Lacune Allergische en niet-allergische rhinitis
|
Onderwerp |
Toelichting |
Bron |
Bron precies |
|
Bestaat er een verband tussen geneesmiddelen (andere dan decongestiva) en rhinitis. |
Rhinitis wordt genoemd als bijwerking van cholesterolsyntheseremmers en oogdruppels die de niet-selectieve bètablokker timolol bevatten. Andere geneesmiddelen waarbij rhinitis als bijwerking genoemd wordt zijn antihypertensiva zoals ACE-remmers, bètablokkers, alfablokkers (prazosine), centraal werkende antihypertensiva (guanethidine, methyldopa), chloorpromazine en orale anticonceptiva. Het verband met deze geneesmiddelen is onduidelijk. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 12 |
|
Wat is de waarde van de anamnese bij allergische rhinitis. |
Er zijn bijzonder weinig goed uitgevoerde onderzoeken over de waarde van de anamnese voor de diagnostiek. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 17 |
|
Hoe vaak komt astma voor bij patiënten met allergische en niet-allergische rhinitis. |
Uit epidemiologische onderzoeken blijkt dat 15 tot 40% van de patiënten met een allergische rhinitis astma heeft. Hoe groot dit percentage precies is, is echter niet bekend. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 10 |
|
Oogklachten reageren goed op zowel corticoneusspray als antihistamincum (spray en tablet), is er een voorkeur op grond van mate van effectiviteit? |
De Standaard adviseert nu een oraal antihistaminicum te overwegen als meerdere organen betrokken zijn of als de patiënt een sterke voorkeur voor een tablet heeft. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
hoofdtekst |
|
Verbetert behandeling van astma de rhinitisklachten. |
Een meta-analyse naar het effect van de behandeling van astmapatiënten met intranasale corticosteroïden op de astmasymptomen, toonde alleen een niet-significante trend aan naar verbetering van astmaklachten, longfunctie en hyperreactiviteit. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 10 |
|
Wat is het effect op lange termijn van gebruik van een corticosteroïd neusspray op de lengtegroei van kinderen. |
Uit een literatuuroverzicht bleek een dosisafhankelijke groeiremming door gebruik van hogere doses corticosteroïden. Onderzoeken langer dan één jaar zijn niet gevonden. Onduidelijk is of de groeivertraging op latere leeftijd alsnog ingehaald wordt, en of fluticason en mometasonneusspray klinisch inderdaad minder groeiremming geven dan bijvoorbeeld budesonideneusspray. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 32 |
|
Wat zijn de langetermijneffecten van het langdurig gebruik van medicamenten bij allergische en niet-allergische rhinitis? |
Hier is geen literatuur over gevonden. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
hoofdtekst |
|
Welk verband bestaat er tussen zwangerschap en rhinitis. |
Er zijn aanwijzingen dat langdurige neusobstructieklachten in de zwangerschap meer voorkomen. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 13 |
|
Wat is de incidentie van rebound rhinitis als gevolg van gebruik van decongestiva. |
Cijfers hierover zijn niet bekend. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 12 |
|
Wat is de klinische relevantie van conchahypertrofie. |
Het is onduidelijk wat de klinische relevantie van conchahypertrofie is. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
hoofdtekst |
|
Hoe snel treed het effect in van corticosteroïden bij allergische en niet-allergische rhinitis (in behandeling vergeleken met placebo en anti-histaminica) |
In handboeken wordt geschreven dat de werking van corticosteroïdneusspray pas 3-10 dagen na start intreedt. Er zijn echter aanwijzingen dat het effect al binnen 24 uur optreedt. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 29 |
|
Neemt de prevalentie van allergische rhinitis nog steeds toe of niet. |
Terwijl in sommige Europese landen nog steeds een stijging van de prevalentie van hooikoorts wordt gezien wordt in andere landen geen stijging van de prevalentie meer waargenomen. In de Nederlandse huisartsenregistraties is het onduidelijk of er nog sprake is van een toename van de prevalentie. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 6 |
|
Wat is het lange termijn effect van conchachirugie, septumplastiek en poliepectomie op neusklachten. |
Over het effect op langere termijn zijn weinig gegevens voorhanden. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 36-38 |
|
Wat is het (lange termijn) effect van sublinguale immunotherapie bij rhinitis. |
Er is meer groot gerandomiseerd, dubbelblind onderzoek met SLIT nodig om de effectiviteit op lange termijn, de optimale dosering en gebruikersduur en de patiëntengroep die het meest geschikt lijkt voor SLIT te kunnen bepalen. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 26 |
|
Wat is de effectiviteit van oraal en intramusculair gebruik van corticosteroïden bij allergische rhinitis |
Men zou systemische steroïden kunnen overwegen bij ernstige allergische klachten die onvoldoende reageren op behandeling met een corticosteroïdneusspray, bij onvoldoende effect van intranasale corticosteroïden bij een rhinitis ten gevolge van decongestivagebruik of bij de aanwezigheid van obstruerende neuspoliepen. In de literatuur is hiervoor echter geen onderbouwing gevonden. |
M48 Allergische en niet-allergische rhinitis |
noot 34 |
Terug naar NHG-Standaard M48 Allergische en hyperreactieve rhinitis
