U bent nu hier:
M83

Beleid na een doorgemaakt myocardinfarct   M83   (maart 2005)




De standaard geeft richtlijnen voor het beleid bij postinfarctpatiënten, die dankzij hun stabiele toestand en relatief gunstige prognose door de cardioloog zijn terugverwezen naar de huisarts voor verdere controle. De standaard kan ook worden toegepast bij stabiele patiënten die geen myocardinfarct doormaakten, maar coronaire bypass-chirurgie (CABG) of een percutane coronaire interventie (PCI) hebben ondergaan.

RICHTLIJNEN DIAGNOSTIEKNHG Standaard

Herstelfase (periode, direct na ontslag uit het ziekenhuis): zie Richtlijnen beleid.NHG Standaard

Stabiele fase (als de patiënt voor controle naar de huisarts is terugverwezen): De huisarts controleert de patiënt ten minste jaarlijks. Bij aanwezigheid van klachten of cardiovasculaire risicofactoren, zoals diabetes mellitus of hypertensie vindt de controle plaats conform de betreffende richtlijnen.

AnamneseNHG Standaard

Informeer naar:

  • klachten: angina pectoris (stabiel/instabiel), aanwijzingen voor hartfalen (kortademigheid of moeheid in rust of bij inspanningen die eerder goed verdragen werden, kortademigheid ’s nachts of bij platliggen, oedeem van benen en/of enkels), claudicatio intermittens, TIA/CVA;
  • psychosociale problemen, angst, depressieve klachten en de gevolgen hiervan voor het dagelijks functioneren;
  • roken;
  • therapietrouw ten aanzien van het voedings- en bewegingsadvies;
  • medicatie (gebruik, problemen met gebruik en mogelijke bijwerkingen).

Lichamelijk onderzoekNHG Standaard

  • pols: ritme en frequentie;
  • bloeddruk;
  • lichaamsgewicht.

Overig onderzoek vindt plaats op indicatie, vooral bij anamnestische aanwijzingen voor hartfalen.

Aanvullend onderzoekNHG Standaard

Bepaal jaarlijks het glucose, creatinine en kalium (bij diuretica- en ACE-remmergebruik).

Controleer de lipiden na de instelfase zo nodig, bijvoorbeeld ter informatie over therapietrouw of het bereikte resultaat.

Controleer bij hypertensie of diabetes mellitus volgens de desbetreffende standaarden.

Verricht functieonderzoeken (ECG, echocardiogram) alleen bij verandering/toename van klachten.

RICHTLIJNEN BELEIDNHG Standaard

Herstelfase.De aard en intensiteit van de nazorg aan de patiënt hangen direct na ontslag af van de ernst van de toestand van de patiënt en diens prognose. Doel is dat de patiënt afhankelijk van diens wensen, klachten en mogelijkheden een nieuw (emotioneel) evenwicht vindt, indien van toepassing ook in de relatie met de partner, en werk en hobby’s weer kan oppakken.

Bespreek met de patiënt en diens naasten eventuele psychosociale problemen en beantwoord vragen op medisch-technisch gebied. Geef voorlichting over leefstijl en stimuleer de patiënt mee te doen aan hartrevalidatie. Bekijk hoe het werk, indien van toepassing, kan worden hervat.

Stabiele fase. In deze fase ligt de nadruk op secundaire preventie van hart- en vaatziekten.

VoorlichtingNHG Standaard

Informeer de patiënt over:

  • aard en (stabiele) beloop van de aandoening;
  • leefregels;
  • behandelingsmogelijkheden ter vermindering van eventuele klachten en verbetering van de prognose;
  • medicatie;
  • alarmsymptomen (instabiele angina pectoris of acuut myocardinfarct);
  • wanneer de patiënt (met spoed) contact op moet nemen met de huisarts of ‘112’ moet bellen.

Niet-medicamenteuze behandelingNHG Standaard

Geef de patiënt de volgende adviezen:

  • Stop met roken.
  • Beweeg veel.
  • Gebruik goede voeding conform de richtlijnen van de Voedingsraad.
  • Probeer bij een Quetelet-index >25 10% van het gewicht te verliezen in 6 maanden.
  • Beperk de alcoholconsumptie tot maximaal 2 eenheden per dag.

Medicamenteuze behandelingNHG Standaard

Geef:

  • eenmaal daags 80 mg acetylsalicylzuur of eenmaal daags 100 mg carbasalaatcalcium, levenslang.
  • een statine, bij voorkeur eenmaal daags 40 mg simvastatine, eventueel een equivalent van een andere statine, levenslang, ongeacht de initiële hoogte van de serumcholesterolconcentratie of de leeftijd, en ongeacht de cholesterolwaarde die daarmee wordt bereikt.
  • een lipofiele bètablokker, bij voorkeur eenmaal daags 100-200 mg metoprolol met vertraagde afgifte, levenslang. Bij de groep stabiele patiënten met coronairlijden die geen myocardinfarct doormaakten, kan de bètablokker na verloop van tijd worden gestaakt indien het potentiële gunstige effect ervan niet meer opweegt tegen ervaren bijwerkingen.
  • een ACE-remmer, bij voorkeur een bij het myocardinfarct onderzochte ACE-remmer die eenmaal per dag gegeven kan worden, bijvoorbeeld eenmaal daags 4-8 mg perindopril (ouderen 2-8 mg ) of eenmaal daags 1-4 mg trandolapril. Bij hartfalen of een asymptomatische verminderde linkerventrikelfunctie is langdurig gebruik nodig. Staak het gebruik indien er geen hartfalen, asymptomatische verminderde linkerventrikelfunctie of andere indicatie voor een ACE-remmer is 6 tot 12 maanden na het acute myocardinfarct. Als er in de acute fase géén ACE-remmer is gegeven, hoeft de huisarts niet alsnog een ACE-remmer te starten, tenzij er sprake is van hartfalen (Zie NHG-Standaard Hartfalen).

Geef:

  • een angiotensine-II-antagonist als een ACE-remmer niet wordt verdragen (niet bij angio-oedeem);
  • een nitraat bij angineuze klachten ondanks bètablokkers of indien bètablokkers zijn gecontraïndiceerd;
  • een calciumantagonist bij een postinfarctpatiënt zonder hartfalen die niet in aanmerking komt voor behandeling met een bètablokker en bij wie de bloeddruk onvoldoende onder controle is met een diureticum en een ACE-remmer of indien er ondanks behandeling met nitraten angineuze klachten blijven bestaan. Geef bij voorkeur tweemaal daags 180 mg verapamil tabletten met gereguleerde afgifte.

Consultatie/verwijzingNHG Standaard

  • bij een recidief myocardinfarct of bij instabiele angina pectoris (ACS): direct naar de cardioloog;
  • bij progressie van de klachten, vooral bij angina pectoris die aanzienlijke beperkingen geeft in het dagelijks leven ondanks behandeling met twee middelen, moeilijk behandelbare hypertensie, moeilijk behandelbare dyspnoe en vermindering van de inspanningstolerantie;
  • bij recidief angineuze klachten binnen enkele maanden na een acuut coronair syndroom of PCI;
  • na een semi-recent infarct (patiënten die meer dan 24 uur tot 5 dagen na het optreden van de eerste symptomen van een AMI de huisarts consulteren, maar geen actuele klachten meer hebben), ter beoordeling van de linkerventrikelfunctie, de inspanningstolerantie en de restischemie;
  • bij een bij toeval op het ECG ontdekt oud myocardinfarct, ter beoordeling van de linkerventrikelfunctie.