U bent nu hier:

Wel of geen onderzoek van mijn kind tijdens de zwangerschap (prenatale screening)

Versiedatum: oktober 2008

Deze patiëntenbrief is bedoeld als ondersteuning van het consult door de huisarts. De huisarts geeft de brief mee aan patiënten met de betreffende ziekte of aandoening. De tekst gaat ervan uit dat de patiënt al door de huisarts is gezien en dat de informatie uit de brief is besproken.

De adviezen in de brief gelden alleen voor mensen bij wie de diagnose is gesteld. De informatie dient niet als vervanging van een consult door de huisarts. Bedenk bij het lezen dat uw gezondheidssituatie anders kan zijn dan in de teksten wordt beschreven.

Is mijn ongeboren kind gezond?

Wanneer u zwanger bent komt u regelmatig op de praktijk of bij de verloskundige om te laten controleren of uw kind goed groeit: Uw buik wordt onderzocht en er wordt naar de harttonen van uw kind geluisterd. In de eerste weken van de zwangerschap wordt uw bloed nagekeken en wordt ook een echo gemaakt. Op deze echo is bijvoorbeeld te zien of u één kind of een meerling verwacht.

Prenatale screening

Wanneer u in de zwangerschap meer te weten wilt komen over uw kind, dan kunt u overwegen extra onderzoek te laten doen. We noemen dit prenatale screening.

Deze onderzoeken laten zien of er bij uw kind een verhoogde kans is op bepaalde afwijkingen. Bijvoorbeeld een verhoogde kans op Downsyndroom of een open rug.

Prenatale screening geeft geen zekerheid over het al dan niet aanwezig zijn van een afwijking. Voor meer zekerheid is verder onderzoek nodig.

Prenatale screening op Downsyndroom (de combinatietest)

Van de duizend zwangere vrouwen krijgen er gemiddeld twee een kind met Downsyndroom. Bij jonge vrouwen (20-25 jaar) is de kans lager (minder dan 1 op de 1000). Naarmate u ouder bent, is de kans op een kind met Down hoger. Bijvoorbeeld meer dan 9 op de 1000 als u 40 bent.

Met de combinatietest kunt u laten onderzoeken hoe groot de kans is dat uw kind het Downsyndroom heeft. Deze test bestaat uit een combinatie van twee onderzoeken:

  • een bloedonderzoek bij u zelf (tussen 9 en 14 weken zwangerschap).
  • en een nekplooimeting bij uw kind (via een echo tussen 11 en 14 weken zwangerschap). 

Prenatale screening op andere afwijkingen

Met een echo rond de 20e week van de zwangerschap kan gekeken worden of uw kind misschien een lichamelijke afwijking heeft, bijvoorbeeld: een open rug of schedel, een waterhoofd, een afwijking aan het hart of aan de nieren. Ook wordt gekeken of uw kind goed groeit en of er voldoende vruchtwater is.

De kans op een kind met een lichamelijke afwijking zoals een open rug is 1 op de 1000.

Gunstige uitslag van prenatale screening

Als bij prenatale screening blijkt dat de kans op Downsyndroom klein is en er geen afwijkingen worden ontdekt, dan is dat prettig om te weten. Zekerheid dat uw kind helemaal gezond is, kan het onderzoek niet geven. Er blijft een kleine kans bestaan dat uw kind met het Downsyndroom of een andere afwijking wordt geboren. Die kans is gelukkig erg klein.

Ongunstige uitslag van prenatale screening

Als uit prenatale screening blijkt dat de kans op Downsyndroom verhoogd is of als een lichamelijke afwijking wordt ontdekt, dan kan verder onderzoek op een later tijdstip meer zekerheid geven:

  • Bij een verhoogde kans op het Downsyndroom kunt u een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie laten doen om het zeker te weten. Bij een vlokkentest wordt een klein stukje weefsel van de moederkoek (placenta) voor onderzoek weggenomen. Bij de vruchtwaterpunctie wordt een beetje vruchtwater onderzocht. Deze zogenaamde vervolgonderzoeken brengen wel risico’s met zich mee: Van de duizend vrouwen die dit onderzoek laten doen, krijgen drie tot vijf vrouwen door het onderzoek een miskraam.
  • Als er bij de 20-weken echo een afwijking wordt gezien, dan is een uitgebreid echo-onderzoek nodig, om meer duidelijkheid te krijgen over de betekenis van de afwijking. Dit onderzoek geeft geen risico op een miskraam.

Wel of geen prenatale screening?

Voordat u besluit om prenatale screening te laten doen, is het belangrijk om alvast over deze vragen na te denken:

  • Probeer te bedenken wat het voor u zal betekenen, als er een afwijking wordt gevonden.
  • Als uw kind een afwijking heeft, wilt u dat dan voor de geboorte al weten? Bijvoorbeeld zodat u zich hierop kunt voorbereiden?
  • Als blijkt dat u een verhoogde kans heeft op een kind met Downsyndroom, wilt u dan verder onderzoek laten doen om het zeker te weten?
  • Zou u verder onderzoek laten doen, als daardoor de kans op een miskraam toeneemt?
  • Hoe denkt u over het afbreken van een zwangerschap als uw kind het Downsyndroom heeft of een ernstige onbehandelbare afwijking?

De antwoorden op deze vragen kunnen u helpen bij de keuze om wel of geen prenataal onderzoek te laten doen.

Hoe gaat het verder?

Het verhaal van prenatale screening is ingewikkeld en heeft veel uitleg nodig. De keuze is niet eenvoudig. Als u vragen heeft is het belangrijk dat u nog eens komt praten. Uiteindelijk beslist u zelf óf u uw kind wilt laten onderzoeken, en welk(e) onderzoek(en) u wilt laten doen. Wanneer u van gedachten verandert kunt u het onderzoek op elk moment stoppen.

Bij uitzondering kunt u voor de keuze komen te staan om de zwangerschap voortijdig te beëindigen. Voor een zorgvuldige keus heeft u tijd nodig. Probeer de komende week eerst te bedenken wat u wilt en bespreek dit zo mogelijk met uw partner. Waar u ook voor kiest, op de praktijk proberen we u zo goed mogelijk te begeleiden.

Meer informatie?

Wanneer u prenatale screening overweegt, wordt dit altijd uitvoerig besproken. U komt daar voor terug naar de praktijk of gaat naar de verloskundige.

Kijk voor meer informatie op www.prenatalescreening.nl. Op deze site vindt u ook een ‘keuzehulp’ prenatale screening. Deze helpt u om uw argumenten vóór en tegen prenatale screening af te wegen.

Heeft u nog vragen?

Als u na het lezen van deze brief nog vragen heeft, kunt u daar bij een volgend contact op terugkomen.