

Urine-incontinentie en de fysiotherapeut
Versiedatum: juni 2007
Bij een bepaalde vraag, klacht of ziekte kan de huisarts of praktijkmedewerker deze brief aan u meegeven. Deze informatie is niet bedoeld om een gesprek met de huisarts te vervangen.
Uw gezondheidssituatie kan anders zijn dan hier wordt beschreven.
Wat is urine-incontinentie?
Incontinentie voor urine betekent dat u ongewild plas verliest. Bijvoorbeeld bij inspanning, zoals hoesten, niezen, lachen, tillen, traplopen, rennen of springen. Dit heet inspanningsincontinentie of stressincontinentie.
Het kan ook zijn dat u plotseling aandrang voelt om te plassen en de plas niet kunt ophouden tot u bij het toilet bent. Dit heet aandrangsincontinentie of urge-incontinentie.
Sommige mensen hebben last van beide vormen van incontinentie.
Hoe werken de urinewegen?
Urine wordt in de nieren gemaakt en gaat via de urineleiders naar de blaas. De urine wordt in de blaas opgeslagen tot deze gevuld raakt en komt dan via de plasbuis naar buiten.
De plas wordt opgehouden door een sluitspier rond de uitgang van de blaas. De bekkenbodemspieren vormen een onderdeel van deze sluitspier; ze vormen een soort strakke hangmat waar uw blaas op steunt.
Hoe ontstaat urine-incontinentie?
Inspanningsincontinentie ontstaat als de afsluiting van de blaas niet goed werkt. De bekkenbodemspieren kunnen bijvoorbeeld door een zwangerschap of bevalling opgerekt of verzwakt zijn. U kunt er ook aanleg voor hebben. Als de bekkenbodemspieren zijn verslapt en de blaas volloopt, is de sluitspier soms niet sterk genoeg om de urine tegen te houden.
Door hoesten, niezen, lachen, tillen, traplopen, rennen, dansen of springen neemt de druk in de buik toe. Dat geeft ook druk op uw blaas. Als de sluitspier dan niet sterk genoeg is, kunt u ongewild urine verliezen. Meestal zijn dat druppels of scheutjes.
Aandrangsincontinentie ontstaat als de blaas erg prikkelbaar of ‘overactief’ is. Hierbij trekken de spieren in de blaaswand onverwacht plotseling samen. Daardoor wordt de urine uit de blaas geperst, waardoor u veel urine tegelijk kunt verliezen. Dit kan zowel ’s nachts als overdag gebeuren.
Inspanningsincontinentie komt vooral bij vrouwen voor. Aandrangsincontinentie komt ook bij mannen voor, met name op hogere leeftijd.
Oefenen helpt
Bij urine-incontinentie kan het doen van oefeningen helpen om uw plas beter op te houden. Na vier tot zes weken zult u meestal merken dat uw klachten verminderen.
Bij inspanningsincontinentie helpen bekkenbodemspieroefeningen. Wanneer u zich voorstelt dat u uw plas (of een wind) wilt afknijpen of onderbreken, spant u vanzelf ook uw bekkenbodemspieren aan. Door deze spieren meerdere malen per dag enkele tellen flink aan te spannen, oefent u uw bekkenbodemspieren en worden ze sterker. Als u de voorgeschreven oefeningen gedurende enkele maanden zorgvuldig blijft doen, kunt u uw plas uiteindelijk beter ophouden.
Bij aandrangsincontinentie helpt blaastraining. Dat gaat als volgt: Telkens als u voelt dat u moet plassen, probeert u dit enkele minuten uit te stellen. Probeer de urine geleidelijk aan steeds langer op te houden. Daardoor traint u uw blaas om meer urine op te slaan. Hoe meer u oefent en hoe langer u probeert de urine op te houden, hoe groter de kans dat uw klachten verminderen. Het doel is dat u uiteindelijk slechts één keer in de drie uur naar het toilet hoeft te gaan.
Wat kan de bekkenfysiotherapeut voor u doen?
Het helpt als iemand de oefeningen aan u uitlegt en meteen kan zeggen of u de oefeningen goed doet. Iemand die u stimuleert om ermee door te gaan.
Heeft u behoefte aan ondersteuning, dan kunt u oefenen met een fysiotherapeut die gespecialiseerd is op het gebied van incontinentie: de bekkenfysiotherapeut. Deze neemt alle tijd voor u en legt u uit welke oefeningen voor u geschikt zijn. U krijgt aanwijzingen of tips zodat het u beter lukt de oefeningen uit te voeren en vol te houden. Soms is het noodzakelijk dat de bekkenfysiotherapeut een inwendig onderzoek doet, om te kunnen beoordelen of uw bekkenbodemspieren verslapt zijn. Hierbij kan hij of zij gebruik maken van een apparaatje om de spierspanning te meten of te stimuleren. De bekkenfysiotherapeut zal dit altijd eerst met u bespreken en uw toestemming hiervoor vragen.
Hoe gaat het verder?
Meestal merkt u na zes tot negen behandelingen bij de fysiotherapeut dat u uw plas al beter kunt ophouden. Zorg dat u de oefeningen ook op de lange duur regelmatig thuis blijft herhalen. Doe uw oefeningen op een vast moment van de dag, bijvoorbeeld tijdens het tandenpoetsen of douchen. Zo maakt u er vanzelf een gewoonte van. Als de klachten na een tijdje terugkomen, kan het helpen om weer een paar keer naar de fysiotherapeut te gaan. Dan kunt u de oefeningen nog eens herhalen totdat u zelf weer verder kunt.
Als de klachten niet minder worden of als de fysiotherapeut u dat aanraadt, kom dan weer op het spreekuur.
Heeft u nog vragen?
Als u na het lezen van deze brief nog vragen heeft, dan kunt u daar bij een volgend contact op terugkomen.
Meer informatie over dit en andere onderwerpen is te vinden op www.thuisarts.nl.


