Zoek in standaarden
Overige materialen
Hartfalen M51
Richtlijnen diagnostiek
Anamnese
Informeer naar de aanwezigheid van:
-
verminderd inspanningsvermogen;
-
kortademigheid: dyspneu bij inspanning of in rust, orthopneu, paroxismale nachtelijke dyspneu;
-
vermoeidheid;
-
mogelijke oorzaken of triggers voor hartfalen: angineuze klachten, ritme- of geleidingsstoornissen; gebruik van negatief inotrope middelen, NSAID’s, corticosteroïden of thiazolidinedionen.
Lichamelijk onderzoek
-
algemeen: voedingstoestand, lichaamsgewicht;
-
pols: frequentie (tachycardie of bradycardie?), ritme (regelmatig of onregelmatig?), kwaliteit;
-
bloeddruk: systolisch, diastolisch, polsdruk;
-
verhoogde centraalveneuze druk, perifeer oedeem, vergrote lever, ascites, pulmonale crepitaties, demping onderste longvelden passend bij pleuravocht;
-
ademfrequentie (tachypneu?);
-
hart: ictus palpabel buiten de midclaviculairlijn in rugligging, of heffend/verbreed in linkerzijligging, derde harttoon (galopritme), hartgeruisen wijzend op klepafwijkingen.
Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van hartfalen
Maak bij vermoeden van hartfalen een ECG en bepaal het (NT-pro)BNP. Bij een abnormaal ECG of een verhoogd (NT-pro)BNP is nader onderzoek geïndiceerd in de vorm van aanvullend laboratoriumonderzoek, echocardiografie en eventueel een thoraxfoto. De afkapwaarden voor (NT-pro)BNP verschillen bij acuut hartfalen (NT-proBNP >400 pg/ml; BNP >100 pg/ml) en geleidelijk ontstaan hartfalen (NT-proBNP >125 pg/ml; BNP >35 pg/ml).
Verdere diagnostiek ter bepaling van de oorzaak, ernst en prognose
laboratoriumbepalingen: CRP, leukocyten met differentiatie, Hb, Ht, glucose, natrium, kalium, creatinine en berekende klaring, ALAT, ASAT en gamma-GT, TSH, lipidenprofiel;
ECG (indien nog niet verricht);
X-thorax;
echocardiografie;
overige (inspannings-ecg of coronairangiografie bij vermoeden van een ischemische oorzaak; spirometrie voor aantonen of uitsluiten van astma/COPD).
Evaluatie
-
Stel de diagnose hartfalen als de patiënt klachten en verschijnselen heeft passend bij hartfalen en er echografisch sprake is van een LVEF <45% (systolisch hartfalen) of diastolische disfunctie en nog een behouden LVEF >45% (diastolisch hartfalen).
-
Een normaal ECG in combinatie met een normaal (NT-pro)BNP maakt de diagnose hartfalen zeer onwaarschijnlijk.
-
Als de diagnose hartfalen niet kan worden uitgesloten door een ECG en (NT-pro)BNP, moet altijd echocardiografie worden verricht, ter verdere diagnostiek en om de oorzaak van hartfalen te achterhalen.
RICHTLIJNEN BELEID
Voorlichting en leefstijlinterventies
-
Vermijd het gebruik van NSAID’s zoveel mogelijk.
-
Adviseer dagelijks te wegen.
-
Instrueer patiënt met betrekking tot flexibel diureticabeleid.
-
Adviseer natriumbeperking.
-
Overweeg vochtbeperking tot 1,5 à 2 liter per dag bij patiënten met ernstig hartfalen.
-
Overweeg gewichtsreductie bij patiënten met obesitas (BMI >30 kg/m2).
-
Adviseer de jaarlijkse griepvaccinatie.
-
Ontraad roken en adviseer alcoholinname te beperken tot 1 à 2 eenheden per dag.
-
Adviseer conditietraining aan alle patiënten met stabiel chronisch hartfalen.
-
Ontraad verblijf op grote hoogte en in zeer warme gebieden aan patiënten met klachten.
-
Patiënten in NYHA-klasse IV zijn ongeschikt voor het besturen van een auto.
Medicamenteuze behandeling
-
Start bij hartfalenpatiënt in NYHA-klasse II-IV met zowel diureticum als ACE-remmer en
-
titreer dosis tot patiënt klinisch stabiel is (geen duidelijke klinische tekenen van overvulling
-
heeft).
-
Voeg bij klinisch stabiele patiënt altijd een bètablokker toe en titreer de dosis van ACE-
-
remmer en bètablokker op naar streefdosis of naar maximale dosis die wordt verdragen.
-
Iedere patiënt met systolisch hartfalen krijgt bovenstaande therapie tenzij er contra-indicaties zijn.
-
Voeg aldosteronantagonist toe indien ondanks adequate instelling op ACE-remmer, diureticum en bètablokker ernstige klachten (NYHA-klasse III-IV) persisteren.
-
of:
-
Geef AII-antagonist als alternatief voor aldosteronantagonist.
-
Overweeg toevoeging van digoxine bij patiënten met atriumfibrilleren bij wie ondanks een bètablokker de ventrikelfrequentie in rust > 80/min. of bij inspanning > 110-120/min. blijft.
-
Overweeg toevoeging van digoxine bij patiënten met sinusritme die klachten houden ondanks behandeling met ACE-remmer, diureticum, bètablokker en aldosteronantagonist of AII-antagonist.
Doseringen van hartfalenmedicatie (startdosis/streefdosis)
-
ACE-remmers: captopril 6,25 mg 3dd/50-100 mg 3dd; enalapril 2,5 mg 2dd/10-20 mg 2dd; lisinopril 2,5-5 mg 1dd/20-35 mg 1dd; ramipril 2,5 mg 1dd/5 mg 2dd; trandolapril 0,5 mg 1dd/4 mg 1dd.
-
Diuretica: furosemide 20-40 mg/40-240 mg; bumetanide 0,5-1,0 mg/1-5 mg; hydrochloorthiazide 25 mg/12,5-100 mg; chloortalidon 25 mg/12,5-50 mg.
-
Βètablokkers: bisoprolol 1,25 mg 1dd/10 mg 1dd; carvedilol 3,125 mg 2dd/25-50 mg 2dd; metoprololsuccinaat met vertraagde afgifte 12,5/25 mg 1dd/200 mg 1dd; nebivolol 1,25 mg 1dd/10 mg 1dd.
-
Aldosteronantagonisten: spironolacton 25 mg 1dd/25 mg (bij progressief hartfalen evt. 50 mg 1dd); eplerenon 25 mg 1dd/50 mg 1dd.
-
AII-antagonisten: candesartan 4 of 8 mg 1dd/32 mg 1dd; valsartan 40 mg 2dd/160 mg 2dd.
Controles
-
Controleer nierfunctie en serumelektrolyten bij start van de behandeling en 1-2 weken na de start van de behandeling. De nierfunctie en serumelektrolytenworden 1, 2, 3 en 6 maanden na het bereiken van de onderhoudsdosis gecontroleerd en daarna elke 6 maanden. Extra controles van serumkalium bij een klaring van 10-50 ml/min en gebruik van aldosteronantagonist.
-
Bepaal bloeddruk, polsfrequentie en gewicht.
-
Controleer stabiele patiënten eenmaal per 3 maanden.
-
Besteed tijdens controles aandacht aan het inspanningsvermogen en vraag naar eventuele bijwerkingen van de medicatie.
-
Besteed bij toename van klachten aandacht aan uitlokkende factoren zoals infecties, NSAID-gebruik, extra zout of onjuist toepassen van de therapie.
Consultatie en verwijzing
-
bij twijfel over de diagnose hartfalen;
-
voor het verrichten en interpreteren van echocardiografie;
-
bij onvoldoende verbetering op ingestelde medicamenteuze therapie of bij abrupte verslechtering;
-
bij hartfalen ten gevolge van mogelijk corrigeerbare afwijkingen;
-
bij vermoeden van een recent myocardinfarct;
-
als PCI of CABG een behandeloptie is voor angina pectoris en/of ST-T-afwijkingen op het ECG die passen bij ischemie;
-
bij relatief jonge patiënten;
-
bij verdenking op cardiomyopathie;
-
als bij systolisch hartfalen LVEF< 35% is bij patiënten met klachten ondanks optimale therapie met drie middelen (diuretica, ACE-remmers, bètablokkers) om te beoordelen of een intracardiale defibrillator (ICD) zinvol is;
-
bij systolisch hartfalen bij patiënten met klachten ondanks optimale therapie met vier middelen (diuretica, ACE-remmers, bètablokkers en aldosteronantagonisten of AII-antagonisten) en een verbreed QRS-complex (>120 msec) om te beoordelen of cardiale resynchronisatietherapie (CRT) zinvol is.
ACUUT HARTFALEN
Achtergrond
Bij acuut hartfalen is sprake van een snel begin of snelle toename van klachten. Oorzaken zijn: ischemie inclusief een acuut myocardinfarct, hartritmestoornissen, klepdisfunctie, pericardaandoeningen, verhoogde vullingsdrukken of een verhoogde perifere weerstand.
RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEK
Lichamelijk onderzoek
-
algemene indruk en beoordeling van de perifere circulatie en huidtemperatuur;
-
pols: meestal tachycard en ‘dun’ door (nor)adrenaline;
-
bloeddruk: een lage bloeddruk is het meest bedreigend;
-
auscultatie van het hart: geruisen en een derde of vierde harttoon;
-
auscultatie van de longen: tweezijdig basaal crepiteren, rhonchi en pulmonaal piepen. Vooral bij een acute exacerbatie van chronisch hartfalen kan ook demping en nauwelijks of geen ademgeruis basaal (passend bij pleuravocht) aantoonbaar zijn;
-
centraalveneuze druk: deze is verhoogd.
RICHTLIJNEN BELEID
Medicamenteuze behandeling
-
Lisdiuretica: geef bij matige vochtretentie furosemide 20-40 mg of bumetanide 0,5-1 mg oraal of i.v.; bij ernstige vochtretentie furosemide tot 100 mg i.v. of bumetanide tot 4 mg oraal of i.v.
-
Vaatverwijders: als er geen sprake is van symptomatische hypotensie, een systolische bloeddruk < 90 mmHg of ernstige obstructieve hartklepaandoeningen. In de thuissituatie kan sublinguale toediening effectief zijn. Tot de klachten verbeteren of de bloeddruk daalt < 90 mmHg kan elke drie minuten 0,8-1,6 mg nitroglycerine worden toegediend.
-
Zuurstof: wordt aanbevolen bij hypoxemische patiënten. Geef 5-20l/min en streef naar een zuurstofsaturatie > 95% (bij COPD-patiënten > 90%). Bij ernstig COPD is waakzaamheid geboden voor hypercapnie en kan 2 l/min. gegeven worden.
-
Morfine: kan worden toegepast bij onrust, dyspneu, angst of pijn op de borst. Toediening van 2,5-5 mg i.v. kan worden herhaald zo vaak als nodig is. Voorzichtigheid is geboden bij hypotensie, bradycardie, tweede- of derdegraads AV-blok of CO2-retentie.
Verwijzing
Bij onvoldoende resultaat van de behandeling, ontoereikende zorgmogelijkheden of een vermoeden van een myocardinfarct of andere (invasief) behandelbare oorzaak voor het acute hartfalen.
