Inhoudsopgave
Zoek in standaarden
Â
Overige materialen
Atriumfibrilleren M79 (december 2009)
BEGRIPPEN
Atriumfibrilleren is een hartritmestoornis waarbij het ritme volledig onregelmatig en meestal versneld is.
-
Eerste aanval van atriumfibrilleren: de aandoening is niet eerder bij de patiënt vastgesteld.
-
Paroxismaal atriumfibrilleren (PAF): aanvallen van atriumfibrilleren die niet langer dan 7 dagen bestaan.
-
Persisterend atriumfibrilleren: de aandoening bestaat langer dan 7 dagen.
-
Permanent atriumfibrilleren: de aandoening bestaat langer dan 7 dagen en de ritmestoornis wordt geaccepteerd.
RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEK
Onderzoek het hartritme bij kortademigheid, verminderde inspanningstolerantie, hartkloppingen, duizeligheid in de zin van licht gevoel in het hoofd of het gevoel flauw te vallen, wegrakingen, tekenen van hartfalen, TIA of CVA. Let op het hartritme tijdens tensiemeting.
Anamnese
Klachten die kunnen samenhangen met atriumfibrilleren:
-
Hartkloppingen? Sinds wanneer, continu of in aanvallen? Bij aanvallen: hoe vaak, hoe lang en wanneer?
-
Duizeligheid, wegrakingen?
-
Verminderde inspanningstolerantie, dyspnoe?
Onderliggende aandoeningen en belangrijke comorbiditeit:
-
Aanwijzingen voor angina pectoris of hartfalen?
-
Hartkleplijden, diabetes mellitus, hypertensie, COPD, hyperthyreoïdie, TIA of CVA, myocardinfarct in de voorgeschiedenis?
Uitlokkende factoren:
-
Koorts, aanwijzingen voor anemie of hyperthyreoïdie?
-
Stress of lichamelijke inspanning?
-
Intoxicaties: koffie, alcohol, drugs (stimulantia)?
-
Medicatie, vooral bètasympathicomimetica, levothyroxine, theofylline?
Klachten die wijzen op trombo-embolische complicaties, zoals een TIA of CVA.
Lichamelijk onderzoek
-
Bloeddrukmeting (handmatig).
-
Auscultatie van het hart: stel ritme en frequentie vast, tel ten minste 30 seconden; indien in rust <90 slagen/minuut, herhalen na lichte inspanning; let op souffles.
-
Let op eventuele tekenen van hartfalen.
Verder onderzoek op geleide van anamnestische aanwijzingen voor onderliggende oorzaak, uitlokkende factoren of trombo-embolische complicaties.
Aanvullend onderzoek
-
ECG bij het vermoeden van atriumfibrilleren; bij PAF zo mogelijk tijdens een aanval.
-
Holter-registratie of ‘event’-recorder bij het vermoeden van PAF met respectievelijk frequente of weinig frequente aanvallen.
-
Laboratoriumonderzoek: TSH, Hb en glucose; kreatinine (GFR) en kalium bij het begin van behandeling met digoxine. Bepaal BNP of NT-proBNP alleen bij vermoeden op hartfalen.
Evaluatie
Stel de diagnose atriumfibrilleren op grond van de uitslag van een ECG, Holter of ‘event’-recorder en classificeer het atriumfibrilleren (zie Begrippen). Is er relevante comorbiditeit: hypertensie, diabetes mellitus, (mogelijk) hartfalen, coronaire hartziekte, (eerder) CVA of TIA, hartklepafwijkingen of hyperthyreoïdie?
RICHTLIJNEN BELEID
Voorlichting
Geef uitleg over de aandoening en het te verwachten beloop. Bespreek uitlokkende factoren. Leg uit dat medicatie voor verlaging van de hartfrequentie zinvol is. Geef het belang aan van antitrombotische medicatie bij PAF en atriumfibrilleren langer dan 48 uur. Bespreek bij PAF met frequente aanvallen met klachten de mogelijkheden om de aanvalsfrequentie te verminderen.
Medicamenteuze behandeling
Verlaging van de ventrikelfrequentie
Bij een ventrikelfrequentie in rust >90 slagen/minuut of bij klachten bij inspanning en een frequentie >110 slagen/minuut bij geringe inspanning. Bij kort bestaand atriumfibrilleren zonder hartfalen kan de eerste 48 uur een hogere frequentie in rust geaccepteerd worden.
| Geen hartfalen | eerste keus: bètablokker | metoprolol met vertraagde afgifte 50-200 mg | eventueel digoxine toevoegen |
| tweede keus: calciumantagonist | verapamil of diltiazem 120-360 mg | ||
| (Mogelijk) hartfalen | digoxine: eerste dag 0,75 mg, daarna 1 dd 0,25 mg; verhoogd risico op toxiciteit: eerste dag 3 dd 0,125 mg, daarna 1 dd 0,125 mg; verhoogd risico op toxiciteit en hoogbejaard: eerste dag 3 dd 0,125 mg, daarna 1 dd 0,0625 mg | ||
-
Heeft de patiënt tevens angina pectoris, dan heeft diltiazem de voorkeur boven verapamil.
-
Hoog de dosering geleidelijk op, op geleide van de ventrikelfrequentie.
-
Pas de digoxinedosis aan bij combinatie van een calciumantagonist met digoxine.
Controles
-
Bij een eerste aanval bij een patiënt ouder dan 65 jaar controle twee dagen na ontstaan klachten. Ga de klachten na en controleer ritme en ventrikelfrequentie. Start zo nodig frequentieverlagende en antitrombotische medicatie.
-
Controleer de patiënt tijdens de instelfase met frequentieverlagende medicatie tot het behandeldoel is bereikt. Besteed aandacht aan tekenen van hartfalen.
-
Controleer de patiënt bij een stabiele instelling in ieder geval jaarlijks. Beoordeel dan de hartfrequentie, eventuele verschijnselen van hartfalen en inventariseer de risicofactoren die de indicatie voor antitrombotische behandeling bepalen.
-
Controleer bij digoxinegebruik jaarlijks creatinine- en kaliumconcentratie.
Verwijzing
Verwijs met spoed per ambulance:
-
wanneer de patiënt hemodynamisch instabiel is;
-
bij instabiele angina pectoris.
Overleg direct met de cardioloog over eventuele cardioversie:
-
wanneer een jonge patiënt (< 65 jaar) korter dan 48 uur atriumfibrilleren heeft.
Overige verwijsindicaties:
-
leeftijd < 65 jaar en langer dan 48 uur bestaand atriumfibrilleren;
-
ventrikelfrequentie <50/min zonder frequentieverlagende middelen;
-
persisterende klachten ondanks adequate ventrikelfrequentie;
-
onvoldoende daling van de ventrikelfrequentie door digoxine en bètablokker en (vermoeden van) hartfalen;
-
onvoldoende daling van de ventrikelfrequentie ondanks gebruik van twee frequentieverlagende middelen;
-
vermoeden van een hartklepafwijking;
-
aanwezigheid van het Wolff-Parkinson-White-syndroom of plotse hartdood in de familie;
-
PAF, wanneer de patiënt therapie wenst ter vermindering van het aantal aanvallen.
