U bent nu hier:
M61

Slechthorendheid   M61   (januari 2006)




BEGRIPPENNHG Standaard

Slechthorendheid: verminderde waarneming van geluid of minder verstaan van spraak.

Geleidingsverlies: gehoorverlies door afwijkingen aan gehoorgang, trommelvlies of middenoor, waaronder de gehoorbeenketen.

Perceptief verlies: gehoorverlies door aandoeningen van slakkenhuis, gehoorzenuw of centraal auditief zenuwstelsel.

Gehoorscreening: gehooronderzoek op leeftijd van ongeveer 9 maanden (Ewing- en CAPAS-test), wordt vervangen door gehooronderzoek in de eerste levensweken (oto-akoestische emissies, OAE).

Presbyacusis: meest voorkomende oorzaak van slechthorendheid; perceptief gehoorverlies niet andres verklaard dan door fysiologische veroudering van het hoorzintuig

Risiscogroepen met grotere kans op slechthorendheid zijn kinderen en ouderen, personen die in lawaai werken, personen met een verstandelijke handicap en musici.

RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEKNHG Standaard

Bij patiënten die klagen over hun gehoor, al dan niet na een gehoortest via de audicien, of bij wie de huisarts slechthorendheid vermoedt.

AnamneseNHG Standaard

Vraag naar:

  • duur, ernst en beloop van de klachten;
  • een- of tweezijdigheid;
  • oorpijn, jeuk, otorroe, verstopt gevoel;
  • omstandigheden waarbij het verminderd gehoor problemen geeft (in rustige of rumoerige omgeving zoals tijdens feestjes, maaltijden en vergaderingen, bij telefoneren of tv kijken);
  • gevolgen van klachten voor het persoonlijke en sociale leven (vermoeidheid, ergernis, acceptatieproblemen, problemen bij sociale contacten of terugtrekken uit rumoerige omgeving);
  • frequent verblijf in lawaaierige omgeving (door werk of hobby), gebruik van oortelefoons of gehoorbescherming;
  • traumata (manipulatie in gehoorgang, klap op oor);
  • erfelijke of familiaire aandoeningen.

Vraag naar voorgeschiedenis:

  • episoden van bovensteluchtweginfecties, otitiden, verstopte oren;
  • ooroperaties, trommelvliesperforatie;
  • doorgemaakte meningitis;
  • gebruik van ototoxische geneesmiddelen (aminoglycosiden en in geringe mate lisdiuretica).

Vraag bij kinderen ook naar:

  • problemen tijdens zwangerschap (rubella- of cytomegalie-infectie) of partus (ernstige asfyxie);
  • uitslag van gehoorscreeningtest(s);
  • taal- en spraakontwikkeling;
  • functioneren op school en bij sport.

Vraag bij ouderen naar de motivatie voor het gebruik van een hoortoestel.

Lichamelijk onderzoekNHG Standaard

Inspecteer beide oren met een otoscoop en let daarbij op:

  • aanwezigheid van cerumenprop of otorroe in de gehoorgang;
  • zwelling, schilfering, roodheid, vesiculae of erosies van de gehoorgang;
  • kleur, doorschijnendheid, lichtreflectie en eventuele perforatie van het trommelvlies;
  • aanwezigheid van vloeistofspiegel of luchtbel(len) achter het trommelvlies.

Aanvullend onderzoekNHG Standaard

Verricht bij patiënten ouder dan 6 jaar audiometrie (met een screeningsaudiometer) of een fluisterspraaktest, behalve als er bij otoscopie aanwijzingen zijn die de slechthorendheid kunnen verklaren (cerumenprop, otitis media al of niet met effusie, trommelvliesperforatie).

Audiometrie is afwijkend bij gemiddeld ten minste 30 dB-verlies bij 1000, 2000 en 4000 Hz: Fletchwer-index.

Fluisterspraaktest is afwijkend indien meer dan vier van de zes combinaties niet goed worden herhaald. Dit correspondeert met een gemiddeld gehoorverlies van ongeveer 30 dB of meer.

Pneumatische otoscopie of tympanometrie: bij vermoeden van middenooreffusie.

EvaluatieNHG Standaard

Geleidingsslechthorendheid bij kinderen vooral door cerumenprop(pen) of otitis media acuta of otitis media met effusie (na bovenste luchtweginfectie). Bij volwassenen: cerumenproppen, otitis externa, otosclerose (vaak eenzijdig bij vrouwen, soms in de zwangerschap, met erfelijke belasting) of cholesteatoom.

Perceptieslechthorendheid bij kinderen door vermoeden van erfelijke aandoeningen, infecties tijdens de zwangerschap of meningitis in de voorgeschiedenis. Bij volwassenen: presbyacusis, lawaaidoofehid of traumata, gebruik van ototoxische geneesmiddelen of ziekte van Ménière, acusticusneurinoom of acuut idiopathisch gehoorverlies.

RICHTLIJNEN BELEIDNHG Standaard

VoorlichtingNHG Standaard

Geef informatie over de vermoedelijke oorzaak van de slechthorendheid en het beloop.

  • Cerumenproppen: wijs op zelfreinigende werking van gehoorgang; vermijd peuteren of wattenstokjes.Bij bovensteluchtweginfecties, otitis externa en otitis media: wijs op gunstig beloop bij otitis media met effusie kan het herstel soms maanden duren, risiscogroepen vragen extra aandacht.
  • Lawaaidoofheid: beperk verdere gehoorschade door geluidsbeschermende maatregelen, zoals oordopjes of oorkappen. Neem contact op met de bedrijfsarts als werkomstandigheden een rol spelen.
  • Barotrauma: perforatie sluit in 90% van de gevallen spontaan in enkele weken.
  • Presbyacusis: gaat soms samen met oorsuizen, recruitment (harde geluiden worden als hinderlijk ervaren, of gestoord richtinghoren, waardoor het spraakverstaan in een lawaaiige omgeving moeilijker wordt).

Informeer slechthorenden en hun omgeving over:

  • goed articuleren, in een rustig tempo spreken en oogcontact houden verbeteren het spraakverstaan meer dan het opvoeren van het volume;
  • de akoestiek van een kamer is te verbeteren door het aanbrengen van absorberend materiaal (kleed op de vloer);
  • versterkte telefoon of deurbel en hulpmiddelen voor tv en radio vermideren de beperkingen;
  • een hoortoestel verbetert het waarnemen van geluid, maar onderscheid geluid vaak moeilijk van achtergrondlawaai, zodat beide worden versterkt. Vooral in een lawaaiige omgeving valt het resultaat soms tegen. De keuze voor een toestel wordt bepaald door technische gegevens, subjectief oordeel van de patiënt en kosten. Wacht bij beperkingen in sociaal functioneren niet te lang met een hoortoestel, omdat de omgang en bediening van het toestel meer moeite kost naarmate men ouder wordt. Aanvullende informatie: wijs op NHG-Patiëntenbrieven (nhg.artsennet.nl) en www.hoorwijzer.nl.

Behandeling, consultatie of verwijzingNHG Standaard

  • Verwijder cerumenprop(pen) met een cerumenhaakje of door uitspuiten. Losweken met olie als voorbereiding is niet nodig, tenzij de prop na drie pogingen niet is losgekomen, zelfs niet na 15 minuten wachten om de prop los te weken.
  • Voor otitis externa en otitis media acuta: zie NHG-Standaarden Otitis externa en Otitis media acuta.
  • Kinderen met (vermoeden van) otitis media met effusie bij wie op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek geen verklaring voor de slechthorendheid wordt gevonden: zie NHG-Standaard Otitis media met effusie.
  • Verwijs snel naar KNO-arts bij acut opgetreden slechthorendheid en bij vermoeden van een cholesteatoom.
  • Bij een vermoeden van erfelijke aandoeningen, infecties tijdens zwangerschap, meningitis in de voorgeschiedenis, gebruik van ototoxische geneesmiddelen, lawaaidoofheid of (ernstige) traumata: overleg met of verwijs naar een KNO-arts.
  • Afwijkende audiometrie of fluisterspraaktest: overweeg overleg met of verwijzing naar een KNO-arts; let bij ouderen op motivatie voor het dragen van een hoortoestel.
  • Verwijs zuigelingen me een bij herhaling afwijkende uitslag bij de gehoorscreening altijd en oudere kinderen met perceptiedoofheid bij voorkeur naar een audiologisch centrum.