothyreoïdie |
| Verhoogd | verhoogd | zeldzaam, TSH-producerend hypofyseadenoom of perifere resistentie T /T |
Bij hypothyreoïdie volstaan deze bepalingen, bij hyperthyreoïdie is verder onderzoek nodig ter differentiatie. Bepaal bij het vermoeden van een subacute thyreoïditis: BSE en leuko’s; bij het vermoeden van de ziekte van Graves: TSH-receptorstimulerende antistoffen (TSI).
Evaluatie bij hyperthyreoïdie:
-
hyperthyreoïdie met een diffuus struma en TSI: ziekte van Graves;
-
pijn in de schildklierregio, koorts, malaise met verhoogde bezinking, leukocytose: subacute thyreoïditis;
-
binnen een jaar postpartum: hyperthyreotische fase van stille of pijnloze lymfocytaire thyreoïditis;
-
bij gebruik van lithium of jodiumhoudende medicamenten: iatrogene hyperthyreoïdie.
RICHTLIJNEN BELEID BIJ HYPOTHYREOïDIE
Voorlichting
Spontaan herstel is te verwachten na een zwangerschap. In de overige gevallen is levenslange substitutietherapie noodzakelijk.
Medicamenteuze behandeling
-
Start met 25 μg levothyroxine (ouderen 12,5 μg) op een lege maag, elke dag op dezelfde wijze.
-
Verhoog na ten minste twee weken steeds met 25 μg (ouderen 12,5 μg) tot 75 μg (ouderen 50 μg).
-
Zes weken na laatste doseringsverandering laboratoriumcontrole.
-
Verhoog de dosis levothyroxine als het TSH nog verhoogd is. Verhoog met 12,5 μg bij klachten, ook als het TSH normaal is.
-
Herhaal deze procedure steeds na zes weken tot het TSH normaal en de patiënt klachtenvrij is.
Controles
Het eerste jaar elke drie maanden, vervolgens jaarlijks, inclusief TSH en vrij T 4.
Verwijzen
Verwijs patiënten:
-
bij een centrale oorzaak;
-
bij cardiale problemen, in het bijzonder hartfalen en angina pectoris.
Behandel in overleg met de internist:
-
bij verschijnselen van een ernstige, langdurig bestaande hypothyreoïdie;
-
wanneer de patiënt tevens een moeilijk instelbare diabetes mellitus heeft;
-
bij gelijktijdig gebruik van fenytoïne, carbamazepine of ritonavir.
RICHTLIJNEN BELEID BIJ HYPERTHYREOïDIE
Voorlichting
Bespreek de voor- en nadelen van de behandelopties (medicamenteus, radioactief jodium en subtotale thyroïdectomie). Bij de ziekte van Graves is medicamenteuze behandeling eerste keus; een recidief of multinodulair struma wordt veelal met radioactief jodium behandeld.
Medicamenteuze behandeling (facultatief)
-
Geef gedurende de gehele behandeling een thyreostaticum, thiamazol 30 mg 1 dd 1 tablet.
-
Instrueer om bij koorts en keelpijn (in verband met de mogelijkheid van agranulocytose) contact op te nemen voor cito bepaling bloedbeeld.
-
Voeg bij veel klachten gedurende zes weken een bètablokker toe.
-
Controleer na zes weken of het vrije T 4 normaal is. Herhaal dit zo nodig na nog eens zes weken.
-
Start bij een normaal vrij T 4 levothyroxine 1,6 μg/kg lichaamsgewicht/dag op nuchtere maag, elke dag op dezelfde wijze.
-
Controleer na zes weken; stel dosering levothyroxine bij op geleide van vrij T 4.
-
Ga bij een goede instelling over op driemaandelijkse controles gedurende het eerste jaar.
-
Ziekte van Graves: staak alle medicatie in één keer één jaar na het bereiken van euthyreoïdie.
Controles
Ziekte van Graves: het eerste jaar na staken driemaandelijks TSH en indien afwijkend vrij T 4. Controleer na dit jaar jaarlijks. Beoordeel bij een recidief opnieuw de behandelopties. Kies nu eerder voor een definitieve behandeling met radioactief jodium.
Multinodulair struma: levenslang jaarlijkse controle, inclusief vrij T 4.
Verwijzen
De huisarts die patiënten met hyperthyreoïdie niet zelf behandelt, verwijst hen hiervoor naar een internist. Verwijs in ieder geval patiënten:
-
met een koude nodus op de schildklierscan of met de ziekte van Graves en een palpabele nodus;
-
met een centrale oorzaak;
-
met cardiale problemen, in het bijzonder hartfalen en angina pectoris;
-
die zwanger zijn (ook naar gynaecoloog) of dat willen worden, of bij borstvoeding;
-
met een oftalmopathie, bij het vermoeden van een thyreotoxische storm (spoed), of toxisch adenoom;
-
die kiezen voor behandeling met radioactief jodium of chirurgische behandeling.
Overleg voor eventuele behandeling bij subklinische hyperthyreoïdie met een internist of verwijs hier voor.
RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEK EN BELEID BIJ PALPABELE AFWIJKINGEN
Bepaal op grond van palpatie en echografie de aard van de palpabele schildklierafwijkingen.
| Palpabele afwijking | Beleid |
| Solitaire nodus | verwijzing voor aanvullende diagnostiek |
| Diffuus struma | behandeling bij klachten |
| Multinodulair struma zonder dominante nodus | behandeling bij klachten |
| Multinodulair struma met dominante nodus | verwijzing voor aanvullende diagnostiek |
